A.L. Snijders - Reinier Vink woonde in dezelfde straat als ik en was even oud. Ik beleefde niets, maar hij had familie in Indië en vertelde verhalen over hun plantages en hun reizen naar Holland. Van hem hoorde ik niet alleen voor het eerst over het Suezkanaal, maar hij vertelde ook het vreemde verhaal over zwemmende bedelaars, die naar de muntjes doken die door de verwende Europese reizigers in het water werden gegooid.

De bedelaars waren zo arm dat ze soms te diep gingen en verdronken. Reinier Vink lachte, het was hun eigen schuld, niemand gaf ze toch opdracht naar het geld te duiken? Ik dacht niet dat het spel was, honger leek me de oorzaak. Wij hadden een leraar op het lyceum die weliswaar klassieke talen onderwees, maar ook lid was van de Communistische Partij, hij vertelde wel eens wat buiten het rooster over honger en ander onrecht. Reinier Vink vond het belachelijk dat leraren hun persoonlijke gedrag in het stemhokje niet voor zichzelf hielden, zij moesten het vak onderwijzen waarvoor ze waren aangenomen en hun hobby’s bewaren voor hun vrije tijd. Van Gustave Flaubert zou hij zeker steun hebben ontvangen voor dit standpunt.

Het is trouwens Flaubert geweest die mij als tweede attendeerde op de zwemmers. Hij maakt in het midden van de negentiende eeuw een reis van anderhalf jaar door het Midden-Oosten. Tijdens zijn tocht over de Nijl passeren ze een hoog op een berg gelegen klooster van Koptische monniken, die bij het ontdekken van een schip de gewoonte hebben in groten getale spiernaakt naar beneden te rennen en schreeuwend (‘geef ons geld, meneer de christen’) naar het schip te zwemmen. Een vrolijke matroos neemt de leiding om ze tegen te houden.

Flaubert schrijft in een brief aan een vriend: ‘Om de christelijke monniken te verjagen toonde hij hun zijn pik en zijn kont en deed of hij ze op het hoofd wilde kakken en pissen (ze hadden zich aan de rand van de boot vastgeklampt). De andere matrozen riepen ze scheldwoorden toe, waarbij de namen van Allah en Mohammed herhaaldelijk vielen. Sommigen gingen hen met stokken, anderen met touwen te lijf en Joseph sloeg erop los met zijn keukentangen. Het was een tutti van klappen, piemels, blote achterwerken, scheldpartijen en gelach. Zodra je wat geld hebt gegeven, stoppen ze het in hun mond en gaan via dezelfde weg weer terug. Als ze niet op genoemde wijze een flink pak slaag kregen, zouden in zo groten getale komen opdringen, dat er gevaar voor kapseizen van de boot zou zijn’ (vert. E. Borger).