Column - Onafhankelijk?

Menno Hurenkamp - Een arts onderzoekt de oorontsteking van mijn zoon. Ik brabbel ondertussen wat Bahasa Indonesia: ‘Weet u, mijn moeder is hier geboren, op deze plek.’ ‘O, is ze Indonesisch?’ ‘Nee, ze is Nederlands, het ziekenhuis was toen nog Nederlands.’ Dat klinkt opeens als een poging zijn ziekenhuis te claimen, maar de man haalt zijn schouders op. Zoals ook de socioloog die ons door Bandung leidt weinig geeft om het koloniale verleden. Hij ziet er ook na aandringen niks dubbelzinnigs in met Hollanders langs de huizen te lopen waar ooit bezetters van zijn land woonden. En elk Javaans dorp heeft sinds 17 augustus 1945 monumenten, maar waar het land toen onafhankelijk van werd is het vermelden niet waard. Nederland is geen land maar een vage herinnering, klein en ver weg.

‘Een treurspel der gemiste kansen’, zo noemde Jacques de Kadt in 1949 hoe Nederland omsprong met de Indonesische bevrijdingsdrang. Als nu maar direct was ingezien dat het verlangen naar zelfstandigheid legitiem en ontembaar was, had een gelijkwaardige relatie tussen de twee landen kunnen ontstaan.

Door de verbeten oorlog tegen Nederland zou Indonesië ten prooi vallen aan het communisme, dat wereldwijd oprukte met een aantrekkelijk verhaal over emancipatie en eerlijk delen. En onder het juk van Moskou zouden de Indonesiërs nog steeds niet onafhankelijk zijn. De Kadt zag de geschiedenis beter dan de toekomst.

Inderdaad werd de Indonesische communistische partij al snel de grootste niet regerende communistische partij ter wereld. Maar eind jaren zestig greep het leger in en in de decennia daarop verloor het communisme wereldwijd ook alle verleidingskracht. Onwillekeurig dringt zich — zeker nu 17 augustus weer nadert — de vraag op hoe je nu de hedendaagse onafhankelijkheid moet schetsen. Wil je dat een land onafhankelijk is of dat de mensen onafhankelijk zijn? Indonesië met zijn tweehonderd miljoen moslims heette de ruggengraat van de ‘relaxte’ islam. Maar waar nu op Java betonmolens draaien, wordt met Saoedisch geld weer een moskee gebouwd. Terwijl de oproep tot gebed letterlijk al over het hele eiland schalt — in een taal die niemand verstaat. En als je een hippe jongen Pokémons ziet vangen, heeft hij gegarandeerd een zwaar gesluierd meisje achter op zijn brommer.

Dat geloof succesvol de rol van ideologie overnam als manier om een samenleving te ordenen, is geen nieuws. Alleen, waar ligt het punt waarop de aantrekkingskracht van dat geloof ook weer afneemt? Dat de staat ingrijpt zoals hij dat tegen het communisme deed, is onwaarschijnlijk. Men ziet het juist als onafhankelijkheid dat de overheid zelf een matige islam voorschrijft, contra het fundamentalistisch geleuter.

Maar dat is dan de onafhankelijkheid van het land en niet zozeer van de mensen. Misschien dat het islamitisch geïnspireerde geweld ooit de wal wordt die het schip keert. En er schuilt ook wat hoop in de nu in synthetische hoofddoeken gaar gestoomde meisjes, die zich ooit eens moeten roeren. Maar van vermoeidheid jegens de radicalisering van het openbare leven lijkt nog geen sprake, terwijl dat de onafhankelijkheid van de mensen wel zo goed zou doen.