De boel bij elkaar brengen

Lucas Roorda - Er is de afgelopen dagen al het nodige gezegd en geschreven over de dramatische verkiezingsuitslag. In de haast om handvaten te vinden lijkt er echter weinig te zitten tussen de zoveelste doodverklaring van de PvdA, en berusting in de wederopstanding mochten andere linkse partijen toch niet de nieuwe Messias hebben geleverd. Zoals Lodewijk Asscher op de ledenraad echter terecht aangaf: deze uitslag is niet louter te verklaren vanuit de campagne, de persoon van de lijsttrekker of zelfs het kabinet. Hij is de verwezenlijking van tendensen die al ingezet waren voordat het coalitie achter Rutte-II überhaupt een optie was.

Wil de PvdA daadwerkelijk leren van deze uitslag en zichzelf opnieuw uitvinden, dan doet de partij er goed aan die woorden ter harte te nemen en over een veel langere periode terug te kijken dan op een kabinet met onze ‘natuurlijke’ tegenstander.

Het moge duidelijk zijn dat met dat kabinet grondig is afgerekend: bij elkaar opgeteld heeft de coalitie achter Rutte-II de helft van de zetels verloren. Die klap komt bovenop de tussentijdse tikken die de PvdA opliep in de gemeenteraden, Provinciale Staten en het Europees Parlement. Dat is natuurlijk niet vreemd, regeren heeft altijd een prijs, zeker voor de PvdA. De klap is deze keer echter wel erg groot. Dat kan betekenen dat de coalitie Rutte-II door het electoraat over het algemeen als rechts is ervaren, waar VVD-kiezers vanzelfsprekend een minder probleem mee zullen hebben dan PvdA-kiezers.

Er is vaak gewezen op de overstap die de PvdA zowel retorisch als ideologisch maakte, van een belofte van ‘nieuwe politiek’ naar de noodzaak om het kabinet de rit te laten uitzitten. Meer nog dan die retorische draai is de inhoudelijke draai van ideële politiek naar financiële verantwoordelijkheid de PvdA kwalijk genomen. Hoeveel Samsom ook hamerde op het feit dat die verantwoordelijkheid al in het programma stond en hoeveel er ook geschermd werd met de traditie van Drees en Kok om Dijsselbloems begrotingsdiscipline te rechtvaardigen: het is lang zoeken naar kiezers die links stemmen omdat dat zo goed zou zijn voor de staatskas.

Deze verklaring is echter niet afdoende. De PvdA heeft immers vaker over rechts geregeerd, en nooit in deze mate ingeleverd. Neem het vorige dieptepunt, 2002: toen gold ook het verwijt dat de PvdA onder Kok zijn sociaaleconomische DNA ondergeschikt had gemaakt aan marktdenken. Neem daarbij de opkomst van Pim Fortuyn en de enorme impopulariteit van Ad Melkert, en het is een wonder dat de PvdA nog 23 zetels kon behouden. Dat aantal had de PvdA nu de tweede partij gemaakt, en een onvermijdelijke regeringspartner.

Er zitten bovendien een paar paradoxen in de uitslag. Ja, de PvdA heeft zeker verloren aan partijen die een veel scherper, compromislozer standpunt formuleerden op PvdA-thematiek, zoals de Partij voor de Dieren en DENK. Tegen de verwachtingen in heeft de SP echter niet geprofiteerd van de implosie, hoewel in veel analyses de PvdA en de SP toch als communicerende vaten worden gezien. De partijen die wel profiteerden waren D66 en GroenLinks, toch geen partijen die het compromis en het overleg schuwen. D66 heeft actief het kabinetsbeleid mogelijk gemaakt, inclusief – of zelfs vooral – de financiële gedachte erachter. GroenLinks stond weliswaar scherp tegenover het kabinetsbeleid op zorg en asiel, maar heeft op andere kernpunten meeonderhandeld – denk aan het leenstelstel – meegestemd en minder radicaal oppositie gevoerd dan bijvoorbeeld de SP. Simpelweg roepen dat de PvdA ‘teveel compromissen’ sloot is dus niet afdoende om deze uitslag te verklaren, en ervan te leren.

Veel eerder moet de PvdA zich realiseren dat de jaren tussen de kabinetten-Kok en Rutte-II in het teken hebben gestaan van het opbreken van het hele concept ‘natuurlijke achterban’, die van de PvdA voorop. Het is een fenomeen dat meer bewegingen treft, zie onder andere de tanende macht van de vakbond: voorheen noodzakelijk collectieven breken op naarmate de individuen die er deel van uitmaken emanciperen. De sterk toegenomen welvaart en de opkomst van de informatiemaatschappij heeft dat in een stroomversnelling gebracht, de laatste omdat het die individuen in staat stelt zich in veel lossere verbanden, op veel kortere termijn te organiseren. De PvdA heeft die boot geheel gemist.

De sociaal-democratie, ooit begonnen als een gemarginaliseerde groep van onderop, is daarmee eigenlijk te succesvol geweest. Zoals Tony Judt al overtuigend betoogde in 'Het Land Is Moe', is sociaal-democratie in potentie altijd het slachtoffer van zijn eigen succes. Naarmate de sociaal-democratische kiezer zich verheft, worden de instellingen die zijn ingericht om die opgang mogelijk te maken meer ervaren als ballast en minder als een noodzakelijk platform voor emancipatie.

De PvdA is als partij diep verankerd geraakt met de collectieve instituten waarmee we onze idealen vorm hebben proberen te geven. Die verankering heeft lang in het voordeel van de PvdA gewerkt omdat het voor veel kiezers als solide en vertrouwd voelde (tot in de jaren ’90 nog, getuige het succes van de verkiezingsslogan ‘Sterk en Sociaal’). Nu een aantal van die instituten op de helling gaan, waaronder de langdurige zorg, de sociale woningbouw en de collectieve verzekeringen, brokkelt de PvdA mee af.

Dit geldt te meer omdat we daar zelf aan meewerken: het marktliberale TINA-denken dat de PvdA langzamerhand is gaan overnemen is gestoeld op het besef dat die instituten niet oneindig zijn, maar eigen alternatieven hebben we nog niet echt gevonden.

Die analyse mag genoegzaam bekend zijn. Tussen 2002 en 2017 heeft echter evenzeer een sociaal-culturele emancipatie plaatsgevonden die zich nu explicieter dan ooit manifesteert in de verkiezingsuitslag. Vormden kiezers van Marokkaanse en Turkse komaf met name in de grote steden nog een betrouwbare PvdA-stem, anno 2017 zijn die uitgewaaierd naar andere partijen. Deels omdat die kiezers economisch zijn geëmancipeerd en hun belangen beter vertegenwoordigd zien door liberale partijen als D66, deels omdat het identiteitsdebat van de afgelopen jaren ook de allochtone kiezer mondiger heeft gemaakt. Die groep is op zoek gegaan naar een partij die veel harder stelling durft te nemen tegen uitsluiting en discriminatie, en heeft daarmee een electoraal gat laten zien dat de PvdA open heeft gelaten en door een partij als DENK is gedicht. Beide bewegingen zijn vanuit integratie-oogpunt natuurlijk toe te juichen, maar de PvdA is onvoldoende meebewogen om er ook de vruchten van te plukken.

De combinatie van sociaaleconomische en sociaal-culturele emancipatie, decollectivisering en het afbrokkelen van met de PvdA geassocieerde instituten betekent dat de PvdA voor weinig kiezers nog de vanzelfsprekende partij is. Als dat besef gaat ontbreken wordt gematigd rechts beleid een linkse partij veel sterker aangerekend, dan in een constellatie waarin die partij als vanzelfsprekende machtsfactor wordt ervaren. Er zijn immers andere linkse opties, waardoor de beweging naar het midden van de PvdA veel minder snel wordt geaccepteerd. In dat opzicht was de opleving 2012 eerder een ‘false positive’; een eenmalige opleving die meer structurele problemen bij de PvdA verbloemde. De PvdA begreep dat zelf niet: in plaats van het links-progressieve sentiment serieus te nemen, verloor de PvdA zichzelf weer in klassieke bestuurdersreflexen, met 2017 als onvermijdelijk gevolg.

Dit is overigens een les die ook Jesse Klaver zich in de oren zal moeten knopen, wil hij niet over dezelfde draad struikelen bij de volgende verkiezingen. Net zo min als de PvdA is GroenLinks immers de vanzelfsprekende partij op links, en kan dit ‘2012-moment’ voor GroenLinks tegelijk weer het begin van de neergang zijn.

Tegelijk ligt er in de vergelijking tussen 2012 en 2017 ook een kans voor de PvdA, een zicht op de toekomst van de partij voorbij het huidige debacle. Het zou een beetje sociaal-democraat eigenlijk een gruwel moeten zijn dat een partij die ooit is opgericht uit bittere sociale noodzaak een vanzelfsprekende machtsfactor is geworden. Dat automatisme is de dood in de pot voor politiek die gestoeld is op activisme en idealisme, en in zeker zin ook op pragmatisme; wie Adriaan van Veldhuizens 'De Partij' er nog eens op naleest ziet dat veel van de vroege successen van de sociaal-democraten bestonden uit het reageren op concrete problemen, niet per sé uit grote verhalen houden. De aantrekkingskracht van de PvdA in 2012 bestond voor veel kiezers ook uit het adresseren van concrete problemen: liggeld in de zorg, eigen risico, terugbrengen van uitstoot.

De uitdaging voor de PvdA zou de komende jaren dus moeten liggen in formuleren waar de praktische noodzaak van de sociaal-democratische beweging ligt, met nadruk op beweging. Ideologisch ligt er met het Van Waarde-project een document dat de richting al aardig aangeeft: goed werk en bestaanszekerheid als leidraad voor progressief-linkse politiek. Met name het begrip goed werk zal onvermijdelijk een sleutelthema worden: in geen van de coalities die nu besproken wordt zit veel perspectief voor georganiseerde arbeid, en het tegengaan van flexibilisering en verdringing. Hier heeft de PvdA een belangrijke rol op te pakken, waar andere sleutelthema’s als verbinding en internationale solidariteit prima aan opgehangen kunnen worden.

Belangrijker, de decimering in de Kamer én eerder in lokale politiek betekent dat de klassieke politieke gremia onvoldoende zijn om dat verhaal handen en voeten te geven. Politiek per motie kan niet langer meer de enige modaliteit zijn waarin de PvdA werkt. Hans Spekman mag dan wellicht het veld ruimen in oktober, zijn idee van een activistische PvdA die als organisatorische spil in het web van een veel bredere beweging fungeert is nu noodzakelijker dan ooit. Die organisatorische kracht zal bovendien moeten beginnen bij jongeren – zoals hierboven al gesteld, traditionele organisatievormen als de vakbond verliezen samen met de PvdA aan zeggingskracht.

Het goede nieuws is dat de sociaal-democratie als beweging wellicht een tik krijgt, maar dat de idealen die ten grondslag liggen aan de beweging nog springlevend zijn: bestaanszekerheid, gelijkheid en verbinding. De uitdaging zit hem erin dat die idealen nu meer verspreid zijn geraakt over verschillende politieke en maatschappelijke partijen, die één of meerdere van die idealen sterker benadrukken. Tezamen dekken zij echter niet alle waarden op links, en daar ligt dus nog bij uitstek een rol voor de PvdA.

Meer nog dan dat kan een meer ideologisch gemotiveerde PvdA de rol van linkse verbinder op zich nemen: de lijm die meer uitgesproken bewegingen bij elkaar houdt tot een collectief dat daadwerkelijk resultaten kan boeken. De uitdaging zit hem erin op enerlei wijze die idealen weer enigszins onder één dak te krijgen, zoals de PvdA altijd binnen de partij heeft gebracht. De boel bij elkaar brengen, dat is het dus.