De gemiste afslag van Bos

Willem Minderhout - Thijs Niemantsverdriet beschrijft in De Vechtpartij de aanloop naar de verkiezingen in 2006 als een cruciale periode in de recente geschiedenis van de PvdA. Aangezien de SP na die verkiezingen definitief doorbrak als serieuze electorale concurrent, noemt de journalist de PvdA-uitslag ‘erger dan de nederlaag van 2002’.

De auteur wijt dat verlies onder meer aan de onduidelijke opstelling die Wouter Bos innam ten opzichte van samenwerking met SP en GroenLinks. Onder invloed van de schimmige ‘Mercuriusgroep’ wilde Bos tot kort voor de verkiezingen niets weten van linkse samenwerking — en zeker niet met de SP. Toen hij om vijf voor twaalf alsnog van gedachte veranderde, leidde dat tot het ‘symbolische kopje koffie’ met Marijnissen en Halsema. Te laat een nietszeggend gebaar: geen wonder dat het door de media werd weggezet als een lachertje.

Had het ook anders kunnen lopen? Ik denk het wel. Waar Niemantsverdriet helaas geen aandacht aan besteedt, is het initiatief Een Ander Nederland van parlementariërs van PvdA, SP en GroenLinks. Door de overeenkomsten tussen de partijen te zoeken wilde men een gezamenlijke vuist maken tegen het uitgesproken rechtse beleid van Balkenende. Ik zat er als medewerker van initiatiefnemer Adri Duivesteijn bovenop. Adri, Staf Depla en Diederik Samsom vormden samen met de senatoren Leo Platvoet, Jos van der Lans (beiden GroenLinks), Tiny Cox en Ronald van Raak (beiden SP) de ‘kerngroep’. Een Ander Nederland organiseerde een reeks goedbezochte bijeenkomsten. Tijdens deze bijeenkomsten bleek dat de politieke verschillen overbrugbaar waren en — misschien nog belangrijker — dat ook op het persoonlijke vlak de wil tot samenwerking aanwezig was.

Een Ander Nederland kon, zo was de overtuiging van deze harde kern, de opmaat vormen tot linkse machtsvorming. De omstandigheden waren ernaar: alle drie de partijen zaten in de oppositie. Daarnaast leek het niet onredelijk om te denken dat samenwerking in de aanloop naar de volgende verkiezingen zou kunnen leiden tot een links machtsblok waar men bij de kabinetsformatie niet omheen kon. Nu valt er op de haalbaarheid meteen wel wat af te dingen. Zo bestond de GroenLinksdelegatie voornamelijk uit opposanten tegen de ‘D66-light’-koers van Halsema en hield Wouter Bos zich verre van het initiatief.

En toch was er volgens mij veel mogelijk geweest als Bos zich meer betrokken had getoond bij dit initiatief. De SP — zo was mijn indruk — zag op dat moment samenwerking met de PvdA als enige weg naar regeringsdeelname. Een Ander Nederland was voor hen dan ook een uitgelezen kans om dit te realiseren. We weten allemaal hoe het afgelopen is. Duivesteijn vertrok vlak voor de verkiezingen naar Almere, Bos kreeg een electorale opdoffer en de aangeslagen PvdA vormde vervolgens een kabinet met CDA en CU. De buitengesloten SP’ers voelden zich verraden en het veelbelovende initiatief stierf een stille dood.

Het grootste gevolg van deze gemiste afslag is dat de SP nu bij het zoeken naar coalitiepartners juist met een grote boog om de PvdA lijkt heen te gaan. De strategie dat de socialisten alleen in het kielzog van de PvdA aan het bestuur zullen deelnemen, heeft men verlaten. Menige gemeente en provincie kent nu een bestuur met SP, maar zonder sociaaldemocraten. Tekenend is Amsterdam, waar Laurens Ivens, mijn counterpart namens de SP binnen Een Ander Nederland, zijn partij met opvallend gemak een PvdA-loze coalitie binnenvoerde.

Is het nu te laat om deze strategische misstap te herstellen? Je zou zeggen van niet. Als de VVD de SP al als een mogelijke coalitiepartner ziet, dan moet de weerzin tegen de SP die bij sommige PvdA‘ers leeft, toch als achterhaald beschouwd worden. Bovendien is er bij Van Ojik veel meer mogelijk dan destijds bij Halsema. Tegelijkertijd is de politieke werkelijkheid wel fundamenteel veranderd. De PvdA kan de SP nu alleen nog als volwaardige partner tegemoet treden en niet langer als het kleine afhankelijke broertje.

De noodzaak is allerminst verdwenen. Toen ik dit stuk vooraf aan Adri Duivesteijn liet lezen, reageerde hij: ‘Ook nu ben ik ervan overtuigd, dat alleen progressieve machtsvorming nog in staat is tot het afdwingen van een fundamenteel ander beleid. Dus niet met een “progressieve” inbreng in een hoofdzakelijk rechts kabinet om verdere schade te voorkomen. Links zal moeten samenwerken, wil zij in dit tijdsgewricht nog een tegenmacht zijn.’