Duidelijkheid tot op het bot

Marijke Linthorst - Dezer dagen wordt er veel gesproken over de oorzaken van de enorme electorale afstraffing van onze partij en de consequenties die dat zou moeten hebben. Als belangrijkste oorzaak wordt genoemd dat wij met de VVD zijn gaan regeren. Ik ben het daar niet mee eens. Ik heb zestien jaar voor de PvdA in de Eerste Kamer gezeten en in die periode ben ik van één ding overtuigd geraakt: het verschil tussen liberale socialisten en sociale liberalen is vaak kleiner dan dat tussen liberale en orthodoxe socialisten, respectievelijk sociale en conservatieve of neo-liberalen.

De samenwerking zelf had niet desastreus hoeven zijn. De manier waarop de samenwerking werd vormgegeven was dat wel. Samenwerking tussen socialisten en liberalen vereist dat meningsverschillen ‘tot op het bot’ worden uitgediscussieerd. In plaats daarvan is gekozen voor het uitruilen van issues: wij het kinderpardon, jullie marktwerking in de zorg. Ik noem dit punt niet zozeer om terug te blikken, maar om na te denken over wat we hiervan zouden moeten leren. Want de grote verschillen van inzicht bestaan niet alleen tussen VVD en PvdA, maar ook binnen de PvdA. En we gaan vaak op dezelfde manier met die verschillen om: we ruilen uit, zodat de rijen gesloten kunnen blijven. Terwijl, net als tussen PvdA en VVD, binnen de PvdA een discussie ‘tot op het bot’ noodzakelijk is.

Met onze idealen (gelijke kansen voor iedereen, solidariteit met degenen die buiten hun schuld in de problemen raken) is niets mis. Maar we hebben, denk ik, onvoldoende nagedacht over de vraag hoe we deze idealen kunnen verwezenlijken in een context die fundamenteel anders is dan die van de jaren ’50 van Drees of de jaren ’70 van Den Uyl. Een simpel voorbeeld. Ik ben erg vóór het terugdringen van de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd was ik er van overtuigd dat de Wet Werk en Zekerheid van Asscher (waarbij werknemers na twee in plaats van drie tijdelijke contracten in vaste dienst moeten worden genomen) er alleen maar toe zou leiden dat werknemers met een tijdelijk contract na twee jaar niet een vast contract, maar geen contract zouden krijgen. De doelstelling deugt. De manier waarop de doelstelling wordt nagestreefd, werkt echter niet meer in de huidige sociaaleconomische context.

We leven in een open internationale economie waarin veel bedrijven zoeken naar de plek met de laagste kosten en veel aandeelhouders een zo groot mogelijke winst op korte termijn nastreven. Bedrijven die een ‘fatsoenlijk’ beleid voorstaan worden soms gedwongen mee te doen aan de ‘race to the bottom’, op straffe van faillissement. Als wij vast en fatsoenlijk werk willen, zullen we dus moeten nadenken hoe we werkgevers daar bij kunnen faciliteren. Dat is niet hetzelfde als het aantrekken van bedrijven met fiscaal gunstige regelingen en vraagt om een discussie ‘tot op het bot’ binnen de partij: wat willen we precies, hoe pakken we dat aan en wat zijn de consequenties? Moeten we bedrijven die zich richten op duurzame groei fiscaal faciliteren? Moeten we een maatschappelijk tegenwicht vormen tegen de macht van de aandeelhouders?

Soortgelijke vragen doen zich ook op andere terreinen voor. Wat te denken van het stimuleringsbeleid van de Europese Centrale Bank, die onvoorstelbare bedragen (miljarden euro’s per maand) in de economie pompt om de inflatie aan te wakkeren en zo de consumptie te doen stijgen? Zouden deze enorme bedragen niet beter kunnen worden gebruikt om de Griekse economie weer op orde te brengen? En hoe verhoudt dit beleid (de schulden zullen uiteindelijk ooit een keer moeten worden terugbetaald) zich tot de Europese regels voor maximale begrotingstekorten en nationale overheidsschulden?

Het is essentieel dat we over dit soort vraagstukken intern het debat aangaan, oplossingen én tegenwerpingen bedenken, voor mijn part met verhitte koppen tegenover elkaar staan. En dan vervolgens een standpunt innemen waar iedereen zich, al dan niet met tegenzin, bij neerlegt. Zolang dat interne debat niet gevoerd en afgerond is (en dat zal de nodige tijd kosten), lijkt het me buitengewoon onverstandig om nu te streven naar één linkse beweging, zoals bijvoorbeeld Ronald Plasterk bepleit in de Volkskrant van 20 maart. De noodzaak om verschillen van inzicht uit te discussiëren is niet alleen van belang bij samenwerking tussen PvdA en VVD, maar ook bij samenwerking van onze partij met andere partijen. Alvorens compromissen te sluiten is het op zijn minst handig om je eigen standpunt helder te hebben.

Maar het gaat niet alleen om concrete vraagstukken die om uitwerking vragen. Er is ook de manier waarop je naar het grotere geheel kijkt, de mentaliteit. De afgelopen jaren is het maatschappelijk leven vooral in financiële en economische begrippen gevat. De overheid heeft daar een belangrijke rol in gespeeld. De kosten van de gezondheidszorg vormden een schadelast, burgers werden vooral aangesproken in hun rol als consument. Een consument die prijzen vergelijkt, opkomt voor zijn eigen belang en zich de kaas niet van het brood laat eten. Wie een dergelijke, door voordeel gedreven instelling, stimuleert moet niet gek opkijken als de burger zich daar ook naar gaat gedragen. Je ziet dat op verschillende manieren in de gezondheidszorg. Zorgverzekeraars proberen jonge, gezonde verzekerden te trekken. Verzekerden kiezen ervoor om alleen datgene te verzekeren waar zij risico mee denken te lopen. De overheid beperkt zich ertoe om de ‘scherpste kantjes’ er vanaf te halen. Zorgverzekeraars met relatief veel oudere en chronisch zieke verzekerden krijgen een tegemoetkoming die wordt bekostigd door verzekeraars met relatief jonge en gezonde verzekerden. Het is goed dat dit gebeurt, maar de overheid zou ook een andere rol kunnen kiezen: stimuleren dat mensen niet alleen voor zichzelf zorgen, maar ook naar elkaar omzien.

Hoezeer het ‘ieder voor zich’ inmiddels gemeengoed is geworden, zie je bijvoorbeeld in de reclame. Er is een spotje waarin een jongetje een toetje verstopt in een leeg pak gortepap of iets dergelijks. Zijn broertje zoekt tevergeefs het toetje, waarna het eerste jongetje het toetje in zijn eentje opeet. Te lekker om te delen, heet het.

De overheid zou zich wat mij betreft best iets meer als opvoeder mogen opstellen. Dat begint bij politieke partijen. Politieke partijen moeten niet alleen pragmatisch zijn, maar ook waarden benoemen en op het algemeen belang wijzen. ‘Delen’ heeft de afgelopen jaren te veel in de context gestaan van dat jou iets ontnomen wordt. Dat is een wel erg armoedige interpretatie. Delen is ook: samen optrekken. Dat is voor bijna alle beleidsterreinen van belang: de arbeidsmarkt, de zorg, het milieu, de woningmarkt, de financiële sector en het onderwijs.

De omslag van ‘ieder voor zich’ naar ‘omzien naar elkaar’ vereist ook een cultuuromslag binnen onze eigen partij. Het blijven hameren op standpunten die het regeerakkoord niet gehaald hebben (bij voorkeur als de partij op verlies staat; dan is het met terugwerkende kracht een bewijs voor de juistheid van die opvatting) moet een keer ophouden. Accepteer een genomen besluit. Er zijn nu eenmaal niet veel mensen die zich voor 100% in alle standpunten van een partij kunnen vinden. Ik zou zeggen: tel je knopen en maak een keuze. Nieuwe rondes zijn er bij een nieuw verkiezingsprogramma.

En dan een laatste punt. Zouden wij onze politieke bijeenkomsten zó in kunnen richten dat daar ook weer leuke en constructieve leden met plezier op af komen?