Een overwinning voor de Keynesianen?

Geert Tukman - Onlangs wierp in een column in de Volkskrant een voormalig PvdA-politicus de vraag op of, nu de Nederlandse economie de eerste tekenen van herstel lijkt te vertonen, de vraag kan worden beantwoord wie gelijk heeft gehad: de critici van het regeringsbeleid, die meenden dat de economie kapot werd bezuinigd, of de voorstanders, die juist prioriteit wilden blijven geven aan sanering van de overheidsfinanciën. Hadden de Keynesianen of de anti-Keynesianen het bij het rechte eind?

Zijn conclusie: de uitkomst is paradoxaal. De Keynesianen bekritiseerden weliswaar het overheidsbeleid, maar dat was helemaal niet zo anti-Keynesiaans, want tamelijk ruimhartig als het om de 3% begrotingstekort ging. Het is een beeld dat ook wel eens gebruikt is om het beleid van Colijn tijdens de Grote Depressie te typeren. Ondanks de ‘aanpassingspolitiek’ van de door de ARP-voorman geleide kabinetten, gericht op begrotingsevenwicht en terugdringing van de staatsuitgaven, ontstond in 1931 een gat in de begroting dat niet meer gedicht kon worden. Voerde Colijn dus eigenlijk een Keynesiaans beleid?

De argumentatie van Wouter Bos – want om hem gaat het – verdient nadere aandacht en ook tegenspraak, want tegen zijn argumentatie is wel wat in te brengen. Allereerst: hoe staat het eigenlijk met de crisis? Zitten we weer in de lift? Kunnen we al concluderen dat het regeringsbeleid ons uit de crisis heeft geleid? Mij lijkt het allemaal nog veel te vroeg.

De hypothecaire schuldenlast ligt nog als een steen op de maag van de Nederlandse economie en van ongelukkige huizenbezitters. De werkloosheid stijgt bovendien nog steeds – deels onzichtbaar in de statistieken – en ligt percentueel weliswaar lager dan in de jaren dertig (17.4% in 1936) maar treft in absolute aantallen al veel meer mensen. Hoezo succesvol beleid?

In sommige landen en regio’s van de Europese Monetaire Unie is de situatie nog veel beroerder en de vooruitzichten idem dito. Als de politiek van de EMU wordt voortgezet kan economisch herstel in bepaalde delen van Europa nog vele jaren op zich laten wachten en raakt de samenleving daar totaal ontwricht. Kortom: voorlopig zijn we helemaal nog niet door de crisis heen, en is er weinig reden enthousiast te zijn over het in de EMU en Nederland gevoerde beleid, of Wouter Bos dat nu Keynesiaans of niet wil noemen.

Ten tweede: wat wilden de zogenaamde Keynesianen die het overheidsbeleid bekritiseerden? Om welke critici van het beleid gaat het eigenlijk? Bos noemde bijvoorbeeld de voormalige directeur van het Centraal Planbureau Coen Teulings, die waarschuwde voor een al te rigoureuze bezuinigingspolitiek om maar per se de 3% te halen; Teulings, die nog maar enkele jaren geleden graag nog eens uitlegde dat Keynes dood, erg dood, hartstikke dood was. Wat voor soort Keynesiaan is dat? Er is toch wel een verschil om te waarschuwen voor onverantwoord doorpakken in bezuinigingsdrift of te pleiten voor een ruimhartig expansief overheidsbeleid, zoals dat in de VS door economen als Paul Krugman is gedaan. Daar komt bij dat in de Europese politiek-economische context alle seinen steeds op anti-Keynes hebben gestaan – en dat weinig Nederlandse economen voor de Europese Monetaire Unie een fundamenteel andere aanpak hebben bepleit. Ook al lukt het niet alle deelnemende landen om de EMU-doelstellingen op het afgesproken tijdstip te halen, de richting van het beleid is onmiskenbaar niet Keynesiaans.

Wat zou trouwens een Keynesiaans georiënteerde politiek – er wordt inmiddels ook al van allerlei soorten neo-Keynsianisme gesproken - in de huidige omstandigheden wel in kunnen houden? Gaat het dan primair om het stimuleren van de binnenlandse consumptie? Of is juist een meer gerichte economische stimuleringspolitiek nodig? Bijvoorbeeld om – zoals sommige economen suggereren - de overmatige schulden onder huizenbezitters snel en effectief te saneren, zodat de bouw en woningmarkt weer in beweging komen, in de plaats van het onzalige woonakkoord van het huidige kabinet? Of bijvoorbeeld een sociale investeringspolitiek te voeren, zoals bijvoorbeeld door Anton Hemerijck en anderen bepleit, gericht op investeringen in onderwijs en kinderopvang om ons economisch potentieel te versterken? Of publieke investeringen in werkgelegen-heidsbevordering à la de Melkertbanen van weleer? Het zijn – met een schuin oog naar Keynes – allemaal vormen van expansief beleid die toch echt haaks staan op de dominante inzichten en beleidsagenda.

Dat brengt me bij het derde punt: stelt Bos de goede diagnose? Heeft een net niet helemaal op tijd lukkend bezuinigingsregime dat daarom het Bos-predicaat Keynesiaans krijgt Nederland uit de crisis geholpen? Daarvoor is het nuttig te rade te gaan bij de analyse die Temin in een aantal lezingen die hij in de jaren negentig hield heeft gemaakt van de economische politiek ten tijde van de Grote Depressie in de jaren dertig. Temin laat in Lessons from the great depression zien dat economen en beleidsmakers met het vasthouden aan de Gouden Standaard en de daaruit volgende deflatoire politiek kozen voor een desastreus politiek-economisch regime.

Onheilspellende leesstof. De kern van zijn redenering is: een economisch systeem dat een schok van buiten te verwerken krijgt, doet dat volgens de heersende dynamiek van dat systeem. De acties van politici en andere actoren worden dus bepaald door de onderliggende beleidsprincipes: het regime. Dat is veel belangrijker dan de individuele acties van politici en beleidsmakers. Het regime, of de verandering daarvan, bepaalt ook in vergaande mate het gedrag van de andere spelers, en vooral: hun verwachtingen. Verwachtingen spelen een belangrijke rol in het voortduren of bestrijden van de crisis.

‘The ideology that determined specific actions was a policy regime. It indicated a stable reaction to external events. The regime was well known to observers. Both policy-makers and people affected by their actions operated within this regime. When they thought of alternative actions, they thought of alternatives within this regime, that is, within the gold standard. Alternatives outside this regime were not taken seriously […].’ (8) ‘The distinction between actions and regimes is critical to an understanding of the Depression.’ (16) Het model van financiële orthodoxie, van de gouden standaard ‘led central bankers, fiscal authorities, and political leaders to hold to policies we now regard as desastrous.’ Pas met de New Deal in de VS en het nationaal-socialisme in Duitsland ontstonden alternatieve beleidsregimes die een nieuw perspectief boden aan alle actoren en daarmee ook nieuw gedrag bevorderden. De theoretische lessen die hij trekt betreffen ‘the interaction of economics and politics’. ‘The beginning of the recovery offers strong support for the role and expectations in economic affairs and for the role of government in determining these expectations.’ (132)

In sommige opzichten vervult de euro in feite dezelfde rol als de gouden standaard in de jaren twintig en dertig – leidend tot een vergelijkbaar patroon van aanpassingspolitiek. Temins analyse suggereert dat alleen een heldere, door de overheid ingezette regime change kan leiden tot andere verwachtingspatronen en daarmee ook ander gedrag om uit de crisis te komen. En dat is nu precies wat de afgelopen jaren niet is gebeurd. Adviezen van Hemerijck en anderen voor een ander macro-economisch regime in de EMU en een krachtige nationale investeringspolitiek zijn in onvruchtbare aarde gevallen.

Voor een dergelijke regime change waren sociaal-democraten in de jaren dertig niet bang toen zij het Plan van de Arbeid lanceerden. Toch zal zij ook nu nodig zijn, niet alleen om de economische ontwikkeling in ons eigen land in een andere richting te brengen, maar ook om economische groei in grote delen van Zuid Europa tot stand te brengen. Daarvoor is een tiende procentje meer overheidstekort echt niet genoeg.