Geef ons onze kleine scholen terug

Jan Schuurman Hess - Hoe trots zijn de inwoners van Weebosch op hun nieuwe dorpshuis! Avond aan avond hebben ze twee jaar lang, gebouwd, getimmerd, geverfd en schoongemaakt. Het dorpshuis is nu door een gang verbonden met de andere trots van het dorp: de St. Gerardusschool.

Dorpshuis en school liggen aan de rand van het dorp tegen de bosrand, met een geweldige natuurtuin, een amfitheater, een vijver, een moestuin en voor ieder kind een eigen vogelkastje, zelf geschilderd. Die tuin, het theater en alles wat er in die natuurklas bedacht en gemaakt is, is niet alleen het geluk van de kinderen maar ook dat van de gemeenschap. De bevolking van Weebosch heeft in de school en in het dorpshuis alles gezamenlijk gerealiseerd; materiaal werd gesponsord door bedrijven uit de omgeving. Het dorpshuis werd feestelijk geopend, in de loop van de maand maart. Tegelijkertijd werd bekend dat de school na het volgend schooljaar wordt gesloten.

Zoals het in Weebosch gaat, is de situatie op veel plaatsen in het land. Het bestuur van de school is in handen van een schoolkoepel die op afstand van de overheid en van de dorpen is geplaatst. Uitzonderingen daar gelaten, is de afstand van het bestuur in het onderwijs tot de gemeenschap vaak pregnant; niet zelden leidt die afstand tot vervreemding, zowel binnen de schoolbesturen als binnen de dorpen.

Het college van bestuur van een schoolkoepel functioneert als een bedrijf; scholen zijn onderdeel van een verlies- en winstrekening. Hoe groter de omzet, hoe veiliger de marges. Bovendien wijzen bestuurders steevast naar Zeeuwse rapporten die zouden uitwijzen dat een school niet van belang is voor een dorp. Die telkens weer gekopieerde rapporten blijken echter gebaseerd op een heel bescheiden literatuuronderzoek uit een provincie in Italië en een povere enquête onder een beperkt, ouder en hoogopgeleid deel van Zeeuwen, veelal woonachtig in een stedelijke omgeving.

De kwaliteit van het onderwijs in zulke schoolkoepels wordt gegarandeerd door een kwaliteitsmanager. Die bepaalt dat onderwijzers formulieren moeten invullen en bijhouden; voldoende vinkjes garanderen voldoende kwalitatief onderwijs. Wanneer de onderwijzers denken de juiste formulieren goed te kunnen invullen, ziet de kwaliteitsmanager nieuwe ontwikkelingen en dus nieuwe formulieren.

De specifieke kwaliteiten van het onderwijs in kleine scholen in dorpen worden daarentegen te gemakkelijk uit het oog verloren. Vaak bestaat in een kleine school een uitgebalanceerd pedagogisch-didactisch klimaat waarbij ieder kind onderwijs op maat krijgt en zich ervan bewust wordt dat hij of zij altijd de ander nodig heeft. Dit gedifferentieerde onderwijsmodel is de basis voor het ‘passend onderwijs’ waaraan de overheid nu zoveel waarde hecht. Met het sluiten van kleine scholen worden deze specifieke kwaliteiten om zeep geholpen.

Op een heel andere plek spelen heel andere problemen: er zijn voldoende leerlingen maar het lukt onvoldoende om mannen op te leiden tot onderwijzer in het basisonderwijs. En de ontwikkeling naar passend onderwijs vraagt om specifieke kwaliteiten: docenten moeten het gedifferentieerd lesgeven onder de knie krijgen. Dat is in grote scholen met traditioneel klassikaal onderwijs niet vanzelfsprekend; in de kleine scholen is het juist een basisvoorwaarde en een specifieke kwaliteit die alle docenten moeten hebben.

Een ander probleem is dat in de grote steden moeders met kinderen in de knel komen, zoals een mevrouw van het Afrikaanse platteland met twee kinderen die in Amsterdam, die grote stad, haar draai niet kon vinden. Andere moeders moeten vluchten voor geweld of andere narigheid. Een aantal van deze gezinnen zou voor kortere of langere tijd gebaat zijn bij een veilige, rustige en overzichtelijke leef- en schoolsituatie.

Het is gemakkelijk om te roepen dat managers te veel verdienen, dat de afstand tussen bestuur en samenleving onoverbrugbaar groot is geworden, en dat dit ook geldt voor de verhouding van stad tot platteland. Je kunt ook proberen om voor die kwesties een oplossing te zoeken.

In ons plan, Onderwijsvernieuwing vanuit Kats, kiezen ouders, docenten en dorpsbestuurders, gesteund door partners in de vier grote steden en dorpen overal in het land, nadrukkelijk voor onderwijs op maat in groepen van gemiddeld zestien leerlingen, bieden we PABO studenten uit de grote steden langdurige, intensieve stageplaatsen aan (leerwerkplekken) en bieden we in alle participerende dorpen ruimte en opvang aan voor die gezinnen uit de grote steden die baat hebben bij een veilige en rustige schoolomgeving in een dorpsgemeenschap, en we zorgen ervoor dat de school het kloppend hart wordt en blijft van de dorpgemeenschap.

We — een groep van wethouders, bestuurders van kleine scholen door het land, PvdA politici als Loes Ypma, Hans Spekman en Lodewijk Asscher — richten een schoolkoepel op met zeven kleine scholen, verspreid over het land en geven het bestuur en de verantwoordelijkheid voor elk van de locaties terug aan de onderwijzers, de ouders en de dorpsgemeenschap.

Die verantwoordelijkheid vertaalt zich ook in financiële zin: zelfwerkzaamheid van dorpsgenoten, zoals het voorbeeld van Weebosch laat zien, betekent niet alleen een antwoord op de vervreemding maar scheptook financiële ruimte. Onderwijs in kleine scholen met minder bureaucratie en een grote betrokkenheid van de gemeenschap is niet duurder dan grote koepels met een overvloed aan ‘overhead’.

De vraag is nu of de overheden perspectief zien in nieuwe verhoudingen met samenleving en of zij waarachtig vertrouwen durven schenken aan burgers, in plaats van aan consultants, adviseurs en duur betaalde managers. Tegen die laatsten roepen wij vanuit alle hoeken van het land: geef onze (kleine) scholen terug.