Groene banen

Het verleden heeft geleerd dat het kan: grote economische veranderingen, met ingrijpende gevolgen voor werkgelegenheid tot een goed einde brengen. Als overheid en bedrijfsleven het proces zorgvuldig organiseren en constructief samenwerken, kunnen groene banen onderdeel zijn van een lonkend sociaal-democratisch perspectief. Dankzij scherpe overheidssturing ging het bijvoorbeeld relatief goed met de sluiting van de kolenmijnen en de vorming van dsm in Limburg.

Het is op het eerste gezicht niet duidelijk of een groene economie tot meer werkgelegenheid leidt dan het alternatief - een economie die niet duurzaam omspringt met natuur, milieu en grondstoffen. Als je het Greenpeace vraagt, is het antwoord duidelijk. Een door deze milieuorganisatie betaalde studie van Ecofys1 concludeert dat windenergie in Noord-Nederland tot wel vier keer meer directe banen leidt dan een kolencentrale. Volgens klimaatscepticus Hans Labohm, echter, zijn groene banen grote onzin, en ‘sceptical environmentalist’ Björn Lomborg zegt ook dat een groene economie werkgelegenheid kost. Wie heeft er gelijk? Zijn er misschien ook neutrale bronnen?

Het VN-milieuprogramma (UNEP) komt misschien dichter in de buurt. Gesteund door de International Labour Organisation (zeg maar de internationale brancheorganisatie van de vakbonden), concludeert UNEP in een mondiale modelstudie naar werkgelegenheid in een ‘groen’ scenario en een ‘grijs’ scenario, dat het eerste scenario ‘ten minste zo veel’ werkgelegenheid oplevert als het tweede, maar waarschijnlijk meer.2 Hierbij wordt ook bijvoorbeeld de afname van werkgelegenheid in de mijnbouw van fossiele brandstoffen meegerekend. En niet onbelangrijk voor sociaal-democraten: het concludeert ook dat de sociale cohesie onder een groen scenario beter is. De kwaliteit van arbeid bij groene banen is vaak hoger. Denk hierbij aan de slechte omstandigheden voor mijnbouwwerkers in veel ontwikkelingslanden en de vele duizenden doden die dat jaarlijks veroorzaakt, maar ook aan arbeidstrots.

Waar het rapport van het VN-milieuprogramma verfrissend eerlijk over is, alhoewel het niet sterk is uitgewerkt, zijn de sociale kosten van verandering. Een overgang naar een groene economie leidt tot een verschuiving van werkgelegenheid. Er zullen winnaars en verliezers zijn. Neem de energiesector. Een kompel in een kolenmijn in de Verenigde Staten, Indonesie of Zuid-Afrika, hoe miserabel en gevaarlijk zijn baan ook is, zal werkloos worden en zal waarschijnlijk in diepe armoede worden gestort. Hij is immers niet zomaar inzetbaar als windturbinebouwer, een sector die misschien in een heel ander gebied opbloeit en een andere scholing vereist. De benadeelden wereldwijd zullen degenen zijn die toch al kwetsbaar waren. Sociaal-democraten moeten zich daar rekenschap van geven.

Ook voor Nederland is het de vraag of bij een omschakeling naar ‘groen’ de kosten op de korte termijn opwegen tegen de voordelen op de langere termijn, inclusief meer macro-economische overwegingen van vergrijzing, mogelijke tekorten op de arbeidsmarkt en gevolgen voor arbeidsproductiviteit. In de afvalsector werkten vroeger veel mensen in de vuilstort; nu is er meer en hoogwaardigere werkgelegen-heid in de afvalverbranding. In plaats van op een vuilnisbelt werken deze mensen nu ‘in de milieu’ - daar kun je wel mee thuiskomen. Ook de werkgelegenheid die het bodemsaneringsbeleid heeft opgeleverd, is substantieel en volledig additioneel. Benadeelden waren er niet.

Nu is dat misschien anders. De werkgelegenheid in de duurzame energiesector lag volgens het cbs in 2008 op iets meer dan zeventienduizend voltijdbanen3. Dat is een fractie van de werkgelegenheid in de fossiele sector, inclusief de forse gassector in Nederland en de enorme olieraffinage. Maar hier ligt ook een kans. Met de sterke afname van de gasproductie de komende decennia neemt de werkgelegenheid in het noorden van Nederland af. Dit probeert de overheid, uiteraard enthousiast aangemoedigd door onze gasbedrijven, op te vangen door in te zetten op de gasrotonde: import en handel van gas, en het gebruik van de uitgeputte gasvelden voor tijdelijke opslag. Dan houd je namelijk hetzelfde soort banen en worden ongewenste verandereffecten vermeden.

Het is echter onzeker of deze gasrotonde de economische belofte voor de toekomst is. Landen die geen gaslanden zijn, zetten in op energiebesparing en hernieuwbare energie. Mogelijk is daarom de vraag naar gas rondom 2050 in Europa helemaal niet meer zo groot, wat de gaslobby ons ook voorspiegelt. Groene banen zijn voor Nederland geen panacee, maar er zijn redenen te over om heel goed naar groene werkgelegenheid te kijken.

PreviewBijlageGrootte
de_coninck_-_groene_banen.pdf65.73 KB