Linkse samenwerking: de noodzaak groeit

Erik Meijer - In de jaren zeventig wist links steeds bij rechts in te breken, maar nu gaat het telkens andersom. Ook de start van de gemeentelijke bestuursperiode 2014–2018 belooft weer weinig goeds: de SP werkt vaker samen met de VVD dan met de PvdA. Erik Meijer van de SP pleit voor hernieuwde samenwerking tussen linkse partijen.

Wie de maatschappij wil beïnvloeden moet een meerderheid verzamelen, of die zo dicht mogelijk benaderen. In het Nederlandse bestel staat die partij het sterkst die in een onbreekbaar blok gebundeld is met de partijen die het meest aan haar verwant zijn. Na verkiezingen kunnen anderen dat blok moeilijk passeren bij de vorming van bestuurlijke coalities.

Zo werkten de drie voorlopers van het CDA al driekwart eeuw nauw samen voordat ze tot een fusie kwamen. Mede om hun overmacht te doorbreken probeerde rond 1970 de PvdA zich te laten omringen door een aantal kleinere vaste bondgenoten. In die samenwerking had zij drie uiteen-lopende partners, twee van buitenaf en één van binnenuit. Dat waren: de linksliberalen van D66 die waren afgeknapt op de VVD, de linkse katholieken en gereformeerden van de PPR die vers waren afgescheurd uit KVP en ARP en de linkssocialisten van de PSP die ruim tien jaar eerder na een langslepende vechtscheiding waren losgekomen van de PvdA zelf.

Aan dit project deed de PPR het meest volledig mee; D66 en PSP hadden elk hun eigensoortige
voorbehouden. Bovendien gaf de ruim zestig jaar eerder afgescheurde CPN er blijk van dat ook zij graag voor een dergelijk bondgenootschap zou worden uitgenodigd.

Al die partijen handelden niet uit eenzijdige liefde voor grote broer PvdA, maar zagen samen optrekken als instrument voor het bereiken van een politieke tweedeling en een nieuwe meerder-heid. Hun gezamenlijke inzet was te typeren als ‘Om de kwaliteit van het bestaan’,de titel van een WBS-rapport uit 1963.

Lees de rest van het artikel in de PDF.

PreviewBijlageGrootte
linkse_samenwerking_de_noodzaak_groeit.pdf87.11 KB