Marleen Barth - 1 mei-lezing voor de PvdA-afdeling Wassenaar.

Partijgenoten,

Heel veel dank voor de uitnodiging om hier op deze bijzondere dag het woord tot jullie te mogen richten. Voor het eerst spreek ik hier in Wassenaar als vrij mens, ik hoef me geen zorgen meer te maken over de vraag of ik de onpartijdige positie van mijn man misschien compromitteer. Dat voelt goed. Ik zal dus van mijn hart geen moordkuil maken.

Er is ook alle aanleiding voor een frank en vrij gesprek. Onze PvdA heeft op 15 maart voor de vierde keer op rij een enorme electorale dreun opgelopen. Wie kijkt naar de internationale situatie van de sociaal-democratie, ziet dat we daar niet alleen in staan. In landen als Italië, Spanje, Griekenland en Frankrijk hebben we het ook heel zwaar, voor Duitsland en het Verenigd Koninkrijk moeten we afwachten wat de verkiezingen zullen brengen.

Het is dus gedeelde smart, maar toch doet het veel pijn. En het roept op tot een eerlijk zelfonderzoek: heeft de sociaal-democratie nog wel bestaansrecht? Is het, met de opbouw van gelijke rechten voor alle burgers en een goed georganiseerde verzorgingsstaat, niet gewoon 'missie volbracht, door naar de volgende fase'?

Is er überhaupt nog wel behoefte aan grote, brede volkspartijen die verschillende groepen burgers verbinden op gedeelde idealen? Immers, ook met de christendemocratie, die traditioneel een vergelijkbare functie vervult, gaat het in veel Europese landen helemaal niet goed. Het CDA vierde op 15 maart een feestje omdat men 7 zetels gegroeid was, maar dat kon niet verhullen dat men het op-een-na slechtste resultaat uit zijn geschiedenis heeft geboekt. En juist niche-partijen, die zich op een of twee specifieke thema's of groepen richten, deden het in maart heel goed.

Toch zou ik de vraag of de sociaal-democratie in het algemeen, en de PvdA in het bijzonder, nog bestaansrecht heeft, volmondig met 'ja' willen beantwoorden. Ik zet graag uiteen waarom, en hoe we onze idealen dan in een moderne, 21e eeuwse jas zouden kunnen steken - want dat is wel nodig.

Om ons bestaansrecht te vernieuwen, zouden we misschien juist even terug moeten kijken, naar het doel waartoe we ooit zijn opgericht. Ik beschouw de sociaal-democratie als een natuurlijke erfgenaam van de Franse Revolutie: vrijheid, gelijkheid en solidariteit (want broederschap, dat woord kan in 2017 echt niet meer). Maar dan wel echt voor iedereen. Ook onze liberale zusters en broeders kunnen zich beroepen op die afstamming, maar kozen uiteindelijk een andere weg. Wij leerden van Marx over de strijd tussen arbeid en kapitaal, en dat immateriële rechten pas echt inhoud krijgen als de onderbouw - eerste levensbehoeften, zouden we nu misschien zeggen - voor mensen op orde zijn.

Modern vertaald: burgerrechten, democratie en zeggenschap zijn onvoorstelbaar belangrijk, maar kunnen pas echt betekenis krijgen als mensen werk hebben, en een dak boven hun hoofd, voldoende voedsel, en middelen van bestaan. Gelijke toegang tot onderwijs hebben, en tot zorg. Pas dan ontstaat werkelijk volwaardig burgerschap voor iedereen. Dus: de enige echte democratie is een sociale democratie; mensen zijn pas echt vrij als ze gelijkwaardig aan elkaar in het leven kunnen staan, en dat lukt het beste als we er samen zijn voor elk mens. De sociaal-democratie is daarmee bij uitstek een partij van verheffing, van emancipatie.

In het realiseren van die idealen lijken we grotendeels spectaculair goed geslaagd. We hebben (dit haar 100 jaar) algemeen kiesrecht, we hebben gelijke grondrechten. We hebben een 8-urige werkdag. We hebben een verzorgingsstaat. We hebben uitstekend onderwijs en goede zorg voor iedereen. Maar zijn we ook allemaal vrij? Zijn we allemaal gelijkwaardig? En is de solidariteit wel zo degelijk geworteld dat we er geen omkijken meer naar hebben?

Ik denk dat we met zijn allen kunnen vaststellen dat het antwoord op die drie vragen 'nee' is. Zo hebben we op het gebied van gelijke rechten voor iedereen veel bereikt, en op papier staat het allemaal keurig vast. Maar miljoenen Nederlanders worden regelmatig buitengesloten of achtergesteld. Omdat ze vrouw zijn bijvoorbeeld: vrouwen verdienen minder voor hetzelfde werk, zijn in geen enkel Europees land zo weinig economisch zelfstandig als in Nederland en dringen veel te weinig door tot de top. Of omdat ze een kleurtje hebben: discriminatie tiert welig op de arbeidsmarkt, in het uitgaans- en verenigingsleven. Miljoenen mensen worden gepest op school of op het werk, bijvoorbeeld vanwege hun seksuele geaardheid, of omdat ze een ziekte of een handicap hebben. Zij zijn vaak niet vrij om hun toekomst te kiezen, of hun leven in te richten zoals ze graag zouden willen.

Ook in gelijkheid, of misschien liever, gelijkwaardigheid, hebben we nog een lange weg te gaan. Qua inkomen is Nederland een van de meest egalitaire landen ter wereld, en toch zijn de verschillen in inkomen nog aanzienlijk - al zijn ze onder het kabinet-Rutte voor het eerst in dertig jaar kleiner geworden. Thomas Piketty heeft laten zien dat de verschillen in vermogen onverminderd groot zijn - de aloude tegenstelling arbeid en kapitaal is nog springlevend.

Maar los daarvan: we zijn niet gelijk, en mensen kunnen door botte pech nog steeds een veel moeilijker of zelfs korter leven hebben dan anderen. Mensen die een chronische (psychische) ziekte hebben, komen moeilijker aan de bak op de arbeidsmarkt en leven daardoor vaker in armoede en schulden. Mensen met een IQ lager dan 85 (dat zijn zo'n 2,5 miljoen mensen in ons land) hebben veel meer moeite om zich staande te houden in onze snelle, ingewikkelde maatschappij.

En we maken het hen ook steeds moeilijker. Neem de OV-chipcard. Lijkt lekker makkelijk; een saldo, inchecken, klaar. Maar wat als je laaggeletterd bent, of geen computer hebt of snapt? Ook dat zijn 1 miljoen landgenoten! Vroeger konden zij aan het loket een kaartje kopen en informatie vragen. Nu bestaat die mogelijkheid op steeds meer stations niet meer. En zo maken we reizen veel ingewikkelder voor honderdduizenden landgenoten.

Zelfs met onze ambities in de toegankelijkheid van het onderwijs lijken we geen meter opgeschoten. Kinderen van laagopgeleide ouders met een even hoge intelligentie als kinderen met hoogopgeleide ouders hebben een drie keer zo kleine kans om op de universiteit te belanden. Dat was 40 jaar geleden zo, en dat is nog steeds zo. De enige groep die massaal geprofiteerd heeft van meer toegang tot onderwijs zijn middenklassemeisjes zoals ik; mijn moeder mocht niet doorleren, ik wel. Dat maskeert slechts de grotendeels afkomst-bepaalde werkelijkheid die daar onverminderd onder ligt. De Onderwijsinspectie meldde onlangs dat de kwaliteit van een basisschool kan bepalen of een kind naar het vmbo of het vwo gaat. Wedden dat die eerste soort scholen niet in Amsterdam Zuid, of Haarlem centrum, of Wassenaar te vinden zijn?

Dan de solidariteit. Die staat onder druk. Onze verzorgingsstaat is enorm duur geworden, en dreigde te bezwijken onder ontwikkelingen als vergrijzing, innovatie en betere behandelmethoden in de zorg, en een ruim pakket. Het kabinet-Rutte II heeft met een reeks van maatregelen de razendsnelle groei van zorg en sociale zekerheid onder controle gekregen. Maar nog steeds zijn de uitgaven daaraan gestegen van 53% van de Rijksuitgaven in 2012 naar 59% in 2017. Dat drukt andere collectieve uitgaven er langzaam uit, of leidt uiteindelijk tot zulke belasting- en premieverhogingen dat arbeid veel te duur wordt. En drie keer raden welke banen dan het eerst verdwijnen...

En dan heb ik het nog niet over de druk op de verzorgingsstaat door informatisering, robotisering en immigratie. Kortom: werk aan de winkel! Veel gedaan, nog veel te doen, dat was ooit een campagneleus van de PvdA. Het is nog onverminderd waar.

Als we nog zo relevant zijn, zult u zich afvragen, waarom hebben er dan zo weinig mensen op ons gestemd? Lag dat nou echt alleen aan een matige, niet bijster goed georganiseerde en weinig inspirerende campagne? En aan een ongelukkige, in elk geval ongelukkig getimede, leiderschapsstrijd?

Deels, zonder meer. Kijken we puur politicologisch, dan is het electoraat in Nederland al sinds 1994 - toen het CDA in een klap 20 zetels verloor - zeer beweeglijk. Dat is nog een stuk erger geworden sinds 2002. Eigenlijk is geen politieke partij sindsdien zijn politieke leven nog zeker. De PvdA is die dans sinds 2003 steeds ontsprongen, door op het goede moment met een goede of nieuwe lijsttrekker te komen, of door een strategische strijd met rechts, of een combinatie daarvan. Nu die omstandigheden verre van ideaal waren, kregen we op ons boterham wat CDA, VVD en D66 allemaal de afgelopen jaren eerder overkwam. Eigenlijk is het bijzonderder dat we er 15 jaar hoegenaamd geen last van gehad hebben, dan dat het ons nu overkomen is.

Maar daar ligt het niet alleen aan. Daar is de trend ook internationaal te zichtbaar voor. De kwesties die ik zojuist heb opgesomd, vragen om een helder, toekomstgericht antwoord en een gedegen politieke agenda. Die hebben we niet altijd. Wat mij betreft moeten we harde keuzes durven maken, die misschien een deel van de kiezers al dan niet blijvend van ons vervreemden. Het zij zo, als voor anderen daarmee maar duidelijker wordt waar we voor staan.

In het project Van Waarde hebben we voor de sociaal-democratie van de 21e eeuw gekozen voor de kernwaarden goed werk, bestaanszekerheid, verheffing en binding.

Met name aan de eerste twee hebben we de afgelopen jaren in het kabinet best veel gedaan en op bereikt. Een halt toeroepen aan de alsmaar doorgaande flexibilisering van arbeid, waardoor met name jongeren geen fatsoenlijk vast contract meer krijgen kunnen. Ons inspannen voor gelijk loon voor gelijk werk in de hele EU, zodat goedkope Oost-Europese collega's Nederlandse vaklui niet meer van de markt drukken. Een gelijker behandeling van zzp'ers, zodat zij collega's met een vast contract niet meer wegconcurreren. Verplichte pensioendeelname en verzekering tegen arbeidsongeschiktheid voor zzp'ers is daarbij een onmisbare randvoorwaarde, die ook van niet te onderschatten belang is om de basis van de verzorgingsstaat solide te houden. Dit vraagt vooral om stug doorzetten en volhouden.

De maatregelen die we in het kabinet hebben moeten nemen om de verzorgingsstaat betaalbaar te houden, zijn ons vaak verweten de afgelopen jaren. Maar ze waren wel belangrijk om te nemen. Immers: de verzorgingsstaat gaat per definitie over de lange termijn. Jonge mensen van 25 jaar die nu premie betalen voor langdurige zorg, AOW of pensioen, zullen zelf pas over 45 tot 60 jaar een beroep op dat soort voorzieningen doen. Voor hen mag de verzorgingsstaat geen piramidespel worden, waarin zij wel moeten inleggen maar geen idee hebben of er voor hen ooit nog wel een opbrengst zal zijn.

De basis van onze verzorgingsstaat is dat we nu zorgen voor mensen die dat nodig hebben, in het vertrouwen dat er voor ons gezorgd wordt als wij aan de beurt zijn. Als dat brede onderlinge vertrouwen verslijt, verkruimelt ook de solidariteit onder de verzorgingsstaat. Dat we als PvdA daar zuinig op zijn, is dus volkomen logisch en terecht. Maar we hadden dat wel met veel meer inzet en overtuiging moeten vertellen. Er voor moeten gaan staan, in plaats van er een beetje besmuikt van wegduiken.

Naar mijn gevoel zijn we nog wat ambivalenter over waarden als verheffing en binding. We zijn voor emancipatie, natuurlijk, net als we voor individualisering zijn. Die ontwikkelingen hebben onze samenleving onvoorstelbaar veel gebracht! Ik heb geen heimwee naar vroeger, toen homo's gedwongen in de kast zaten en vrouwen achter het aanrecht.

Maar als we een partij van binding en verheffing zijn, moeten we ook oog willen hebben voor de keerzijden van individualisering en emancipatie. Dat bijvoorbeeld, zolang er nog een maatschappelijke ladder bestaat - en die is er, dat kunnen we niet ontkennen - de emancipatie van de één een relatieve daling kan betekenen voor de ander, zonder dat die daar iets aan of tegen kon doen. Je zult maar een laagopgeleide, witte man zijn, en links en rechts worden ingehaald door succesvolle vrouwen en nieuwe Nederlanders. Er wordt vaak gezegd dat laagopgeleide, witte mannen boos en onzeker zijn door immigratie en globalisering. Maar ik denk dat dat net zo hard komt door emancipatie en individualisering.

Pleit ik er dan voor om daar maar afstand van te nemen? Integendeel! Maar ik pleit wel voor inlevingsvermogen, voor erkenning dat een sociaal mobielere samenleving niet voor iedereen een feestje is. En ik pleit voor een stevige agenda voor het versterken van de positie van mensen met een lagere opleiding en/of een lager IQ. Voor het beschermen van hun werk, en alert zijn op het inrichten van een samenleving waarin zij gewoon mee kunnen blijven doen.

Dat betekent bij maatregelen eerst goed doordenken wat dit betekent, bijvoorbeeld voor iemand die niet lezen en schrijven kan. Zie de OV-chipcard. Of de nieuwe huwelijkswetgeving, waar wij als Eerste Kamerfractie tegen een initiatiefwet van onze eigen partij hebben gestemd omdat die wel goed was voor hoogopgeleide vrouwen met een goed inkomen, maar niet goed voor laagopgeleiden met een lager inkomen. Maar ook bij het aanpakken van bedrijven als Uber, die hun naam eer aan doen in pogingen om laagopgeleid werk te verdrijven. Of met een ambitieuze agenda om laaggeletterdheid te bestrijden, door te investeren in taalles, ontwikkeling van mensen en computervaardigheid. Of preventie van ongezond gedrag; hét verschil in IQ zit hem nou in het vermogen om abstract en op lange termijn te kunnen denken. Daardoor leven laagopgeleide mensen 7 jaar korter dan hoogopgeleiden, en gemiddeld 20 jaar langer in slechte gezondheid.

Er hoort ook bij dat we de idee van een meritocratie eens wat dieper doordenken: een samenleving waarin je positie wordt bepaald door je verdiensten in plaats van je afkomst. Op zichzelf is ook dat heel mooi: dat een dubbeltje een kwartje moet kunnen worden, dat zit in het hart van de sociaal-democratie. Maar zijn het wel werkelijk vooral de eigen verdiensten die mensen vooruit helpen?

Hard willen werken, dat helpt, onmiskenbaar. Maar krijg je het slimme verstand, de goede gezondheid en de lieve ouders die daarbij zo enorm kunnen helpen niet allemaal cadeau in het leven? Zorgt dat denken in 'eigen verdiensten' er juist niet voor dat sociale en economische verschillen gelegitimeerd raken? 'Ik verdien veel geld, maar daar werk ik ook hard voor'; 'geluk is een keuze'; 'iedereen heeft gelijke kansen en ik heb de mijne gepakt', het ligt menigeen in de mond bestorven. Het maakt onze samenleving niet gelijker, maar harder.

Als PvdA zouden we daarom volgens mij niet moeten streven naar gelijke kansen voor iedereen; die bestaan simpelweg niet. We zouden moeten streven naar eerlijke kansen voor iedereen. Een extra steuntje in de rug voor alle mensen die dat nodig hebben.

Willen wij als PvdA een brede volkspartij zijn en blijven die mensen van verschillende achtergrond en herkomst bij elkaar brengt op onze idealen, dan is binding uiteraard onmisbaar. Maar eerst moeten we die vraag beantwoorden: willen we een brede volkspartij zijn en blijven? Ik hoor veel mensen nu zeggen dat de PvdA het contact met de traditionele achterban verloren zou hebben. Arbeiders stemmen nu op PVV of SP, want die staan tenminste voor de belangen van die groep.
Volgens mij is die bewering historisch en hedendaags onjuist. De SDAP en de PvdA zijn altijd partijen geweest van arbeiders én onderwijzers, van vrachtwagenchauffeurs én dominees, van schoonmakers en verpleegkundigen en hoogleraren. En het is helemaal niet waar dat alle arbeiders vroeger PvdA stemden; de katholieke arbeiders stemden KVP. En het zijn vooral hun kinderen en kleinkinderen die nu vaak PVV en SP stemmen. 'Onze mensen', 'onze achterban', wat dat is en wie dat zijn, wordt niet bepaald door de afkomst die mensen hebben, maar door de toekomst die zij samen nastreven.

Bij alle belang van binding en alle begrip dat ik graag zou willen tonen voor mensen die geen natuurlijke winnaars zijn in een samenleving waarin emancipatie, individualisering en meritocratisering worden nagestreefd, is daarbij voor mij één punt glashelder. Andere mensen naar beneden halen om jezelf een beter gevoel te bezorgen, dat deugt niet. Jezelf verheffen doe je niet ten koste van anderen. Jezelf verheffen betekent vooral proberen om het beste uit jezelf te halen, ook in je gedrag naar anderen. Mensen als Wilders, Trump en Le Pen zeggen op de keper beschouwd niets anders dan dat racisme, seksisme, anti-semitisme en homohaat oké zijn. Daar mogen ze nu misschien succesvol in zijn; een reden om ons hemd met die wind te laten meewaaien is dat niet.

Sterker nog, zij maken in de 21e eeuw de idealen van de sociaal-democratie misschien wel juist actueler dan ooit. In de tijd van onze oprichting definieerden we de structurele ongelijkheid in de samenleving in termen van arbeid en kapitaal. Tegenwoordig weten we dat ongelijkheid veel diepere wortels heeft dan alleen dat. Maar nog steeds zijn naar mijn overtuiging alle politieke discussies uiteindelijk terug te voeren op die simpele tegenstelling: vind je dat verschillen in kennis, macht en inkomen, in gezondheid, ontwikkeling en rechten, tussen mensen gerechtvaardigd zijn, of vind je van niet.

Ik zou zeggen: laten wij er voor gaan staan dat er geen enkele rechtvaardiging is te bedenken voor de misvatting dat het ene mensenleven meer waard zou kunnen zijn dan het andere. Niet in de 19e eeuw, niet in de 20e, en ook niet in de 21e. Laten we onze actuele agenda bouwen op het politiek bestrijden van iedereen -ze zijn met velen, vandaag de dag- die deze verschillen wel prima vinden, ja zelfs nastreven of uitvergroten.

Alle mensen zijn gelijkwaardig. Als je dat echt op je laat inwerken, krijg je pas door wat een radicale boodschap dat is. En hoe veel er nog bevochten moet worden voor we dat ideaal ooit bereikt hebben.

Partijgenoten, ik rond af. Onze opdracht is geen gemakkelijke: mensen van verschillende achtergronden en drijfveren verenigen op idealen van vrijheid, gelijkheid, solidariteit; van goed werk, bestaanszekerheid, verheffing en binding. Maar in een samenleving waarin iedereen zich weer lijkt terug te trekken in zijn eigen Facebookzuiltje of deelbelang, is het juist zo ontzettend belangrijk dat er een partij is die mensen probeert te verbinden en kloven te overbruggen. Omdat iedereen een beter leven heeft in een samenleving waarin alle mensen vrij zijn, waarin we allemaal gelijkwaardig zijn, en solidariteit vanzelfsprekend is.

Het uitdragen van die boodschap gaat vandaag de dag niet vanzelf. Maar dat is geen reden om de moed op te geven. Ik kom uit Den Helder, net als hier een plaats aan de kust waar het altijd waait. Daar heb ik geleerd dat tegenwind geen reden is om langzamer te fietsen, maar om harder te trappen. Tegenslag mag ons niet afhouden van idealen die veel te belangrijk en te kostbaar en te broodnodig zijn om los te laten. En als het makkelijk was, kon iedereen het. Strijdbaar voorwaarts!

Foto: Omroep Zeeland Flickr via Compfight cc