Binding vergt infrastructuur en die wordt gesloopt

Bert Ummelen - Nare krantenkoppen van twee opeenvolgende dagen. ‘Help, de bibliotheek verdwijnt’ (NRC Handelsblad, 20/2) en ‘Buurthuizen bezwijken onder crisis’ (Volkskrant, 21/2). Twee verhalen, één thema: gemeenten moeten zwaar bezuinigen en zijn alles behalve geneigd de sociaal-culturele sector te ontzien.

Bibliotheken vangen de korting op hun budget veelal op door sluiting van vestigingen. Geen nood, vertellen lokale bestuurders blijmoedig. Er verdwijnen ‘bricks’ en het gaat om ‘clicks’. Het is onzin, zoals de ervaring nu al leert. Vervanging van bibliotheekvestigingen door ‘steunpunten’ (in scholen, wijkcentra, zorginstellingen) leidt tot verminderd gebruik. En van de bibliotheek als plek van ‘ontmoeting en debat’, één van de vijf kernfuncties die de openbare bibliotheek ‘nieuwe stijl’ zichzelf toekent, blijft al helemaal niets over.

Buurthuizen, een andere laagdrempelige gemeenschapsvoorziening, vergaat het niet beter. Hun aantal blijkt in rap tempo af te nemen. Zo’n honderd hebben de deuren al gesloten. In gemeentehuizen klinkt opnieuw: ‘We gaan voor de activiteiten, niet voor de stenen.’ De klaverjasclub kan wel in de sportkantine of in een buurthuis verderop terecht. Soms kan dat, soms ook niet. Mensen op leeftijd zijn niet zo mobiel. Trouwens, een buurthuis buiten de buurt is geen buurthuis meer.

De kaalslag is enorm en het gaat hard. Zoals in een stad als Eindhoven alle bibliotheekvestigingen buiten de centrale vestiging sluiten, zo stoot Amersfoort al zijn elf wijkcentra af. Wat voor het openbaar bibliotheekwerk geldt, geldt nog sterker voor het club- en buurthuiswerk: het weet naar zijn aard prestaties moeilijk te passen in de heersende politiek-bestuurlijke ratio. Steun in de publieke opinie, zoals die onder meer uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt, helpt nauwelijks.

Onderhoud aan wegen heeft een zichtbaar nut, als je ermee ophoudt vallen er gaten in het wegdek. Maar hoe toets je een investering in een ontmoetingsplek? Hoe meet je sociale inclusie? Het maakt kwetsbaar in tijden van crisis.

Er bestaat wat dat betreft een kwalijke paradox: vlot worden dingen die fout gaan in de samenleving op het bordje van het welzijnswerk gelegd: van vereenzaming onder ouderen die steeds langer op een plek in een verzorgingshuis moeten wachten, tot overlast veroorzakende jongeren en de hortende integratie van allochtonen. De zelfde sector kan in de dagelijkse bestuurspraktijk op grote scepsis rekenen. Nauwelijks verholen in de argumentaties van bezuinigende gemeentebesturen is een dedain tegenover de werksoort, of het nu om het bibliotheekwerk gaat of om het club- en buurthuiswerk. Het kan niet alleen zonder ‘stenen’, het kan vooral ook zonder beroepskrachten.

Een bibliothecaris is als informatiemakelaar een professional. De vrijwilligster op de brede school is dat niet. Sociaal-cultureel werk draait van oudsher op vrijwilligers, maar – zoals onder andere het Verwey-Jonker Instituut heeft vastgesteld – daarbij kunnen begeleiding en aansturing door mensen met een beroepsopleiding slecht worden gemist. Alleen al de afgelopen twee jaar zijn volgens de brancheorganisatie MOgroep zesduizend van deze professionals wegbezuinigd. De nieuwe bibliotheekformule van Eindhoven kost 20 van de 89 medewerkers hun baan.

Sociaal-democraten maken een punt van de kwaliteit van de samenleving. Ze verzetten zich tegen een denken, waarin economisch succes doel in zichzelf is geworden in plaats van voorwaarde voor het opbouwen van een goede samenleving. Ze stellen zichzelf een bindingsopgave. Maatschappelijke binding vergt een infrastructuur, te beginnen op de schaal van stadswijk of dorp. En die infrastructuur wordt gesloopt.

In een tijd waarin de publieke ruimte wordt gedomineerd door consumptie zijn openbare bibliotheken en buurthuizen zeldzame plekken. Je kunt er zijn zonder de verwachtingen en verplichtingen van de economische sfeer. En ze bieden mogelijkheden voor‘vanzelfsprekend verbinden’, zoals ud-minister Van Ardennen het mooi zei. Zulke plekken zouden niet moeten worden gezien als kostenpost; ze zouden moeten worden gekoesterd.