Om jihadisme te bestrijden is een tegenverhaal nodig

Bert Ummelen - Had het aan CDA-leider Buma gelegen dan was het verheerlijken van moslimterrorisme strafbaar geworden.

Hij heeft er de handen niet voor op elkaar gekregen. Hoe navoelbaar verbijstering over de bijval die de IS-barbarij hier onder sommige moslimjongeren krijgt ook is, en hoe terecht de bezorgdheid daarover: dat is verstandig. ‘Verheerlijken’ is nauwelijks een eenduidig begrip. De vrijheid van meningsuiting heeft haar grenzen maar die moeten niet enger worden gemaakt dan nodig is. Met de bestaande wetgeving kunnen oproepen tot geweld, het bedreigen van mensen en het rekruteren voor gewapende strijd – zaken die direct botsen met onze rechtsorde – al worden aangepakt.

Buma’s voorstel paste intussen in een trend om vooral in bestuurs- en strafrechtelijke repressie het antwoord te zien op de nieuwe bloei van het jihadisme. Zie het ‘actieprogramma’ waar het kabinet mee is gekomen. Dat de plannen voorzagen in de mogelijkheid om zonder rechterlijke tussenkomst mensen het Nederlanderschap te ontnemen en in ongeclausuleerde vergaring van reisgegevens wijst niet alleen op paniek, maar óók op een lichtzinnige weging van burgerlijke rechten en vrijheden. Buma heeft daar het patent niet op.

De Kamer heeft er hard over geoordeeld. In zijn H.J. Schoo-lezing wijdde Frans Timmermans pas nog mooie woorden aan de ‘Europese waardengemeenschap’ en de noodzaak die te verdedigen. Maar dat gaat slecht door op de waarden in kwestie te korten.

Vanuit de advocatuur is, nogal voorspelbaar, aangevoerd dat de aanpak van het kabinet contraproductief is, want radicale moslimjongeren zal isoleren en hun omgeving met hen zal solidariseren. Interessanter is het nog eens om te zien naar het succes dat Nederland in de jaren na 9/11 (2001), ’Madrid’ en de moord op Theo van Gogh (2004) had met de zogenoemde ‘brede benadering’, waarin de focus lag op preventie. Dat succes was zelfs zo groot dat fondsen voor het trainen van wijkagenten, jongerenwerkers, medewerkers van sociale diensten enzovoorts om signalen van radicalisering op te vangen werden afgebouwd. Na het oprollen van de Hofstadgroep verdween de kwestie van de politieke en maatschappelijke radar. Volgens de AIVD een van de redenen van ‘verminderd weerstandstandvermogen’ nu dat hard nodig is.

Die preventieprogramma’s snel weer optuigen zou eerste prioriteit moeten zijn. Maar dan nog. Radicaliseren gaat niet volgens een stappenplan, net zo min als er een jihadi-typologie bestaat. Het gangbare beeld van gedepriveerde jongens die hun draai in onze samenleving niet kunnen vinden klopt maar ten dele. De vermoedelijke beul van de Amerikaanse journalisten Foley en Sotloff is een ex-rapper die zijn huis van 1,2 miljoen in Engeland verkocht om naar het Syrische strijdtoneel af te reizen.

Bij alles wat wordt bedacht – van ‘vroegsignalering’ van radicalisering, monitoring van extremisten, het inzetten van de dwangmiddelen van de rechtsstaat tot nieuwe aandacht voor de pijnpunten van de integratie – ontbreekt iets. Peter Knoope wees daarop in een interview bij gelegenheid van zijn vertrek als directeur van het International Centre for Counter-Terrorism in Den Haag. ‘Onrecht is een belangrijke component in het jihadistische verhaal,’ zei hij. ‘Niemand doet daar wat aan, alleen de terreurgroepen.’

Het is niet alleen ontworteling, maatschappelijk wansucces, zucht naar avontuur en romantische dweperij die jongeren naar de slagvelden van Syrië en Irak drijft, het is ook oprecht engagement. Begin ermee de motieven van die jongens serieus te nemen, raadt Knoope aan. Wat maakt hen ontvankelijk voor de ‘radicale verleiding’? Femke Halsema drukte zich in een bijdrage aan de Correspondent pregnanter uit: ‘We zijn totaal niet geïnteresseerd in de belangrijkste vraag die we kunnen stellen: waarom haten ze ons eigenlijk?’

Sommigen, zoals Thomas von der Dunk in de Volkskrant , benadrukken de rol die het Westen in het Midden-Oosten speelt. Of juist niet speelt. Afzijdigheid (of erger) bij drama’s als in Gaza, de militaire coup in Egypte en het brute geweld van het Assad-regime in Syrië zouden ervaringen van onverschilligheid en achterstelling in het ‘land van aankomst’ als het ware in het groot weerspiegelen. Bij de als rituelen geënsceneerde onthoofdingen zit het Westen op de knieën – dat wordt feilloos aangevoeld.

Dit vertoog lijkt tekort te doen aan de betekenis die het Westen, of ‘de moderniteit’, in fundamentalistische stromingen binnen de soennitische islam heeft. In het manicheïstische wereldbeeld van salafisten en wahabisten is onze wereld de habitat van het Kwaad. In alles het tegendeel van het gedroomde kalifaat waarin de ‘zuivere islam’ heerst. Een giftige materialistische beschaving die de eigen cultuur, spiritueel en diepzinnig, met haar oppervlakkige rationalisme infecteert, zoals Ian Buruma en Avishai Margalit in hun scherpzinnige boek ‘Occidentalisme’ schrijven. Het is een tegenstelling die in allerlei gedaanten terugkeert: de goddeloze, decadente stad tegenover het zuivere, rechtschapen platteland,  materie tegenover geest, handel tegenover heroïek, de geïndustrialiseerde maatschappij tegenover de organische völkische samenleving. Intussen is het confronterende van het boek dat al die motieven herleid blijken te kunnen worden tot westerse schrijftafels. Het is even slikken, maar we oogsten met het jihadisme de zaden die westers intellect heeft geplant.

Zo biedt ideeëngeschiedenis wellicht meer grond voor westerse schuldbelijdenissen dan politiek, die per slot van rekening of ze nu interventionistisch is (Afghanistan, Irak) of passief (de onderdrukking van het Palestijnse nationalisme door Israël, de coup in Egypte en Assads barbarij), even hard wordt veroordeeld. Een bezwaar tegen analyses van het eigen schuld dikke bult type à la Von der Dunk is bovendien de impliciete hovaardigheid ervan: het jihadisme moet vooral gezien worden als reactie op westers politiek (wan)gedrag en niet als product van een ontwikkeling in de islamitische wereld zelf. Zo wordt het losgemaakt van de religieuze wortels die het voeden, terwijl nota bene tegelijkertijd imams en andere leiders van de moslimgemeenschap wordt ingepeperd dat ‘met de rituele verzekering dat moslimterrorisme niets met de islam te maken heeft niet meer kan worden volstaan’ (aldus de commentator van de Volkskrant).

Interessant in dit verband is wat islamkenners vertellen. Zij wijzen erop dat zich binnen de islam een soort Reformatie heeft voltrokken, die net als de christelijke Gods woord aan de professionals heeft ontfutseld. Koranexegese is vooral als gevolg van alfabetisering particulier initiatief geworden en, zoals bekend, het heilige boek leent zich goed voor minder plezierige interpretaties. Dat maakt een beroep op de clerus nogal vruchteloos. Wat niet wegneemt dat je je erover kunt verbazen hoe zwak hun protest tot dusver heeft geklonken. Wat je van imams en andere moslimleiders zou verwachten is een breed offensief tegen claims die het eigen geloofsgoed zo diskwalificeren. Een verkondiging die de ‘onwetendheid’ (zoals de imam dat zegt) van de terroristen ferm bestrijdt.

Wat het hardst nodig is om het jihadistische verhaal te bestrijden is het moeilijkst leverbaar: een tegenverhaal waarin moslimjongeren kunnen geloven. Er moet een ander perspectief zijn voor hun woede en bekommernis, ja, ook voor hun religieuze inspiratie. De weg naar recht en vrijheid in de islamitische wereld hoeft niet om de moskee heen te lopen, schreven Buruma en Margalit, verwijzend naar Turkije en Indonesië. Je zou zeggen: erg waarschijnlijk is het niet dat die om de moskee heen kán lopen. Door bommen wordt ze in elk geval niet geplaveid.