Honderd jaar rode wethouders

Bas van der Hoff - Op zaterdag 24 mei vond in de Openbare Bibliotheek Amsterdam de bijeenkomst ‘Honderd jaar rode wethouders’ plaats, georganiseerd door de Universiteit van Amsterdam in samenwerking met de WBS-geschiedeniswerkgroep.

Ongeveer honderd jaar geleden, in maart 1914, betrad Floor Wibaut het ambt als wethouder van Amsterdam. Hiermee begon een eeuw van wethouders van SDAP- en Pvda-huize in de hoofdstad. Reden genoeg om terug te blikken en een kritische reflectie te maken over de precieze rol van deze wethouders. Hoe kunnen we terugkijken op een eeuw rode wethouders? En wat betekent het wethouderssocialisme vandaag de dag nog?

Stefan Couperus, politicoloog aan de Universiteit Utrecht, duidde de ‘oude’ rode wethouder als een waardegedreven sociaal activist en een lokaal boegbeeld. Sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1914 waren sociaaldemocratische wethouders vrijwel onafgebroken aan de macht in Amsterdam. In zijn lezing legde Couperus de ‘grote’ wethouders van voor 1940, zoals Monne de Miranda en Wibaut, langs de kritische lat. Maar waren het eigenlijk wel goede bestuurders?

Volgens Couperus kenmerkte het bestuur van de eerste rode wethouders zich door een grote responsiviteit. Zo organiseerde Wibaut het ‘wethoudersspreekuur’ voor Amsterdamse vrouwen. Daarnaast kregen de rode wethouders hun belangrijkste plannen verwezenlijkt in de praktijk, zoals de sociale woningbouw. Maar het beleid van de eerste rode wethouders ondervond veel tegenstand onder de stadsbevolking. Verschillende malen botsten de wethouders met hun collega’s van liberale of confessionele huize. Ook de stadsbevolking was het lang niet altijd eens met het rode beleid. Couperus oordeelde dus vrij positief over de eerste rode wethouders. Hij stelde daarnaast dat huidige rode wethouders te technocratisch en veel gericht op management zijn, in vergelijking met hun collega’s aan het begin van de twintigste eeuw.

Martien Kuitenbrouwer, voormalig stadsdeelvoorzitter van Amsterdam-West, plaatste bij de recente rode wethouders een aantal kritische kanttekeningen. Het gevaar is volgens Kuitenbrouwer dat er een zweem van romantiek dreigt rondom wethouderssocialisme, dat zij duidde als ‘witte mannen die het beter weten’. Het kenmerkt zich in enige mate door een paternalistische en regenteske bestuursstijl. Tijd voor de rode wethouder ‘nieuwe stijl’, aldus Kuitenbrouwer en zij gaf hiervoor drie aanbevelingen. Allereerst dienen nieuwe rode wethouders te luisteren in plaats van te oreren. Rode wethouders horen zichzelf namelijk graag spreken en luisteren niet vaak genoeg. Daarnaast moeten zij het lef hebben om te zeggen dat zij het niet weten. Ten derde moeten zij beter leren improviseren in plaats van zich richten op een alomvattend grand design.

Herman de Liagre Böhl, historicus en auteur van de biografie van Wibaut, stond in zijn verhaal uitgebreid stil bij het woningbeleid van de wethouder. Wat opviel aan het verhaal van Böhl was dat Wibaut vooral kon slagen in zijn beleid van woningbouw vanwege zijn sterke financiële en economische inzicht. Dat stelde hem in staat grote financiers aantrekken om de grote bouwprojecten (Wie bouwt? Wibaut!) te bekostigen. De sociaaldemocratische verzorgingsgemeente is, in dat opzicht, kapitalistisch betaald.

Tim Verlaan, tevens een historicus, stond stil bij de stadsvernieuwingen van de jaren zestig en de rol van rode wethouders daarin. Een belangrijk gegeven is dat sociaaldemocratische wethouders een ‘Faustiaans pact’ sloten met de kapitalistische woningcorporaties. Toch is het maar de vraag in hoeverre de grote stadsvernieuwingsprojecten, waar overigens stevige kritiek door de jaren heen op geuit is, per definitie te wijten is aan de rode wethouders. De moderniseringsdrang in de grote steden was eerder onderdeel van de tijdgeest dan van het sociaaldemocratische beleid.

Frank van As, promovendus, stond stil bij de emancipatie van de joodse bevolking in Amsterdam door hun aansluiting bij de sociaaldemocratische zuil en partij. Hoewel de joden zich sterk verbonden voelden met de partij, leidde de aansluiting vooral tot het vervagen van joodse tradities en ontkerkelijking.

Paul Jungbluth, socioloog, stond stil bij historische actuele veranderingen op het gebied gelijkheid van onderwijs en wat de invloed van wethouders daarop kan zijn. Jungbluth constateerde dat ondanks allerlei verheffingsplannen er nog een sterke ongelijkheid bestaat tussen de resultaten van verschillende scholen, al dan niet gerelateerd aan de economische status van de ouders van de leerlingen. De invloed van wethouders op falende scholen is vrij marginaal. Volgens Jungbluth kunnen (sociaaldemocratische) wethouders dit slechts beïnvloeden door druk uit te oefenen op het huisvestingsbeleid van scholen, extra middelen vrij te maken of in de publiciteit falende besturen bekritiseren.

Adri Duivesteijn, senator voor de PvdA en een ex- wethouder uit Den Haag sloot de dag af met een reflectie op zijn Haagse jaren. De grote kwesties voor de rode wethouders na de oorlog waren vooral problemen rondom de stadsvernieuwing en armoedebestrijding. De grote steden moesten moderniseren na de wederopbouw en hierbij werd vaak de bevolking in de oude wijken het slachtoffer. Het wethoudersocialisme gold voor Duivesteijn als een inspiratievorm. De wethouders wilden vooral in de oude wijken de bevolking verheffen en emanciperen. Een zeker paternalisme ging hier automatisch bij gepaard, aldus Duivesteijn.

Heden ten dage bestaat dit paternalisme volgens hem nog steeds, hoewel het nu ongericht is. Dit ondanks het feit dat er nog altijd grote uitdaging bestaan voor het hedendaagse wethouderssocialisme. De grote kans voor rode wethouders is volgens Duivesteijn het vormgeven en inhoud geven aan de multiculturele samenleving. Duivesteijn mist vandaag de dag de van oudsher sterke band van rode wethouders met maatschappelijke organisaties en het grote vertrouwen in de burgers ontbreekt.