Zwijgen is goud

Constant Hijzen - Helemaal in de eerste termijn, we waren ruim een half uurtje op weg, kondigde Madeleine van Toorenburg het al aan: de Kamer zou ‘uren en uren’ kunnen praten over ‘de inlichtingen- en veiligheidsdiensten’, de aansturing van die diensten en zelfs de controle op die diensten. Maar dat ging niet gebeuren.

Het ging om het falen van Plasterk. Oorzaak van zijn falen waren ‘de 1,8 miljoen metagegevens’ die al enige tijd in het nieuws waren. Dat aantal kwam in omloop op 5 augustus 2013, toen Der Spiegel een van Edward Snowden afkomstige grafiek publiceerde. Daarvan viel af te leiden dat de National Security Agency (NSA) 1,8 miljoen metadata zou hebben verzameld. In onder andere Frankrijk, Spanje en Noorwegen werd hetzelfde beweerd en daardoor ontstond het beeld dat de NSA grootschalig metagegevens van het communicatieverkeer van Europese burgers onderschepte en, vermoedelijk, op Amerikaanse servers opsloeg en gebruikte.

De Amerikanen zeiden al meteen dat die uitleg niet klopte. Die cijfers in de grafiek in Der Spiegel gaven aan hoeveel metagegevens de NSA door Europese bondgenoten in één maand tijd in handen waren gespeeld, beweerden ze. Terwijl dat in Noorwegen stante pede van overheidswege werd bevestigd, liep het in Nederland zo’n vaart niet. Minister Plasterk verklaarde op 30 oktober op televisie en een week daarna in de Tweede Kamer dat ‘de Nederlandse dienst’ (of hij over zijn eigen Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) sprak bleek ook gisteren niet) dat niet gedaan kon hebben. Terwijl minister van Defensie Jeanine Hennis-Plasschaert Plasterk adviseerde terughoudend te zijn, en de AIVD-leiding ook allerlei slagen om de arm hield, koos Plasterk voor een sprong naar voren.

Hij maakte, aangemoedigd door de PvdA-top, publiekelijk korte metten met de suggestie dat de AIVD er ‘NSA-achtige praktijken’ op na zou houden. Maar op 4 februari jongstleden schreef Plasterk samen met collega Hennis een kort briefje aan de Kamer waarin zij toegaven dat het verkeerd was geweest om naar de Amerikanen te wijzen. Sinds 22 november, bleek uit de beantwoording van Kamervragen die op dat briefje volgden, wisten Plasterk en Hennis dat die 1,8 miljoen metagegevens het product waren van ongerichte interceptie door de Nationale Sigint Organisatie (NSO) in opdracht van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD). Daarbij ging het om contraterrorisme en militaire missies. Die metagegevens waren bovendien gezuiverd van eventuele gegevens over Nederlandse onderdanen en daarna (rechtmatig, benadrukten de bewindslieden) met de Verenigde Staten gedeeld.

Plasterk moest daarom in het Kamerdebat door de knieën. Hij had op 30 oktober in Nieuwsuur niet voor zijn beurt moeten praten, hij moest uitleggen waarom hij op 22 november niet de Kamer informeerde toen hij begreep hoe de vork in de steel zat én hij moest uitleggen waarom hij dat op 4 februari wél deed. Het werd een lange zit. Onder een stortvloed van vragen, interrupties, wapperende armen en verongelijkte oppositieleden begonnen tijd en ruimte zich te vertekenen. Wat Plasterk dacht en deed op die 30e oktober, 22e november en 4e februari, en waarom hij dat dacht en deed, en of hij dat écht dacht ook al moest hij beter weten en of hij niet beter iets anders had kunnen doen; het werd tot op moleculair niveau gereconstrueerd.

Terwijl de Kamer vooraf nog wel informeerde naar de werkwijze van de AIVD en MIVD – de vragen 40 tot en met 62 gingen over de rol van metagegevens in ‘terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland’, de aard van die gegevens en de voorwaarden voor uitwisseling met buitenlandse diensten – ging het tijdens het debat niet om intelligence. Zoals verwacht fungeerden de inlichtingen- en veiligheidsdiensten slechts als decor om de ministeriële misstappen te ontrafelen.

Het meest opvallende in het debat was misschien wel het kabinetsbesluit om ‘uit staatsbelang’ Plasterks verkeerde interpretatie niet publiekelijk te corrigeren. Het ‘staande kabinetsbeleid’ was namelijk om geen uitspraken te doen over de modus operandi van de diensten; de werkwijze dus. Dat riep bij verschillende Kamerleden de terechte vraag op onder welke voorwaarden staatsbelang kan worden opgevoerd als reden voor de classificatie van gegevens. Kwam dit aanvankelijk niet politiek ook goed uit om op dit ‘nieuwe weegmoment’ die gegevens geheim te houden?

Het was inderdaad merkwaardig. Categorisch zwijgen over ‘modus operandi’ is gek als er in de jaarverslagen van de beide diensten, maar ook in de rapporten van de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) tot in detail wel gerept wordt over de werkwijze van de diensten. Ook op het vlak van signals intelligence.

Waarom nu alle uitspraken over de manier van werken verzwegen moesten worden, werd niet duidelijk. Dat dit een ingewikkelde kwestie is, heeft ook de CTIVD al eens laten zien, bijvoorbeeld in toezichtsrapport nr. 33. Classificatie van overheidsgegevens is een precaire aangelegenheid en staatsgeheim en de belangen van de staat zijn nu eenmaal elastische begrippen. Om te voorkomen dat teveel geclassificeerd wordt, moet een buitenwacht meekijken. Executieve en controlerende macht moeten daarover in gesprek blijven.

Ook de Kamer moet, bewapend met alle openbaar beschikbare informatie, daarin een taak op zich nemen. Kritische vragen stellen waar het kan, tot openbaring van gegevens manen waar nodig.

Het debat van dinsdag heeft dat niet makkelijker gemaakt. Plasterk moest aan het einde van de avond namelijk concluderen: ‘hoe minder je praat over de geheime diensten, hoe beter’. Een categorisch zwijgen van de minister is alarmerend. Hij moet juist in gesprek blijven. Hopelijk nodigt de Kamer hem in een volgend debat daartoe uit.