Plan Juncker als fopspeen

Chris Peters - Juncker ziet zijn Commissie als de laatste kans om de Europese burgers er van te overtuigen dat ‘Europa’ werkelijk gaat om hun belangen. En zijn plan om werkgelegenheid te scheppen door private investeringen uit te lokken als signaal dat Europa niet alleen staat voor bezuinigingen, maar ook voor meer werk. Maar misschien is het niet meer dan dat. Een signaal, of scherper gesteld, een fopspeen, symboolpolitiek.

Laat ik het plan heel kort samenvatten. Juncker schraapt € 8 mld bij elkaar uit lopende fondsen (waaronder een fonds voor innovatieprojecten…). Op basis daarvan geeft hij een garantie voor € 16 mld (want niet alle ondersteunde investeringen zullen mislukken…). De Europese Investeringsbank (EIB) doet daar € 5 mld bij. Op basis van die € 21 mld leent de EIB € 63 mld. Dat geld gaat in een fonds en wordt ingezet als achtergestelde lening om € 315 mld particuliere investeringen uit te lokken. De garanties moeten voor driekwart in allerlei infrastructuur-projecten terechtkomen, en voor een kwart bij leningen aan kleine en middelgrote bedrijven. Als een project mislukt wordt de eerste 20% van het verlies uit het fonds betaald (hoe dat precies gaat moet de Commissie nog invullen). De gedachte achter het plan is dat er allerlei investeringen in de pijplijn zitten, maar dat het bedrijfsleven die te riskant vindt. Door een deel van het risico te dragen hoopt Juncker investeerders over de streep te trekken.

Maar wegen die investeringen in infrastructuur wel op tegen de enorme toename van de armoede in Europa. De verantwoordelijk Commissaris Katainen rapporteerde dat investeerders moeite hadden om rendabele projecten te vinden. Heleen Mees citeerde onlangs in de NRC een rapport van Deloitte en Touche dat het bedrijfsleven € 1.000 mld achter de hand heeft om te investeren, maar niet weet waarin. Door gebrek aan vraag is er in allerlei sectoren al overcapaciteit, wat niet uitnodigt om te investeren!

En daar ligt des Pudels Kern. Duitsland heeft als ordoliberale exportmachine begin deze eeuw onder bondskanselier Schröder de lonen fors gematigd (Hartz IV). Er is daardoor een grote groep ‘working poor’ ontstaan, met banen waarvan ze niet fatsoenlijk kunnen leven.

Natuurlijk zijn bedrijven in andere landen daardoor minder concurrerend geworden. Ze krijgen nu Duitsland als voorbeeld voorgehouden; ze moeten ook competitiever worden. En dat gebeurt. In Griekenland zijn de lonen al met 30% gedaald! In Engeland is als gevolg van loonontwikkelingen het aantal kinderen dat in armoede opgroeit vervijfvoudigd. Een Nederlands voorbeeld: werknemers van Aldel kregen te horen dat de eigenaar het bedrijf zou redden als ze 30% in salaris wilden inleveren.

Is een Europa van ‘working poor’ een inspirerend toekomstvisioen? Is het gek dat bij zo’n enorme vraaguitval bedrijven moeite hebben om rendabele investeringen te vinden? Is het gek dat Piketty constateert dat ook in Europa de loon- en vermogensongelijkheid fors is gestegen? Denkt Juncker echt dat midden in die groeiende Europese armoede een investeringsimpuls van € 315 mld (0,8% van het Europese BNP) de economie vlot kan trekken??

In Januari bespreekt de PvdA het rapport Melkert. Prominent daarin is dat een doelstelling dat de werkloosheid niet boven de 5% mag komen net zo belangrijk is als de 3% en 60%-doelstellingen.

Het is urgent dat de partij concreet aangeeft wat dat betekent. Wij moeten vanuit die doelstelling een oproep doen aan Duitsland (en vooral aan onze SPD-broeders) om zijn verantwoordelijkheid te nemen. De Duitse lonen moeten fors stijgen. Vooral aan de onderkant, zodat er geen 'working poor' meer zijn. Het is krankzinnig dat Duitsland bij een dreigende Europese recessie streeft naar een begroting in evenwicht, terwijl de Duitse infrastructuur zichtbaar verloedert. Maar ook Nederland heeft boter op zijn hoofd. Ons exportoverschot van 10% is ver boven alle Europese normen. Als wij willen dat Zuid- en Oost-Europa meer exporteren dan zullen wij een importoverschot moeten accepteren. Ook in Nederland moeten de lonen dus omhoog. Weliswaar is het effect daarvan op de Europese economie bescheiden. Maar het is belangrijk als symbool, omdat wij anders niet geloofwaardig Duitsland kunnen aanspreken.

Sommigen zullen reageren dat Europa als geheel meer moet exporteren en zo zijn problemen moet oplossen. Maar afgezien van de realiteitswaarde daarvan op een moment dat Japan en China stagneren, het is beschamend dat het rijkste werelddeel probeert zijn problemen op de rest van de wereld af te schuiven.

Moeten de Europese sociaaldemocraten geen actie gaan voeren voor arbeidstijdverkorting? Alfred Kleinknecht schetste op de bijeenkomst van de Werkgroep Europa over werkgelegenheidsbeleid op 4 december een grimmige keuze tussen minder werken met behoud van loon of het ontstaan van een grote groep mensen met marginale baantjes waar ze niet van kunnen rondkomen.

‘Werk, werk, werk’ was de leus waarmee de PvdA de Europese verkiezingen inging. De discussie over de invulling daarvan mag zich niet beperken tot de fopspeen Juncker. De neoliberale ordening moet fundamenteel worden aangepakt. Het bedrijfsleven moet een eerlijk aandeel betalen in de belastingen, zodat de overheid de broodnodige publieke investeringen in infrastructuur kan betalen. En het moet lonen betalen die mensen in staat stellen een fatsoenlijk bestaan op te bouwen. Dat was toch de kern van ons ‘Van Waarde’-project?

Als die twee zaken worden aangepakt, kan het plan Juncker een waardevolle aanvulling zijn…