Dirk Achterbergh - In menig WBS geschrift wordt de politiek langs de maatlat van de sociaal-democratie gelegd. Hoewel de maat-latten nog al eens van elkaar verschillen, komt de desbetreffende scribent maar al te vaak tot dezelfde conclusie : het praktisch beleid en de daarvoor verantwoordelijke politicus schieten te kort . “Het is niet goed of het deugt niet” hoor ik de bestuurders en politici dan verzuchten.

De afgelopen weken stonden in het teken van overpeinzing en goede voornemens. En mijn eerste voornemen voor 2014 is om nu eens de gelegenheid te baat te nemen om een maatregel met bijbehorende bewindsman te prijzen.

De NOS site van 13 december kopte: “van Rijn wil wijkzuster terug”! Vooral het woordje terug vond ik lovenswaardig. Eindelijk eens een politicus die niet meteen aan het innoveren, moderniseren en her-vormen slaat, maar eentje die er voor uit komt terug te willen. Gewoon, denk ik er dan maar bij, omdat in het verleden een aantal maal de verkeerde afslag is genomen. Als ik hem langs mijn eigen maatlat leg komt hij tot het bovenste streepje.

De afgelopen jaren kwam ik een aantal vernieuwings-projecten thuiszorg tegen. Kenmerkend hierbij was dat er een projectleider was, een stuurgroep , een evaluatiecommissie , een nulmeting en permanente monitoring. Ook een website ,een kleurenfolder en invitational conferences ontbraken niet. Ergens op de achtergrond kon ik nog een verpleegster ontdekken die iets met een cliënt thuis moest doen. Kortom de bekende innovatie-blabla, die met het aflopen van de onvermijdelijke subsidietermijn vanzelf weer op houdt. Dat dan weer wel.

En dan ineens Martin van Rijn , die zonder veel ophef gewoon weer terug wil, wat een verademing.

Helemaal niet meer stuk kan hij na zijn uitspraak dat hij zich bij zijn besluiten nu eens niet heeft willen laten leiden door beroepsbestuurders , maar zijn oor te luisteren legt bij patiënten en verpleegsters: de dagelijkse praktijk als richtsnoer voor politiek handelen, da’s lang geleden!

Minder administratie en veel meer regelruimte voor de wijkzuster. Voortaan wil hij niet meer elke handeling en minuut apart betalen, geen stopwatch-zorg meer. Betaal voor beschikbaarheid , net zo als bij de huisarts en laat de verpleegkundige het zelf regelen: bij drukte kan zij de minder urgente zaken , in overleg met de patiënt uiteraard , op een ander tijdstip doen. Ze kent haar Pappenheimers immers, omdat ze een vaste populatie bedient. Vroeger heette dat een wijk, en de verpleegster heette wijkzuster. En ze ging een zorgrelatie aan, van waaruit ze de patiënt bijstond. Geen indicatie dus, maar relatie, gesymboliseerd door de woorden van Rijn:” dan wordt dat kopje koffie ook weer mogelijk”.

De paradox is dat met de komst van de marktwerking en de bureaucratie die nodig was om deze te beheersen, de zelfstandige wijkzuster tot een soort industrieel zorgproductie-medewerker werd gedegradeerd. Overigens ging dat twee decennia geleden gepaard met de dezelfde mantra als heden ten dage: de toenmalige Kruisverenigingen waren ouderwets. En met een op het marxisme-leninisme gelijkende logica van onafwendbaarheid was er maar een mogelijkheid : de bestaande verenigingen moesten plaats maken voor zorgbedrijven. Nu de marktwerking weer overwaait , kan de wijkverpleegkundige weer worden wat ze ooit was: een ondernemende hulpverlener. En inderdaad: nog goedkoper ook dan de iedere minuut declarerende thuiszorginstellingen, mooi meegenomen.

Als de lijn van van Rijn zou worden doorgetrokken in de zorg , kunnen er nog mooie dingen gebeuren. Wat te denken van eerherstel en waardering van gezins-voogden in de Jeugdzorg, zet dat niet meer zoden aan de dijk dan reorganisatie nummer zoveel? Laat op elke verpleeghuisafdeling enkele onder-nemende verpleegkundigen samen met verzorgenden een afdeling runnen volgens het Buurtzorg concept. Betaal specialisten naar beschikbaarheid en niet per verrichting.

Gewoon terug naar vroeger is vaak zo gek nog niet. Door voorthollende en kortademige bestuurders nemen we maar al te vaak de verkeerde afslag. Met hun innovatie-neurose doen ze niet meer wat ze moeten doen: signaleren wat er fout is en verandering behoeft en waarderen wat goed is en bewaard moet blijven. Omdat alles altijd anders moet , zien ze het verschil niet meer tussen de noodzaak van verandering en behoud van het goede.

Het lijkt er op dat van Rijn, met zijn onnadrukkelijke stijl en met zijn oriëntatie op het primair proces, in staat is dat onderscheid nu juist wel te kunnen maken. Een echte ouderwetse politicus, wat een vooruitgang!