Cultuur beweegt

Frans Becker - Dinsdag 18 juni presenteerde de Boekmanstichting aflevering 95 van haar tijdschrift Boekman, geheel gewijd aan sociaal-liberaal cultuurbeleid. Tijdens de presentatie reageerden inleiders uit verschillende hoek op de visiebrief van minister Jet Bussemaker over haar kunst- en cultuurbeleid. Frans Becker, die tevens een bijdrage aan Boekman 95 leverde, plaatste de volgende kanttekeningen.

Frans Becker - Er is denk ik een zucht van opluchting door de wereld van kunst en cultuur gegaan toen het kabinet Rutte I viel en een einde kwam aan wat ik maar even noem het regime Zijlstra – dat was natuurlijk niet alleen een persoonlijk regime, zijn beleid werd geschraagd door een gedoogcoalitie van drie partijen waarvan de belangrijkste partij, de VVD, opnieuw de grootste partner is in de nieuwe Rutte II coalitie. Als ik het goed heb gehoord gaat er ook wel een zuchtje van verlichting door de wereld van kunst en cultuur bij het optreden van de nieuwe minister van cultuur, de sociaal-democrate Jet Bussemaker. Ha fijn, eindelijk weer een minister met een uitgesproken belangstelling voor en affiniteit met de kunsten. Een minister die in NRC Handelsblad geportretteerd staat kijkend naar een schilderij van Jan Sluijters dat in het Rijksmuseum Twente hangt – een museum dat zij ook nog van de ondergang heeft helpen redden. Een minister die te vinden is bij de opera Sunken Garden van Michel van der Aa. Een minister die afreist naar de Biënnale in Venetië.

En dus zijn de verwachtingen ook positief gespannen als het gaat om haar toekomstvisie op het kunst- en cultuurbeleid en om de plannen die zij de komende periode wil realiseren. En inderdaad: de toonzetting van de visiebrief – een wat raar voorbeeld van Haags beleidsjargon – is optimistisch en constructief. De zware bezuinigingen onder het vorige kabinet worden kort genoemd, maar verder slaat de minister vooral een positieve richting in. Zij beschouwt – ook in het interview met de nieuwe Boekman die hier vandaag gepresenteerd wordt – cultuureducatie als een speerpunt van haar beleid. ‘Goed cultuuronderwijs is van cruciaal belang voor individu en samenleving. Het draagt eraan bij dat kinderen hun creatieve vermogens aanboren en hun talenten en vaardigheden ontwikkelen.’

In de brief benadrukt de minister voorts het grote belang van cultuur voor de ontwikkeling van creativiteit en innovatievermogen bij individuen en de maatschappij als geheel – in lijn met veel onderzoek, onder meer van de OESO, dat daarvoor tamelijk overtuigend materiaal aandraagt. Zij legt dan ook prioriteit bij talentontwikkeling en wil de culturele sector een belangrijke rol laten spelen bij het oplossen van maatschappelijke vraagstukken in andere sectoren. Zij heeft oog voor de gebrekkige samenhang die nu bestaat tussen de verschillende bestuurslagen – lokaal, provinciaal en landelijk – en wil die samenhang versterken. Zij wil bovendien meer aandacht voor de culturele invalshoek en betekenis in het maatschappelijk debat en zoekt daarvoor samenwerking met de KNAW en Boekmanstichting – daar worden we toch tamelijk opgewekt van, na de door deze instellingen georganiseerde debatten in het afgelopen jaar.

Tot zover goed nieuws dus. Maar ik wil ook twee kritische kanttekeningen plaatsen. En ik wil eindigen met een paar discussiepunten over de verhouding tussen kunst en politiek die onvermijdelijk ook raken aan verschil en overeenkomst tussen de huidige coalitiepartijen.

Mijn eerste kanttekening gaat over wat ik in navolging van Bas Heijne gemakshalve maar even het Dode-Mus-Syndroom noem – en wat ik in mijn bijdrage aan Boekman 95 ook als een belangrijk risico voor het beleid van dit kabinet signaleer. Het is de spanning tussen cultuurpolitieke doelstellingen en financiële doelstellingen, tussen wat Heijne noemt ‘beleden kunstliefde’ en de bezuinigingsrealiteit. De minister schrijft: ‘Kwaliteit is […] een leidend motief. Kwaliteit die gepaard gaat met ondernemerschap, waarmee de cultuursector zijn inkomsten vergroot, zijn kosten verlaagt, maar vooral zijn maatschappelijk draagvlak verbreedt.’ De werkelijke effecten van een terugtrekkende overheid blijven verborgen en de kernvraag is natuurlijk of de voorwaarden voor de realisatie van dit leidend motief en de daarmee samenhangende doelstellingen wel aanwezig zijn.

Laat ik een paar voorbeelden noemen. Het eerste heeft betrekking op de talentontwikkeling – een prioriteit in het politiek programma van deze minister. Het probleem is dat de productiehuizen – de belangrijke schakel tussen opleiding en beroepspraktijk – inmiddels zijn wegbezuinigd. Nu moeten de cultuurfondsen programma’s gaan ontwikkelen om de doorstroming van talent te bevorderen – maar dat is natuurlijk een merkwaardige beleidsfiguur. Iets dergelijks speelt in de wereld van de opera. Nederland kent goede opleidingsmogelijkheden en een topinstelling voor opera, DNO. Daartussen was de Reisopera, vroeger Forum, een cruciaal middenveld voor aanstormend talent om ervaring op te doen en zich verder te ontwikkelen. Vrijwel wegbezuinigd.

Laat ik nog twee andere voorbeelden noemen. De visiebrief vraagt veel aandacht voor het digitaliseren van content (de minister noemt archieven, boeken, museumcollecties en audiovisueel materiaal) en het voor het publiek toegankelijk maken ervan. Mooi. Maar een probleem is dat twee belangrijke kerninstituten van Nederlands erfgoed – op het gebied van Nederlandse muziek en theater – zijn wegbezuinigd en hun collecties dreigen te verdwarrelen. Dan is het nogal wrang als de minister het toenemend gebruik van digitale middelen in de cultuursector ziet als kans om de kwaliteit te verhogen en het publieksbereik te vergroten. Te laat voor deze twee instellingen, zou je zeggen – maar vooral voor de ontsluiting van waardevol erfgoed.

Een laatste voorbeeld: de lokale praktijk. De minister ziet het probleem en stelt voor om samen met de VNG aan de Raad voor Cultuur advies te vragen welke voorzieningen voor actieve cultuurparticipatie van belang zijn. Prima. Maar de financiële druk op de gemeenten zal de komende jaren als gevolg van het beleid van haar collega’s zo gigantisch toenemen, dat er wel een iets sterkere dam nodig is om kunst en cultuur lokaal te behouden.

Daarbij komt dat er een besturingsfilosofie ingang vindt die vooral de nadruk legt op functies en taken die moeten worden vervuld (zoals van het mediafonds, het vak CKV, de talentontwikkeling), maar de wijze waarop deze gestalte krijgen – geïnstitutionaliseerd worden – van secundair belang acht. Dat lijkt me een gevaarlijk misverstand.

Mijn conclusie op dit punt is niet direct dat bezuinigingen uit den boze zijn en dat de minister weer helemaal opnieuw moet beginnen – al zouden sommige ingrepen eigenlijk ongedaan moeten worden gemaakt. Mijn belangrijkste punt is dat de discrepantie tussen fraaie voornemens en onaangename realiteit politiek cynisme in de hand werkt.

Een tweede kanttekening betreft de cultuureducatie. Met deze politieke prioriteit bevindt de minister zich op vertrouwd terrein – niet alleen omdat vanuit zowel de PvdA als de VVD, de Teldersstichting als de Wiardi Beckman Stichting daarvoor aandacht is gevraagd, maar ook omdat zij daarmee in lijn blijft met de beleidsvoornemens van haar voorganger. Dat is niet de reden voor mijn opmerking. Ik deel haar visie op het enorme belang van kunst- en cultuuronderwijs. Maar ik denk dat de visiebrief hier juist te weinig ambitie toont en teveel in het oude spoor blijft doorlopen – een spoor dat tot nu toe veel te weinig zoden aan de dijk heeft gezet. De praktijk van het huidige kunst- en cultuuronderwijs is heel wisselend: er zijn enorm inspirerende voorbeelden, zowel in het basis- als voortgezet onderwijs. Maar het gehele beeld overziende is er sprake van een enorme vrijblijvendheid.

De nadruk in het basisonderwijs is als gevolg van politieke beslissingen steeds meer komen te liggen op taal en rekenen – begrijpelijk, maar onverstandig. De minister spreekt in haar beleidsvisie kunstenaars en culturele instellingen aan op hun educatieve inbreng; ze handhaaft de cultuurkaart (mooi, maar voor € 10,90 gaan we het echt niet redden); en ze bepleit de doorlopende leerlijn. Ze wil geen duidelijk omschreven eindtermen, noch biedt ze al zekerheid over het vak CKV. Het risico is dan dat de doorlopende leerlijn een zijden draad wordt.

Kunst- en cultuuronderwijs heeft een veel steviger verankering in het onderwijs nodig – en dus in de scholen. Culturele instellingen doen vaak al enorm hun best, maar stuiten op het onvermogen van scholen hun cultuuronderwijs goed vorm te geven. Er is wel degelijk een discussie over eindtermen nodig – wat willen wij de volgende generaties eigenlijk overdragen? En er is een serieuze impuls nodig in de sfeer van de lerarenopleidingen. Dat gaat niet van de ene dag op de andere; het moet ook niet van bovenaf, maar in samenspraak met betrokken partners en gebruik makend van opgedane ervaringen. Zo’n lange termijn investering kan ervoor zorgen dat kunst- en cultuuronderwijs een gewoon vak wordt.

Ik sluit me graag aan bij de woorden van Jan Raes, directeur van het Concertgebouworkest: Er zijn, zo stelt hij, tal van projecten gaande op het gebied van muziek in het onderwijs. Geweldige initiatieven, maar het zijn nog steeds druppels op een gloeiende plaat. Hij wijst op het enorme belang van leren samen spelen en pleit voor een Europees orkestenproject. Zijn voorstel: ‘Alle kinderen en jongeren moeten tot hun 18de jaar in symfonische schoolorkesten musiceren.’

Dan tot slot nog een paar opmerkingen over de wereld van de kunsten en van de politiek. Er bestaat een sterke neiging in de politiek om – als en voor zover men wil spreken van een legitimatiecrisis van kunst en cultuur – te wijzen op het naar binnen gekeerde gedrag van kunstenaars en culturele instellingen. Ook deze minister laat zich in die zin wel uit: de culturele sector is wakker geschud door het beleid van het vorige kabinet; ze was te veel in zichzelf gekeerd. Mij lijkt dat een ontoereikende analyse. Hoezo was acteur Gijs Scholten van Asschat in slaap gevallen, of zat tenor Marcel Reijans – ook op het toneel met zijn prachtige formatie Frommerman – te pitten? Moesten onze schrijvers worden wakker geschud? Was het Concertgebouworkest naar binnen gekeerd? Pierre Audi? Judikje Kiers met haar Amsterdamse Ons’ Lieve Heer op Solder?

Er waren beslist wat spinnenwebben op te ruimen, maar de analyse is te eenzijdig. Er hebben zich ingrijpende verandering in publiek en publieksgedrag voorgedaan, in de verhouding tussen commerciële en publieke voorzieningen en in de toegankelijkheid en doorwerking van kunst en cultuur. Maar daarnaast is ook de verhouding van de politiek tot de wereld van kunst en cultuur van karakter veranderd. De sociaal-democratie maakt daarop geen uitzondering. Onder invloed van het post-moderne relativisme en van het sterk economisch gerichte denken is de politieke (en breder: de maatschappelijke) elite verwijderd geraakt van wat kunstenaars en culturele instellingen primair beweegt: de intrinsieke waarde van kunst en cultuur.

De politiek is kunst en cultuur steeds meer instrumenteel gaan bekijken: als middel tot economische ontwikkeling en het oplossen van allerlei maatschappelijke problemen. In een mooie studie van ons Britse zuster-instituut Demos beschrijft John Holden deze verwijdering als een niet alleen Engels fenomeen, maar een verschijnsel dat zich in veel Europese landen voordoet. Hij bepleit een nieuwe alliantie tussen kunstinstellingen en het publiek – die immers beide primair door de waarde van de kunst gedreven worden.

Ik zou daarnaast toch ook een heroriëntatie van de politiek – en zeker ook van de sociaal-democratie – bepleiten. Een heroriëntatie die afscheid neemt van de gedachte dat cultuureducatie niet meer is dan het ontwikkelen van consumentensoevereiniteit – zoals SCP-onderzoeker Andries van den Broek het formuleert. Een heroriëntatie die een Bildungsideal formuleert en wellicht uitkomt op een idee van cultureel burgerschap. Die teruggaat naar de intrinsieke waarde van kunst en cultuur. En die van politici en bestuurders een actieve houding vraagt om kunst en cultuur in het overheidsbeleid te verankeren – zoals al eens bepleit door Cas Smithuijsen in een bijdrage aan een WBS-studie over cultuurpolitiek.

De Wiardi Beckman Stichting volgt met het zogenaamde Van Waarde-project deze route – het verheffingsbegrip is weer helemaal terug van weggeweest – en zal in de herfst met een rapport hierover komen. Om met Boekman – toch een beetje de Thorbecke van de sociaal-democratie als het om kunst en cultuur gaat – te spreken: ‘Doch ook in de moeilijkste tijden […] heeft men het ideaal na te streven, de menschheid op een hooger plan van beschaving te brengen. Daartoe kan ook strekken intensiever bemoeienis van de overheid met de kunst.’