Marijke Linthorst - Onlangs sprak ik met iemand die nauw betrokken is geweest bij het ontwerp van het huidige zorgstelsel. Hij was het met me eens dat er door zorgverzekeraars nog nauwelijks wordt ingekocht op kwaliteit. En hij legde uit waarom dat niet gebeurt. Als zorgverzekeraars moeten concurreren op kwaliteit is het niet alleen nodig dat de vrije artsenkeuze van patiënten wordt beperkt (u moet naar dat ziekenhuis of die arts), maar ook dat deze kwaliteit exclusief beschikbaar is voor de eigen verzekerden. Dat komt niet van de grond.

Zorgaanbieders weigeren om op basis van de verzekeringspolis verschil te maken tussen patiënten. Zolang dat niet gebeurt is het voor zorgverzekeraars niet lonend om in te kopen op kwaliteit. De ingekochte kwaliteit komt ook ten goede aan de verzekerden van de concurrent.

Zijn verklaring riep twee emoties bij me op: trots op onze zorgverleners die hun beroepsethiek op de eerste plaats stellen, en verbazing. Ik heb in de Eerste Kamer de behandeling en beoordeling van het huidige zorgstelsel op de voet gevolgd, maar dat dit de bedoeling was is nooit aan de orde geweest. Concurrentie zou de zorgverzekeraars prikkelen om scherp in te kopen. En met name bij het voorstel om de vrije artsenkeuze te beperken is er uitvoerig gesproken over de motieven voor het contracteren van zorgaanbieders: slecht of duur aanbod zou op die manier geweerd kunnen worden. Nooit is ter sprake gekomen dat gelijke behandeling van patiënten tot het verleden zou gaan behoren. Integendeel.

Op dinsdag 10 februari 2015 legde ik in de NRC verantwoording af voor mijn tegenstem in de beperking van de vrije artsenkeuze twee maanden eerder. Op zaterdag 14 december reageerde minister Schippers in dezelfde krant. “Of je nu jong of oud bent, gezond of ziek, krap bij kas of met een goed gevulde portemonnee – als je in Nederland ziek wordt, lig je naast elkaar in hetzelfde ziekenhuis. Je zit naast elkaar in de wachtkamer bij de huisarts. En je krijgt dezelfde goede zorg. Onze gezondheidszorg maakt geen onderscheid tussen mensen. Daar ben ik trots op.”(i) Dat is het geluid dat wij in de Eerste Kamer altijd gehoord hebben. En het is een heel ander verhaal dan wat kennelijk de bedoeling was. Is de bedoeling om zorgaanbieders onderscheid te laten maken tussen patiënten op basis van hun verzekering ook voor de minister geheim gehouden? Of was zij op de hoogte en is zij later tot bezinning gekomen?

Dat laatste is niet onmogelijk. Vorige week zag ik toevallig een reclamespotje voor de komende Tweede Kamerverkiezingen van de VVD. Premier Rutte presenteert daarin zijn plan voor Nederland. “Aan iedereen die iets voor elkaar wil krijgen, aan alle Emma’s, Johan’s, Fatima’s, Brams en alle anderen die hetzelfde willen. Dat je zelf je dokter kunt kiezen, dat je zelf…” Huh? We spoelen het filmpje terug. “Dat je zelf je dokter kunt kiezen.”Hij zegt het echt.

In december 2014 stemde een meerderheid in de Eerste Kamer tegen het wetsvoorstel van zijn partijgenote minister Schippers om de vrije artsenkeuze te beperken. Wij vonden dat patiënten het recht moesten blijven houden om zelf hun eigen arts te kiezen. De premier vindt dit nu kennelijk ook een verworvenheid om trots op te zijn, al staat het nog niet in het concept-verkiezingsprogramma. Het kan verkeren.

Noten
(i) NRC zaterdag 14 & zondag 15 februari 2015, Opinie&Debat, p. 2.

De hele discussie over inkopen op kwaliteit voor de gunstigste prijs is nogal hypocriet.
Ongeacht de aard van de verzekering beschouwt een verzekeraar (ook dus de ziektekostenverzekeraar) zich als een schadelastverzekeraar (citaat van Zilveren Kruis). Die is wel gebaat bij kostenreductie, maar niet belanghebbend bij kwaliteit. Aangezien doorgaans de prijs van kwaliteit evenredig is met de mate van kwaliteit, ligt toch echt de prioriteit van de 'inkoper' bij de prijs en niet bij het 'product'. Uiteraard kan een monopolistische verzekeraar de prijs beter beïnvloeden (=verlagen) dan een verzekeraar in een 'open markt'. Zolang de patient nog vrije artsenkeuze heeft, is de onderhandelpositie van de verzekeraar dus iets minder sterk. Maar gezien de geografische spreiding van de 4 hoofdverzekeraars hebben zij over onderhandelmacht niet te klagen. We mogen het alleen officieel geen kartelvorming noemen.