Marijke Linthorst - Aanstaande woensdag zijn de verkiezingen. De zorg heeft een belangrijke rol in de campagne gespeeld. Over de geldverslindende administratieve bureaucratie en het Nationaal Zorgfonds heb ik in eerdere blogs geschreven¹. In de blog van vandaag houd ik twee andere voorstellen tegen het licht: het eigen risico en het beperken van de artsensalarissen.

Het eigen risico
De doelstelling van het eigen risico is tweeledig: een bewuster (en dus goedkoper) gebruik van de zorg en het laag houden van de ziektekostenpremie. Deze laatste doelstelling wordt het meest zichtbaar in de berekeningen van wat het betekent om het eigen risico af te schaffen. Dan stijgen de premies (of de belastingen). In zekere zin komt het eigen risico neer op het verschuiven van collectief naar individueel gedragen lasten. Dat kan een bewuster gebruik van de zorg bevorderen: als burgers zelf voor een behandeling moeten betalen vragen zij zich misschien eerder af of de behandeling wel echt nodig is. Daar staan twee tegenwerpingen tegenover.

Chronisch zieken weten van tevoren dat zij hun eigen risico opmaken of afzien van behandeling. Dat laatste kan een bewuste keuze zijn, maar het is geen keuze op inhoudelijke, maar op financiële gronden. Dat is niet wat met het eigen risico beoogd wordt en kan zelfs -ook financieel- nadelig uitpakken. Mensen die afzien van behandeling kunnen in een situatie terecht komen waarbij relatief simpele ingrepen inmiddels een ‘gepasseerd station’ zijn en alleen nog duurdere opties effect sorteren. Daarnaast is de rem op het gebruik maken van zorg beperkt. Zelfs het hoogst mogelijke eigen risico is op een gegeven moment opgesoupeerd en dan kunnen alle remmen losgaan. Het komt dus aan op maatwerk. Hoe ontwikkel je een stelsel dat mensen prikkelt om na te denken over de vraag of bepaalde zorg wel nodig is, terwijl de mensen die deze zorg sowieso nodig hebben niet worden ontmoedigd om daarvan gebruik te maken? Geen van de oplossingen die in deze periode de revue hebben gepasseerd voldoet aan dat criterium. Voor chronisch zieken is het eigen risico inderdaad een ‘boete op ziek zijn’, maar dat geldt voor lang niet iedereen. Wie weleens op de Spoedeisende Hulp komt herkent ongetwijfeld de (door de overheid gestimuleerde) mondige burger die ‘waar voor zijn geld’ eist. D66 en de VVD willen om die reden het eigen risico handhaven. D66 wil wel rekening houden met chronisch zieken, maar voor alle anderen ziet deze partij geen probleem. De redenering van Pechtold in het ‘lijsttrekkersdebat’ van 26 februari jl. kwam ongeveer op het volgende neer: U en ik kunnen het betalen. En het is onzin om te zeggen dat mensen met een kleine beurs daarom afzien van zorg, want de huisarts, die patiënten doorverwijst, zit niet in het eigen risico. Dat is waar, maar voor veel mensen kan de vrees om doorverwezen te worden een motief zijn om dan überhaupt niet naar de huisarts te gaan.

In de NRC van 6 maart jl. opperde huisarts Gimbel de mogelijkheid van eigen bijdragen ter hoogte van het eigen risico.² Deze bijdragen zouden een percentage moeten vormen van de kostprijs van de behandeling. Deze gedachte heeft drie grote voordelen. Het eigen risico wordt niet in één keer maar geleidelijk verrekend, omdat de patiënt een percentage van de kostprijs betaalt realiseert hij zich hoe duur de behandeling is en het heroverwegingseffect (heb ik deze scan echt nodig?) blijft langer van kracht. Het percentage eigen bijdrage zou per verrichting kunnen verschillen. Zolang de prijzen voor medische handelingen volstrekt onduidelijk en tot op zekere hoogte willekeurig zijn, zou er dan wel één rekenprijs voor de verrichtingen gehanteerd moeten worden.

Voor chronisch zieken biedt de geleidelijke betaling wel enig soelaas (sommige chronisch zieken zijn al in maart door hun eigen risico heen), maar het is niet voldoende. Overwogen zou kunnen worden om alle behandelingen die met hun chronische ziekte samenhangen buiten de eigen bijdrage te houden. Voor alle andere zaken geldt: gelijke monniken, gelijke kappen.

Beperking van de artsensalarissen
Op zichzelf zit er iets in om de salarissen van met name specialisten onder de Wet Normering Topinkomens (WNT) te brengen. Deze wet voorziet er in dat directeuren en topfunctionarissen in de semi-publieke sector niet meer dan een ministersalaris verdienen. In 2017 was dat bedrag gemaximeerd op €181.000, niet echt een salaris om armoede van te lijden. Maar er is wel een complicatie. De WNT geldt voor mensen die in loondienst zijn, niet voor zelfstandig ondernemers. Zoals bijvoorbeeld specialisten in een maatschap. Partijen die specialisten onder de WNT willen brengen (en daar zijn goede redenen voor) moeten dus bereid zijn eerst het gevecht aan te gaan om alle specialisten in loondienst te krijgen. Anders zal het enige effect zijn dat de ziekenhuizen waar specialisten in loondienst zijn (dat geldt bijvoorbeeld voor de academische ziekenhuizen) worden ‘leeggezogen’ door ziekenhuizen die het financieel veel lucratievere maatschap kunnen bieden.
Dat kan toch niet de bedoeling zijn.

¹‘Collectieve bezigheidstherapie?’ 19 september 2016, ‘Zinnig en zuinig’ 28 november 2016, ‘Zorgfonds’ 23 januari 2017.
²NRC, 6 maart, p. 18

> Lees alle blogs van Marijke Linthorst