Marijke Linthorst - Eén van de grote opgaven (naast alle andere) voor de verzorgings- en verpleeghuissector is de afgelopen jaren het afstoten van gebouwen geweest. Naarmate mensen langer thuis willen en moeten wonen en de drempel voor een verzorgingstehuis hoger wordt, houdt een organisatie voor verzorgings- en verpleeghuiszorg ruimte over. Je hoeft geen Einstein te zijn om aan te zien komen dat dit op niet al te lange termijn ook voor de ziekenhuissector zal gelden.

Mensen blijven na een operatie korter in het ziekenhuis, eenvoudige verrichtingen worden verplaatst naar Zelfstandige Behandelcentra (ZBC) en chronische ziektes worden grotendeels behandeld door de huisarts. Dat leidt tot leegstand. Voor ziekenhuizen is dat een nog groter probleem dan voor verpleeg- en verzorgingstehuizen. De laatsten maken vaak onderdeel uit van een koepel, waardoor het mogelijk is tehuizen samen te voegen. Afdelingen van verschillende ziekenhuizen kunnen niet zomaar samengevoegd worden; zeker niet in een stelsel waarin ziekenhuizen geacht worden met elkaar te concurreren. Verzorgingstehuizen kunnen ook bewoners uit een andere ‘doelgroep’, zoals studenten, aantrekken. Zij huren een kamer of appartement in een verzorgingshuis. Soms voor een lage prijs, in ruil voor hand- en spandiensten.

Voor ziekenhuizen ligt dat ingewikkelder. De enige manier waarop zij het verlies kunnen compenseren is door de vrijkomende ruimtes te gebruiken voor nieuwe activiteiten. Soms is dat nuttig en nodig. Het ziekenhuis verhuurt bijvoorbeeld ruimte aan een specialisme dat het zelf niet (meer) in huis heeft. Dat kan voor alle partijen voordelig zijn: de patiënt kan in hetzelfde gebouw terecht voor een aandoening die het ziekenhuis niet zelf behandelt en de specialisten kunnen gebruik maken van de voorzieningen van het ziekenhuis. Maar als die optie niet aanwezig is kan leegstand ook leiden tot het opzetten van overbodige of (te) dure zorg, zoals snurkpoli’s. Vanuit het ziekenhuis gezien is dat een rationele beslissing: de kapitaallasten maken onderdeel uit van de exploitatiebegroting en leegstand is dus een risico voor de financiële gezondheid van de instelling. Maar het draagt natuurlijk niet bij aan de door iedereen bepleite zuinige en zinnige zorg.

Misschien moeten we de discussie over de zorg niet vanuit ideologisch standpunt voeren, maar pragmatisch: welke knelpunten zijn er of zien we aankomen en hoe kunnen die het beste worden opgelost?

Tot 1 januari 2008 was de overheid verantwoordelijk voor het vastgoed van ziekenhuizen. Het College Bouw Ziekenhuizen (later omgedoopt tot College Bouw Zorginstellingen) beoordeelde bouw- en verbouwingsaanvragen en de overheid stond garant voor de vergoeding van de kosten van rente en aflossing op de aangegane leningen.

Vanaf 1 januari 2008 ligt de verantwoordelijkheid voor het vastgoed bij de ziekenhuizen zelf. De gedachte hierachter was dat ziekenhuizen hun gebouwen dan efficiënter zouden gaan beheren. Het paste bij het net ingevoerde zorgstelsel en de integrale bekostiging. (Integrale bekostiging betekent dat een ziekenhuis één budget krijgt, waaruit alle kosten, van arts tot schoonmaak, betaald moeten worden.) Maar het is de vraag of een dergelijk beleid ook verstandig is in een periode dat grotere leegstand te voorzien is. Beslissingen die voor één instelling rationeel en effectief zijn, kunnen dan negatief uitpakken voor het geheel: als ieder ziekenhuis zijn gebouwen zo efficiënt mogelijk beheert kan dat leiden tot overbodige en te dure zorg. In zo’n situatie ligt planning meer voor de hand. Dat zou kunnen betekenen dat de kapitaallasten uit de integrale bekostiging worden gehaald en weer apart gefinancierd worden. Omdat een efficiënt gebruik van gebouwen tot prikkels leidt die het streven naar ‘zuinige en zinnige’ zorg in de weg staan.

> Lees alle blogs van Marijke Linthorst