Marijke Linthorst - Eind vorig jaar verscheen “De zorg is doodziek”. In dit boek analyseert vaatchirurg Cees Wittens het functioneren van ziekenhuizen in Nederland en komt hij met een alomvattend voorstel hoe het beter zou kunnen. Wittens geeft daarbij zelf aan dat zijn ideeën niet zijn bedoeld als blauwdruk, maar als aanzet tot en uitnodiging voor discussie over vernieuwing van de zorg.

In die opzet is Wittens zeker geslaagd: hij houdt een prikkelend betoog, waarin veel onvolkomenheden in de gezondheidszorg de revue passeren. Zoals het feit dat de kwaliteit van medische verrichtingen nauwelijks geregistreerd wordt, dat ICT-systemen van verschillende zorgverleners niet met elkaar kunnen communiceren, waardoor er soms onnodig onderzoek wordt gedaan en de enorme toename van de bureaucratische en administratieve lasten. Op dit laatste punt haalt Wittens de ontwikkelingen in de Verenigde Staten aan. In 2010 waren de uitgaven aan gezondheidszorg 25 keer zo hoog als in 1970. Het aantal artsen en de behandelingen die zij uitvoerden zijn in deze periode verdubbeld, maar de administratieve en andere ondersteunende functies zijn in dezelfde tijdsspanne gestegen van 3 naar 32 per arts. In eigen land is de situatie overigens niet veel beter. Robert Kreis, eveneens vaatchirurg, berekende dat de administratieve en bureaucratische lasten in 2011 35% van de werktijd besloegen en waren opgelopen tot bijna 12 miljard euro.

Wittens bepleit een aantal rigoureuze ingrepen. Ik licht er twee uit. Eén ICT-systeem dat niet alleen door alle zorgverleners gebruikt wordt, maar waar zij hun informatie ook op dezelfde eenduidige manier vastleggen. En een fundamentele reorganisatie van de ziekenhuiszorg. Tegen het eerste zal niemand bezwaar hebben. Het tweede ligt iets ingewikkelder.

Wittens is een groot voorstander van specialisatie tussen ziekenhuizen. Dat sluit ook aan op ontwikkelingen die nu al gaande zijn: het afstoten van eenvoudige behandelingen door universitaire medische centra naar reguliere ziekenhuizen en de opkomst van zelfstandige behandelcentra (ZBC). Wittens trekt hieruit de conclusie dat deze toenemende specialisatie ook gevolgen moet hebben voor de opleiding van met name medisch specialisten. De nu zesjarige opleiding tot bijvoorbeeld chirurg zou in zijn optiek kunnen worden opgeknipt in een opleiding van drie maal twee jaar. Na het eerste blok van twee jaar is de betrokkene bevoegd als zaalarts. Een functie die omschreven kan worden als de ‘huisarts in het ziekenhuis’. Zo’n functie bestaat nu niet, de werkzaamheden worden meestal verricht door arts-assistenten in opleiding. Wie méér wil volgt opnieuw een opleiding van twee jaar en kan daarna aan de slag als specialist in een dagbehandelcentrum. In de laatste twee jaar specialiseert de specialist zich binnen het specialisme.

Tot zover kan ik het hartgrondig met Wittens eens zijn. Het lijkt me prima als artsen eerder en op verschillende niveaus aan het werk kunnen. En ik zie ook niet goed in waarom, in een tijd waarin om steeds verfijndere specialisatie wordt gevraagd, iemand die heel goed weet welk specifiek specialisme hij of zij wil gaan uitoefenen ook moet worden opgeleid in andere onderdelen van dat specialisme. Waarom moet bijvoorbeeld een neuroloog in opleiding die zeker weet dat hij geen neurochirurg wil worden daar toch een aantal maanden een opleiding in volgen? Die tijd zou veel beter besteed kunnen worden aan verdieping van het specialisme dat hij wel wil gaan doen.

Moeilijker vind ik de consequenties die hij aan zijn voorstellen verbindt. In de visie van Wittens is er op termijn (hij gaat uit van 2050) geen plaats meer voor ziekenhuizen zoals we die nu kennen. Naast de academische centra en de ZBC’s zouden er verspreid over het land ziekenhuizen moeten komen die 24 uur per dag in bedrijf zijn. Niet alleen voor verpleegkundige zorg, maar ook voor onderzoeken en ingrepen. In deze ‘nieuwe’ ziekenhuizen wordt 7 dagen per week in ploegendiensten gewerkt. De periode tussen 24.00 uur en 4.00 uur wordt benut voor schoonmaak en onderhoud.

De werkplekken voor specialisten met ambitie worden dus voorbehouden aan mensen die bereid zijn om volcontinu in ploegendienst te werken. Wie een deeltijdbaan ambieert of vooral van 8.00 tot 17.00 wil werken is aangewezen op functies als zaalarts of specialist in een dagbehandelcentrum. Wittens erkent dit ook. Ik ken specialisten (en specialisten in opleiding) die zeer gepassioneerd hun vak uitoefenen in deeltijd. Zowel mannen als vrouwen. Nooit te beroerd om langer te blijven of een extra dienst te draaien als dat nodig is, maar wel met oog voor de balans in het leven. Zij zijn bijvoorbeeld één dag per week thuis om voor hun kinderen te zorgen. Ik zou het een belediging voor deze mensen vinden als zij worden uitgesloten van het werk waar hun hart ligt. Het zou bovendien een verarming voor de bedrijfscultuur in deze ziekenhuizen zijn. Er zal een bepaald type specialist werken, andere zienswijzen en opvattingen komen nauwelijks aan bod.

De reden dat Wittens hiervoor pleit is dat de dure operatiekamers met kostbare apparatuur beter benut kunnen worden. Apparatuur zou wat mij betreft ten dienste moeten staan van mensen: de patiënt, maar ook de specialist, de schoonmaker en de onderhoudsmonteur. Het is de wereld op zijn kop als zij ondergeschikt worden gemaakt aan de efficiency van een bedrijfsmodel. Ik hoop dat daar in 2050 ook zo over gedacht wordt.

> Lees alle blogs van Marijke Linthorst