Maatschappelijke Aanstelleritis?

René Cuperus - De afgelopen weken werd door de Volkskrant onder de titel ’Hoe goed is Nederland?‘ onderzoek gedaan naar de zin en onzin van ons steeds somberder nationale zelfbeeld. We zouden er als land slechter aan toe zijn. Vroeger was alles beter. De waarheidsclaim van dat beeld wilde de krant eens scherp onder het vergrootglas leggen. En dus: hoe goed is het eigenlijk gesteld met onze veiligheid, ons bestuur, de sport, de gezondheidszorg?

Vrijwel zonder uitzondering leidden de mini-analyses tot een deëscalering van het maatschappelijk onbehagen. Aan superlatieven geen gebrek. De Nederlandse gezondheidszorg speelt in de Europese Champions League. Nederland blijkt, ondanks alle jammerklachten over criminaliteit, een veilig land. Het Nederlandse ondernemingsklimaat en het onderwijs behoren tot de wereldtop. En zo gaat het maar door. Het gaat eigenlijk fantastisch. In de beleidsstatistiek en de internationaal vergelijkende ranglijstjes vinden we nauwelijks empirisch bewijs voor een katterig gevoel van onvrede, degradatie en verval. Integendeel: geheel ten onrechte ontbreekt het ons aan nationaal zelfvertrouwen.

En dus kunnen we niet anders concluderen dan dat Nederlanders verwende burgers zijn die leven in een niet door hen onderkend paradijs. Mensen die bij gebrek aan tegenslag en echte zorgen kleine ergernissen aanzien voor maatschappelijke problemen van formaat. Nederlanders lijden, kortom, aan Maatschappelijke Aanstelleritis. Of aan ‘sociale hypochondrie’ zoals de socioloog Willem Schinkel dat wel eens heeft genoemd. De Nederlander verlustigt zich aan ingebeelde sociale kwalen.

Tot zover de ontmythologisering van ons manisch-depressieve nationale zelfbeeld zoals die uit de Volkskrant-serie naar boven komt. Beleidsrationaliteit versus Onderbuik: 10-0. Mooi krantenonderzoek met een mooie uitkomst. Maar overtuigt die ook helemaal? Daar valt wel wat op af te dingen.

Om te beginnen is het de vraag of beleidsstatistiek en kwantitatieve landenvergelijkingen wel de meest overtuigende weerlegging zijn van de zorgen en preoccupaties van mensen uit het dagelijks leven, inclusief de mediawerkelijkheid die voor postmoderne mensen een soort permanent ‘second life’ vormt. Nederland kan gemiddeld de meest gelukkige jeugd ter wereld hebben, maar een groeiend aantal zelfmoord-pestgevallen ontregelt zo’n beeld fors. Eén incident van zinloos geweld in eigen omgeving, doorverteld op 50 verjaardagsfeestjes, heeft meer impact op het veiligheidsgevoel dan alle gemiddelden bij elkaar. Het aantal fiets- en autoradio-diefstallen mag met honderdduizend gedaald zijn, maar als in Amsterdam op klaarlichte dag meer afrekeningen in het crimineel milieu plaatsvinden dan in Palermo en Sofia samen, dan moet men niet raar opkijken dat het veiligheidsgevoel niet aan de ‘rationele’ beleidsstatistiek gehoorzaamt.

Je hoeft geen Einstein te zijn om te weten dat beleidsstatistiek en de geleefde werkelijkheid op gespannen voet met elkaar staan. Of je moet juist wel Einstein zijn, want van hem is een mooie uitspraak genoteerd die de cijfermatige, pseudo-wetenschappelijke benadering onderuit haalt: ‘Everything that can be counted does not necessarily count and everything that counts cannot necessarily be counted’.

Dan de aanname dat mensen denken dat vroeger alles beter was. Ook die valt te betwisten. De grote vraag is of er in onze hedendaagse cultuur nog wel een ‘vroeger’ bestaat. Onze samenleving heeft een totaal fucked-up historisch besef. We leven louter in het NU. Wat moeten we in godsnaam met tijden en mensen die niet eens over Internet beschikten? We leven met de rug naar verleden en traditie, en veinzen dat de toekomst fris en ‘geschiedenisloos’ voor ons ligt. Er is geen sprake van een geïdealiseerd verleden, maar van een gedesoriënteerd heden.

Men kan in nog zo’n mooi paradijs leven, een statistisch Eldorado, maar als men het gevoel heeft dat dat paradijs zich in de mist voortbeweegt, en dat men niet langer grip heeft op de krachten rondom, dan komt men dichterbij verklaringen van onbehagen, verweesdheid en onzekerheid. Een mens lijdt dikwijls ’t meest door 't lijden dat hij vreest.