De ziekte van Baumol is nog lang niet onder controle

Debat: Is de ziekte van Baumol uitgewoed?

De ‘ziekte van Baumol’ steekt de kop op als de productiviteitsontwikkeling in de publieke sector achterblijft bij die in de marktsector, terwijl de lonen in beide sectoren gelijk opgaan. Hierdoor wordt de publieke sector relatief steeds duurder. Om de overheidsfinanciën in balans te houden, dient vervolgens bezuinigd te worden of moeten de belastingen omhoog. De vraag die in dit debat centraal staat is of de ziekte van Baumol inmiddels is uitgewoed.

Bijdragen: 
4

Paul Bordewijk kijkt naar de verkeerde cijfers, stelt Paul de Beer. Niet het contractloon, maar het feitelijk verdiende loon bepaalt de productiekosten. En of je nu hoog of laag springt, de publieke sector wordt relatief duurder ten opzichte van de markt. De keus blijft bezuinigen of belastingen verhogen.

Sinds het kabinet Van Agt-Wiegel in 1977 aantrad met het bezuinigingsprogramma Bestek 81 heeft het budgettaire beleid van alle regeringen in het teken gestaan van bezuinigingen. Ongeacht de coalitie die aan de macht was - centrum-rechts, centrum-links of paars - en ongeacht de stand van de economie, bezuinigd werd er, zij het soms wat meer en soms wat minder. De bezuinigingen van het kabinet-Rutte zijn dan ook allerminst uniek, maar vormen de zoveelste in een lange reeks. Als bezuinigingen de afgelopen vijfendertig jaar een vast ingredient van het regeringsbeleid waren, dan moeten daaraan haast wel structurele oorzaken ten grondslag liggen, die losstaan van de politieke kleur van het kabinet of van economische voor- en tegenspoed. De Amerikaanse econoom William Baumol gaf hiervoor al in 1967 een overtuigende verklaring in zijn beroemde artikel Macroeconomics of unbalanced growth. Hoewel economen geen al te beste staat van dienst hebben in voorspellen, kan dit artikel als een van de meest profetische worden beschouwd die ooit door een sociale wetenschapper zijn geschreven.

De ‘ziekte van Baumol’ steekt de kop op als de productiviteitsontwikkeling in de publieke sector achterblijft bij die in de marktsector, terwijl de lonen in beide sectoren gelijk op gaan. Publieke diensten worden dan verhoudingsgewijs duurder ten opzichte van de goederen en diensten die de marktsector voortbrengt. Dan zijn er twee mogelijkheden: ofwel de kosten van de publieke diensten leggen een steeds groter beslag op het bruto binnenlands product, ofwel het volume van de publieke diensten blijft achter bij de productie van de marktsector. Het laatste betekent, in alledaags Nederlands, dat er bezuinigd wordt.

Paul Bordewijk meent nu dat de ziekte van Baumol is uitgewoed doordat de reele contractlonen in de marktsector de afgelopen dertig jaar niet meer zijn gestegen en (dus) ook de lonen in de publieke sector niet. Dit is echter een misvatting. Allereerst zijn het niet de contractlonen maar de feitelijk verdiende lonen (inclusief incidentele loonstijgingen ten gevolge van periodieken e.d.) die de kosten bepalen. Bordewijk erkent dat die sterker zijn gestegen dan de contractlonen, maar stelt dat dit niets te maken heeft met de ziekte van Baumol. Waarom, is mij een raadsel. Het gaat juist om de productiekosten per geleverde dienst en die worden niet bepaald door de contractlonen maar door de feitelijk verdiende lonen.

Belangrijker is echter dat het verschil in productiviteitsstijging tussen marktsector en publieke sector betekent dat de publieke diensten relatief duurder worden, dat wil zeggen: ten opzichte van marktgoederen en -diensten. Om het simpel te zeggen: als een tandarts dertig jaar geleden voor het vullen van een gaatje evenveel rekende als de prijs van een cd, is dit nu evenveel als twee cd’s. Verhoudingsgewijs betalen we nu veel meer voor de publieke diensten dan in het verleden. Als het verschil in productiviteitsstijging 2% per jaar bedraagt, zijn publieke diensten na vijfendertig jaar twee maal zo duur geworden ten opzichte van marktgoederen. Ook het recente onderzoek van het SCP, Waar voor ons belastinggeld?, laat zien dat de ziekte van Baumol nog allerminst onder controle is.

Alle andere beschouwingen over de achtergrond van de loonstijging en de productiviteitsontwikkeling zijn interessant, maar doen niets af aan de constatering dat publieke diensten relatief gezien duurder worden en daar gaat het bij de ziekte van Baumol om.

Als Bordewijk gelijk zou hebben, zou je verwachten dat we na dertig jaar van stijgende welvaart en stagnerende lonen niet meer hoeven te bezuinigen op de publieke uitgaven. Maar als Baumol nog steeds het gelijk aan zijn kant heeft, verklaart juist de stijging van de welvaart, die grotendeels te danken is aan de productiviteitsstijging in de marktsector, waarom er voorlopig geen einde zal komen aan de bezuinigingen. Ook niet als de PvdA in een volgend kabinet zal zitten. Pas als we bereid zijn de belastingdruk stapsgewijs te verhogen, zullen we aan de eindeloze spiraal van bezuinigingen kunnen ontsnappen.