Start eerst eens met een hervorming van het belastingstelsel

Het Piketty-debat

De Franse econoom Thomas Piketty zette met zijn boek 'Capital in the Twenty-first century' het vraagstuk van ongelijkheid weer op de politieke agenda, met het bewijs dat vermogen sneller groeit dan de economie, en de rijken dus steeds rijker worden.

Bijdragen: 
3

In de Piketty discussie wordt momenteel veel aandacht besteed aan de juistheid van de vermogenscijfersi maar dit is een afleidingsmaneuvre om de discussie over de noodzakelijke belastinghervormingen te ontgaan.

In Nederland is voldoende belastingstudies beschikbaar maar de politiek en met name de opeenvolgende staatssecretarissen en ministers van Financiën geven er de voorkeur aan om de belastinghervormingen te traineren. De CBS-vermogensstatistiekii leunt op de fiscale omschrijvingen van de vermogenscomponenteniii en helaas ook op de fiscale waarderings-grondslagen die de basis vormen van ons belastingstelsel. Van Bavel heeft hier in het WRR-rapport in het hoofdstuk Vermogensongelijkheid in Nederland. De vergeten dimensieiv in kwalitatieve zin uitgebreid aandacht aan besteed, kwantitatief kwam ook hij niet veel verder. De jaarlijkse CBS- vermogensstatistiek blijft ondanks de sinds 2011 integrale waarneming, waarbij het 10e vermogensdeciel er ineens € 19,5 mld. (2,8%) bijkreeg, gebreken vertonen en de CBS-toelichting bij de gegevensverzameling helpt ook niet echt.3 De media nemen de gegevens uit het CBS-persbericht klakkeloos over zonder zich in de leemtes van het cijfermateriaal te verdiepen.

De manier om de vermogensstatistieken te verbeteren is het belastingstelsel grondig op de helling te zetten en het inkomen uit vermogen integraal op basis van het werkelijke inkomen te belasten. Dit zal de grote vermogens meer belasten en de kleine vermogens worden door de lage interestvergoeding op spaargelden ontzien. Alle vermogenswinsten worden op reële basis belast door de werkelijk behaald vermogenswinst in box II en III bij het inkomen in box I te tellen en dit verzamelinkomen te belasten op basis van het schijventarief. Voor zover dit het bedrijfs-gebonden vermogen te veel belast, kan de belasting, onder renteverrekening, verschuldigd blijven. Gezien de hoogte van de huidige inflatie kan dan “grootmoedig” eindelijk ook een inflatiecorrectie op de vermogenswinst worden toegepast. Ook het huidige systeem biedt echter met enkele aanpassingen voldoende ruimte om een aanzienlijke verbetering door te voeren en daar zullen we ons hier toe beperken.
 
De vermogensstatistieken van het CBS zijn grotendeels ontleend aan de belastinggegevens en kennen daarmee dezelfde blinde vlekken. (zie tabel 1) Aanmerkelijk belang vermogen (bijna 100% 10e deciel) en ondernemingsvermogen worden gewaardeerd op kostprijs en niet op de waarde in het economisch verkeer, pensioenvermogens worden ten onrechte niet tot het vermogen gerekendvi en het bedrag aan kapitaal- en beleggingspolissen, deels aangehouden om de hypotheek af te lossen, is onbekend, om enkele belangrijke leemtes te noemen. Daarbij komt nog dat de Nederlandse schaduweconomie ca 9,1% bbp bedraagt.vii Daarbij zijn, zoals Bavel terecht stelt, “veel grote vermogens buiten het bereik van inventarisatie en van de belastingdienst gekomen” 2 zo die dat overigens ooit waren.

We zullen nu eerst de omvang van het huishoudvermogen in kaart brengen viii De blinde vlekken zijn in tabel 1 aangegeven met een vraagteken. Tevens valt uit tabel 1 op te maken welke vermogenscomponenten de leemtes in de belastingheffing op vermogen veroorzaken. Volgens tabel 1 bedroeg het huishoudvermogen in 2011 € 2,140 mld. dat is 974 mld. meer dan het CBS ons wil doen geloven. Hiervan had 169 mld. betrekking op aanmerkelijk belang en ondernemings-vermogen, die in box I en box II worden belast. Per saldo komt dus € 1.971 mld. theoretisch in aanmerking voor de vermogensrendementsheffing (VRH). De levensverzekeringen (2012: 145,6 mld.) en het pensioenvermogen (indicatief 2012: € 826 mld.) worden door het CBS niet tot het huishoudvermogen gerekend. In Nederland wordt het daarvoor in aanmerking komend vermogen van de huishoudens slechts belast met € 3,8 mld. VRH en € 2,9 mld. eigenwoning-forfait. Dat komt overeen met 0,34% vermogensbelasting over de eerder genoemde € 1.971. Pensioenvermogen is geheel en het eigen huis praktisch geheel vrijgesteld van vermogens-belasting. De pensioenreserves zijn voor 65% opgenomen na aftrek van een 35% latente belastingclaim van de staat bij uitkering van die reserves, iets wat DNB, CBS en CPB systematisch nalaten als zij het pensioenvermogen van de huishoudens rapporteren.

Het CBS geeft een vermogensverdeling op basis van inkomen en op basis van vermogen. Het 10e vermogensdeciel bezit in 2012 € 713,7 mld., 61% van het totale vermogen en gemiddeld € 964.000. Het 10e inkomensdeciel bezit € 340,2 mld. vermogen, 29% van het totale vermogen en gemiddeld € 459.000.

De vermogenscomponenten die het verschil tussen het 10e vermogens- en inkomensdeciel veroorzaken blijken uit tabel 1. Voor het 10e inkomensdeciel is de pensioenreserve, bij gebrek aan beter cijfermateriaal, indicatief op basis van 40% toegerekend.10 Tellen we voor het 10e inkomensdeciel het pensioenvermogen mee dan komen we indicatief uit op een vermogen van € 670,6 mld., 31% van het totale vermogen en gemiddeld € 842.000. Als je bepaalde componenten niet of laag belast culmineert dat op termijn in het vermogen. Ook wordt het bruto-inkomen in de statistieken te laag en de inkomensverdeling onjuist voorgesteld.

De pensioenreserves bedroegen eind 2012 ca € 1.271 mld.ix, hierop heeft de staat een belastingclaim van ca. € 445 mld., meer dan onze EMU-overheidsschuld (€ 427 mld.). Jaarlijks derft de staat langdurig, zo niet eeuwig, € 20 mld. aan belastingen door de omkeerregel pensioenen, waarbij pensioenpremies van totaal € 43,4 mld. tegen gemiddeld 46% worden afgetrokken (werknemersdeel) of buiten de belastingheffing worden gehouden (werkgeversdeel). Van die aftrek profiteert de top 30% van de inkomensdecielen voor ca 78% en de top 10% zelfs voor ca 40% (2008).x De hoge inkomens profiteren dus in het bijzonder van de fiscale behandeling van het eigen huis en de belastingvrijstelling van het rendement op de pensioenreserves. De pensioenpremie is van 1997 tot 2013 toegenomen van 0,9% bbp naar 5,6% bbp, inclusief derde pijler is de premie eind 2013 zelfs 7,2% bbp. We sparen tegen de klippen op ( € 826 mld.) en toch klaagt “men” over de schulden van de huishoudens. Voor de overheid geldt dat de cumulatieve belastingderving voor de periode 1997-2012 alleen al voor de vrijgestelde pensioenpremie van de pensioenfondsen groter is dan het cumulatieve EMU- tekort in die periode, dat is dus exclusief de derde pijler. Door de aftopping zal de belastingderving overigens teruglopen, de huidige pensioenreserves blijven echter uitermate scheef verdeeld.

"Volgens het CBS had in 2012 de rijkste 1 procent van Nederland (74 duizend huishoudens) 273 miljard euro vermogen. Dat is 23,4 procent van het totaal (cm: € 1.166,2 mld.) , goed voor gemiddeld 3,7 miljoen euro per huishouden." xi Dat € 273 mld. vermogen had dus € 3,3 mld. VRH (zonder vrijstelling) moeten opbrengen of 86% van de huidige opbrengst van € 3,8 mld. Voor de 1 procent topinkomens weten we dat zij een aandeel hebben van 9% in de pensioenpremie-aftrek.xii We kunnen dus indicatief € 74 mld. (9% van € 826 mld.) bij hun vermogen tellen (3,7% van totaal € 1.992,4 mld., exclusief levensverzekeringen). Helaas is dit cijfer voor 1% top-vermogens niet bekend. Maar het zal duidelijk zijn dat onze nationale boekhouders maar een deel van het verhaal vertellen.  

Belastingen zijn de belastingen in box 1, 2 en 3, inclusief de premies voor de volksverzekeringen AOW, Anw en AWBZ. De voorgestane belastinghervormingen zijn in tabel 2 samengevat. Deze hervormingen worden gerelateerd aan de meest recente inkomensstatistieken. (2011).xiii Geen van de voorgestane belastinghervormingen is nieuw. Ze zijn allemaal wel in een of andere belastingstudie aan de orde geweest. Het effect van deze hervormingen is dat het belastbaar inkomen van € 340 mld. met € 136 mld. toeneemt (40%) en het bruto-inkomen van € 419 mld. maar met € 43 mld. (10 %).xiv De aanpassingen reflecteren het grotere belang dat aan inkomen uit vermogen wordt toegekend. Het zal duidelijk zijn dat de verhoging van het bruto-inkomen ook een ander zicht geeft op de werkelijke inkomensverdeling. Per saldo zal de belastingopbrengst door de voorstellen met € 70,7 mld. toenemen, waarvan € 12,5 mld. toeslagen moet worden doorgeschoven naar de groep die nu van de toeslagen profiteert. Hiervan is € 50,6 mld. met de huidige gegevens min of meer toerekenbaar aan de inkomensdecielen en het 10e deciel neemt hiervan € 19,8 mld. (39%) voor zijn rekening. Van de stijging van het belastbaar inkomen van de aan decielen toerekenbare posten is het top 10% aandeel in de stijging ook 39%. Het effect wordt gemitigeerd doordat inkomen uit vermogen tegen 30% wordt belast.
 
Afschaffing van de omkeeregel pensioenenxv en de aftrek lijfrente e.d  leveren ca. € 21 mld. op en de VRH pensioenen nog eens € 10 mld. De hypotheekrenteaftrek geleidelijk opdoeken onder storno van 4,1 mld. belastingenxvi maakt ca € 8 mld. beschikbaar. Daar komt ca € 6 mld. aan VRH eigen woning bovenop.  De ondernemers worden momenteel in de watten gelegd. Afschaffing van die faciliteiten en een reëlere belasting van het aanmerkelijk belang inkomen zal ca € 5,7 mld. opleveren.  De rijkere ouderen worden gezien hun pensioeninkomen te veel ontzien.

Afschaffing van het IB-seniorentarief en fiscaliseren van de AOW conform de commissie Don levert € 7,6 mld. op. De AOW-, Anw- , zorgverzekering- en AWBZ-premie kunnen overigens worden geïncorporeerd in één belastingheffing. De heffingsgrondslag vrijstelling van box 3 gaat naar box 1. (€ 1,6 mld). In totaal komt zo € 58,2 mld. beschikbaar voor belastinghervormingen in box I.
 
Blijft nog het probleem van de toeslagen. We gaven in 2011 in totaal € 12,5 mld. aan toeslag uit aan 9.1 mld. toeslagontvangers (sic). Als 6 mln. zorgtoelagen en 1,3 mln. huurtoeslagen worden toegekend dan is er iets fundamenteel mis met ons belastingstelsel. Die toeslagen heffen we dus integraal op door een negatieve belasting mogelijk te maken en hiermee komt nog eens € 12,5 mld. beschikbaar.

Bij een gelijke belastinglast van de boxen 1, 2 en 3 gezamenlijk van ca € 70 mld. netto (2011), komt € 70,7 mld. beschikbaar om ons belastingstelsel opnieuw in te richten. Ter geruststelling: per saldo wordt de resulterende belastingverhoging integraal teruggegeven. De ontvangers zullen echter niet dezelfde personen zijn dan de personen die de extra belasting betalen. Het is in elke geval een mooie gelegenheid om de belasting op arbeid flink te verlagen.

Dit is een mooie opgave voor de denktank die de Wiardi Beckman Stichting toch wil zijn. Wanneer was ook weer het laatste grondige rapport van de PvdA over dit onderwerp?  Het eerste en helaas ook het laatste dat mij te binnen schiet was Wenkend perspectief vanDirk Roemers. Maar dat niveau bestaat helaas niet meer binnen de PvdA en het FNV: Paul Tang moest zo nodig naar Brussel. Dan maar iets voor een staatscommissie?

Noten
1  Thomas Piketty, “Technical appendix of the book « Capital in the twenty-first century»Appendix to chapter 10. Inequality of Capital Ownership .Addendum: Response to FT”
http://piketty.pse.ens.fr/files/capital21c/en/Piketty2014TechnicalAppend...

2  CBS, Statline, http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=80056NED&D1=a&D2=0&D3=a&D4=1-7&HDR=G1,G3,T&STB=G2&VW=T

3 (a) CBS, Noortje Pouwels-Urlings, “uitgebreide onderzoeksbeschrijving statistiek Vermogens van huishoudens”, 18-4-2014,http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/2B191D77-5314-42B2-9B19-0A98EF7AF642/0/2014onderzoeksbeschrijvingvermogensstatistiek.pdf 
(b) CBS, Jack Claessen, “Procesbeschrijving statistiek Vermogens huishoudens – Vermogensstatistiek”, 6-1-2010, http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/6454E2F2-073E-4301-9575-88FFF76A6BE8/0/2010procesbeschrijvingvermogenshuishoudensart.pdf

4  WRR, Monique Kremer, Mark Bovens, Erik Schrijver & Robert Went, “Hoe ongelijk is Nederland. Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid”, Amsterdam University Press, 2014, blz. 79-92.

5 In totaal nam het huishoudvermogen bij de integrale waarnemingsaanpassing in 2011 met € 22,7 mld. toe. Hiervan nam het 10e vermogensdeciel € 19,5 mld voor zijn rekening. De cijfers van 2010 en voorgaande jaren moeten nog worden aangepast. Dit betekent dat over de vermogensontwikkeling van het 10e vermogensdeciel niet veel zinnigs valt te zeggen tot de CBS-statistieken zijn aangepast. Het bewijst weer eens dat panel surveys notoir onbetrouwbaar zijn voor het hoogste deciel. (zie ook 1 & 2)

6 Bavel2 is van mening dat dat het pensioenvermogen als uitgesteld inkomen illiquide is en niet eenvoudig liquide te maken valt. Daarom mag het volgens hem niet tot de private rijkdom worden gerekend. Hij miskent daarbij dat 50% van die pensioenreserves al van de boven 65-jarigen zijn en dat dit aandeel de komende 15 jaar oploopt tot twee derde. (Kuné 2009) Een groot deel van het pensioenvermogen komt dus “op middellange termijn beschikbaar als besteedbaar inkomen“, geheel passend binnen de vermogensdefinitie van het CBS. Op de koppeling vermogen/besteedbaar inkomen valt het nodige af te dingen.

7   Friedrich Schneider, “Size and Development of the Shadow Economy of 31 European and 5 other OECD Countries from 2003 to2013: A Further Decline”,http://www.econ.jku.at/members/Schneider/files/publications/2013/ShadEcEurope31_

8  De gegevens in tabel 1 zijn ontleend aan CBS statline en de pensioenfonds en levensverzekeringsmaatschappijen statistiek van DNB. De pensioenvermogen gegevens van het CBS en DNB zijn te beperkt. In werkelijkheid is het pensioenvermogen hoger omdat ook de derde pijler die niet in de statistieken voorkomt, wel moet worden meegenomen.

9 Knot kwam eind 2012 op een pensioenreserves van bruto € 212% bbp of € 1,271 mld. voor de aftrek latente belastingclaim van de staat. Het CPB kwam eind 2012 op bruto € 1.257 mld. in zijn opstelling van de balans van Nederlandse huishoudens met een totaal vermogen van € 2.587 mld. [Frank van Es, Henk Kranendonk, Vermogensschokken en consumptie in Nederland, CPB achtergrond document, http://www.cpb.nl/publicatie/vermogensschokken-en-consumptie-nederland]De derde pijler bedraagt voor 2012 ca € 211 mld. bruto. Het CBS noemt € 900 mld. als pensioenvermogen en heeft mij gemaild dat dit alleen de tweede pijler pensioenen betreft, maar zelfs dan zitten ze er volgens het DNB naast. (zie tabel 1) Bavel2 gaat uit van € 1.000 mld. Beide bedragen zijn kennelijk bruto.

10 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-20072008-31200-B.html

11 VK, “Rijkste 1 procent bezit bijna een kwart van alle vermogen”,”
 http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2680/Economie/article/detail/3633892/2014/04/12/Rijkste-1-procent-bezit-bijna-een-kwart-van-alle-vermogen.dhtml

12  Wiemer Salverda, “De cijfers, ongelijkheid ook in Nederland”,
 http://wbs.nl/system/files/piketty_socialisme_en_democratie_webeditie_20_mei_2014_0.pdf
Salverda komt voor arbeidsinkomen op 45% voor de top 10% en 9% voor de top 1%. Dat cijfers is dus exclusief derde pijler en dus te laag. Helaas zijn de cijfers voor de vermogensdecielen niet bekend.

13 Het onderliggende cijfermateriaal vindt u hier: http://cormol.wordpress.com/2014/05/20/belastinghervormingen-2/

14 Ik waag mij niet aan een aanpassing van het bruto-inkomen voor het eigen woning inkomen (Salverda12) en de pensioenpremie derde pijler. Het eigen woning inkomen zou natuurlijk best op 4,5% van de WOZ-waarde gesteld kunnen worden in plaats van het eigenwoningforfait in de huidige statistiek.

15 Het voert te ver om dit onderwerp in deze bijdrage uitgebreid te behandelen. Opheffing van de omkeeregel heeft geen effect op de toekomstige cash flow van de overheid. Dat valt als volgt in te zien: (1) De toekomstige premies over een vermoedelijk hoger inkomen zijn na afschaffing omkeerregel belast. (2) De pensioenreserves blijven stijgen (zie ABP prognose) en de latente belastingclaim komt dus nooit tot uitkering. Voor de overheidsfinanciën gedraagt die claim zich dus als een Zwart Gat, waarover de overheid qua beleggingsbeleid ook nog eens niets te vertellen heeft en die er voor zorgt dat onze niet bestaande overheidsschuld blijft oplopen. Door de omkeerregel betalen de huidige belastingbetalers bij een begrotingsevenwicht twee keer belasting: één keer bij uitkering van hun pensioen en één keer om het gat dat zo ontslaat in de belastingheffing op het huidige uitgestelde inkomen aan te vullen. Het systeem is dus ook nog in flagrante strijd met het algemeen aanvaarde matching principle. Een bijkomend voordeel is dat de staatschuld wordt afgelost en € 11 mld. rente niet meer hoeft te worden betaald. Een nadeel is natuurlijk dat de ca € 8 mld. winst de we jaarlijks als rendement in de pensioenfondsen maakten door leverage op de overheidsschuld wegvalt, maar dat bedrag kende toch bijna niemand.

16  Aangezien in de periode 1997 t/m 2007 de HRA met 300% is gestegen en het bbp in die zelfde periode maar met 95% steeg, ligt een volledige restitutie van de HRA bij afschaffing niet voor de hand. Die stijging is immers ten koste van de overige belastingbetalers gegaan.