Een nieuwe vakbond

Een half jaar lang hadden kwartiermakers onder aanvoering van Jetta Klijnsma eraan gewerkt, en 23 juni was het dan zover: de oprichting van de nieuwe vakbond die de verscheurde FNV moet gaan opvolgen. Bijna alle bij de FNV aangesloten vakbonden gaan mee naar de vernieuwde organisatie, die de Vakbeweging is gedoopt. Het is evenwel de vraag of het succes van de nieuwe vakbond hiermee een feit is. Pas volgend jaar mei moet de Vakbeweging echt van start gaan, en zal blijken of het construct waar zij op moet gaan leunen, het houdt.

Frans Becker en Pim Paulusma vresen dat de discussie over de Vakbeweging zich vooral zal toespitsen op machtsverhoudingen en besluitvormingsstructuren – thema’s die nu juist de oorzaak waren van de FNV-crisis na het in de SER gesloten pensioenakkoord. Liever zien zij een discussie over de inhoudelijke koers die de nieuwe bond moet gaan varen.

In Een agenda voor een nieuwe vakbeweging pleiten Frans Becker en Pim Paulusma voor een nieuwe agenda voor de vakbeweging, die zowel oude als mogelijke nieuwe leden kan aanspreken. Een agenda die:

  • op bedrijfsniveau tegenwicht biedt aan de doorgeschoten financialisering van ondernemingen;
  • een antwoord biedt op de sterk toegenomen flexibilisering op de arbeidsmarkt,
  • de kwaliteit van het werk weer centraal stelt;
  • nieuwe vormen van collectieve actie ontwikkelt en laat zien dat samen optrekken op de werkvloer nut heeft.

Wij hebben Jeroen Sprengers en Ton Korver deze suggesties voorgelegd met de vraag of hiermee de juiste onderwerpen worden aangesneden. Beiden zouden onder andere graag ook zien dat een nieuwe vakbeweging beter wordt ingericht op de hedendaagse internationale markt. Debatteer mee door uw suggesties en aanvullingen op de agendapunten van Paulusma en Becker te geven.

Ton Korver
Wordt het nog wat?
Jeroen Sprengers
Een kip vliegt nooit hoog
Frans Becker, Pim Paulusma
Een agenda voor een nieuwe vakbeweging

Thema's: 

Belangenbehartiging working poor
Zij vraagt gezien de toenemende diversiteit aan “relevante” problemen onder de leden van de (doel)groep van working poor qua belangenbehartiging om een zeer diverse aanpak. Het betreft immers een naar mogelijke al dan niet meervoudige functionele beperking en daarmee samenhangend aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden (op termijn) een in toenemende mate een divers samengestelde (doel)groep.

Rekening dienen wij daarbij bij een groot gedeelte van de doelgroep ook in belangrijke mate te houden met een vaak beperkte sociale omgeving. Daar waar men echter in de belangenbehartiging strikt uit zal gaan van de doelstelling het komen tot 1 regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt, zal deze al dan niet op termijn velen alsnog op een dood spoor doen belanden. Daar de duurzame ontwikkeling van een burger niet altijd centraal staat. Een dynamische, op de lange termijn gerichte ontwikkeling van burgers blijft verder ook vaak te stoten op tal van formele en informele blokkades.

(In)formele positieve overgangen, waarbij de ontwikkeling van afzonderlijke burgers centraal staat, dient men dan ook meer in de op een afzonderlijke burger toegesneden aard en wijze in de belangenbehartiging een rol van toenemende betekenis te laten spelen. Beperkte administratieve denkramen daarmee naar de zijkant drukkend en de persoonlijke ontwikkeling van een burger meer centraal te stellen.

Centraal dienen wij dus ook bij het als nieuwe vakbeweging ontwikkelen van een visie hoe deze brede groep te bereiken, naast aandacht voor primair het vraagstuk van de internationalisering en globalisering, centraal te stellen het punt van de sociale omgeving van burgers. En daarmee dus uit te gaan van een vaak “benodigd” blijvende maatwerkbenadering in de dienstverlening en bij de belangenbehartiging. En niet steeds het mythische administratieve begrip “afstand” tot de arbeidsmarkt maar steeds centraal te blijven stellen in de beperkte denkramen.

De burger, die door een toenemende diversiteit aan oorzaken en gevolgen een schrammetje heeft opgelopen en daardoor met een vlekje rond blijft lopen. En ook als working poor vaak een divers aspiratieniveau, capaciteiten en potentiële mogelijkheden blijft houden. En daarmee een zeer divers beroep zal (blijven) doen op ondersteuning en belangenbehartiging. De standaard modelburgermaatstaf voor de vormgeving van het mainstream beleid en belangenbehartiging bestaat immers in belangrijke mate al lang niet meer.

Sociale verbanden van burgers in toenemende verscheidenheid, die daarmee in sterke mate anders zijn komen te liggen, dienen in de belangenbehartiging een steeds grotere belangrijkere rol van betekenis te spelen. Maatschappelijke samenhang komt daarmee vaak in een andere relatie tot administratieve recht- en regelgeving te staan.

Ondersteuning door de (semi)overheid e.a. vraagt daarmee ook hier richting een afzonderlijke working poor in toenemende mate om een meer diverse individuele invulling. Naast een benodigd blijvend meer generieke beleidsvorming voor specifieke kwetsbare groepen als laagopgeleiden en (potentiële) Wajongers.

Het daarnaast als individu duurzaam (blijven) beschikken - ook in perioden van tegenspoed - over voldoende sociaal kapitaal wordt van toenemend belang. Hetgeen ook in toenemende verscheidenheid zijn gevolgen zal hebben voor de concrete invulling van de dienstverlening/ belangenbehartiging. Formele en maatschappelijke blokkades komen daarbij in een andere verhouding tot elkaar te staan richting de burger. Het zal daarmee in toenemende verscheidenheid een druk op het komen tot een moderne belangenbehartiging leggen. Ook de nieuwe vakbeweging zal hier een adequate visie op dienen te ontwikkelen.