Twee weken geleden schreef ik over arbeidsmarktpositie van (aankomend) medisch specialisten. Eén van de conclusies was dat oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken soms niet van de grond komen omdat alleen naar de knelpunten binnen de eigen sector wordt gekeken. Initiatieven om bijvoorbeeld een burn-out te voorkómen worden niet gekoppeld aan werkloosheidscijfers van medisch specialisten of het tekort aan opleidingsplaatsen. Men kijkt alleen naar het eigen kostenplaatje en niet naar het grotere geheel. Terwijl de totale maatschappelijke opbrengst, in welvaart en welzijn, zou kunnen stijgen als dat wel zou gebeuren. Dit speelt niet alleen bij de (aankomend) medisch specialisten.

De afgelopen zomer trokken werkgevers in de bouw, metaal en de installatiebranche aan de bel: veel werknemers in deze bedrijfstakken worden ziek of arbeidsongeschikt vóór zij de AOW-leeftijd bereiken en dat zal, naarmate de AOW-leeftijd verder verhoogd wordt, alleen maar toenemen. Zij pleitten voor een soepeler toepassing van de AOW-leeftijd voor zware beroepen. Er kwamen onmiddellijk tegenwerpingen. Zo is het bijvoorbeeld niet eenvoudig vast te stellen welke beroepen hieronder vallen.

Op zichzelf ben ik niet tegen een verhoging van de AOW-leeftijd. Als we allemaal ouder worden is het logisch dat we langer doorwerken. Maar daar passen wel twee kanttekeningen bij: we worden niet allemaal evenveel ouder. Lager opgeleiden leven gemiddeld 7 jaar korter dan hoogopgeleiden. En we worden al helemaal niet even gezond ouder. Lager opgeleiden ervaren hun gezondheid gemiddeld 53 jaar als ‘goed’, voor hoogopgeleiden is dat 72 jaar. Raymond Montizaan, verbonden aan het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt van de Universiteit van Maastricht, publiceerde er in juni van dit jaar een rapport over. Hij constateerde dat laagopgeleiden langer doorwerken dan hoogopgeleiden. De oorzaak hiervoor ligt in het feit dat veel lager opgeleiden het zich financieel niet kunnen permitteren om met vervroegd of deeltijdpensioen te gaan. Zij werken vaak door met lichamelijke klachten.

Er is wel voorgesteld om de AOW-leeftijd te koppelen aan het aantal jaren dat iemand gewerkt heeft. Veel zware beroepen worden vervuld door mensen met een korte opleiding, die dus ook eerder zijn begonnen met werken, soms al op hun zestiende. 45 gewerkte jaren zou een criterium voor de AOW-leeftijd kunnen zijn, zoals bijvoorbeeld in Duitsland het geval is. Dat zou betekenen dat iemand die op zijn 25e is begonnen doorwerkt tot zijn of haar 70e, terwijl iemand die op zijn 18e is gestart op zijn of haar 63e kan stoppen.

Ook tegen deze gedachte zijn bezwaren aangevoerd. Zo zou een verschil in AOW-leeftijd de essentie van een Algemene Volksverzekering aantasten. Dat lijkt me niet juist. In de praktijk is er al een verschil in pensioenleeftijd. Hoger opgeleiden kunnen het zich veroorloven eerder met pensioen te gaan, ook als ze nog niet AOW-gerechtigd zijn, terwijl de AOW voor lager opgeleiden een onmisbaar bestanddeel van het inkomen is. De AOW is dus geen voorziening meer die voor iedereen hetzelfde is; hij pakt voor verschillende groepen anders uit. Als het effect niet meer overeenkomt met wat beoogd was, is er alle reden om opnieuw naar het stelsel te kijken. Er zullen ongetwijfeld haken en ogen aan zitten, maar dat is geen reden om niet te proberen een evidente onrechtvaardigheid te corrigeren.

Er is nog een tweede reden om dit probleem aan te pakken. De gezondheidszorg is bezig met een omslag van ‘genezen’ naar ‘voorkómen’. Dat leidt niet alleen tot verhoging van het welzijn, maar ook tot besparing van kosten. Iedereen kan zien aankomen dat, als mensen met zware beroepen nu al gezondheidsklachten hebben vóór zij AOW-gerechtigd zijn, dit zal toenemen als de AOW-leeftijd nog verder verhoogd wordt. Dat schaadt niet alleen hun welzijn, maar leidt ook tot stijging van de kosten van de gezondheidszorg.

Lees hier alle onderzoek zorg blogs