Toen in 1969 mijn moeder onverwacht overleed, bleef mijn vader achter met zes kinderen.
De jongste was een peuter. De enige steun die de overheid voor ons gezin in de aanbieding
had bestond eruit dat de drie jongste kinderen zouden worden ondergebracht in een tehuis.
Een slordige ƒ 2400 per maand zou dat kosten. Het inhuren van een gezinshulp, hoewel stukken goedkoper, behoorde niet tot de mogelijkheden. Mijn vader zou zo’n uitgave wel van de belasting mogen aftrekken, maar als je de rekening om te beginnen al niet kunt betalen heb je daar weinig aan.