De Partij van de Arbeid heeft het instituut Eerste Kamer nooit enthousiast omarmd. Het standpunt dat de Eerste Kamer moet worden opgeheven is weliswaar verlaten, maar de verhouding blijft soms moeizaam. Dat wordt voelbaar als de PvdA onderdeel vormt van de regering en vooral als het kabinet geen meerderheid heeft in de senaat, zoals nu het geval is.

Ik kan me ook wel iets voorstellen bij dit ongemak. De senaat wordt in de huidige situatie een politieke machtsfactor, terwijl de invloed van de kiezers op de samenstelling van de Eerste Kamer uiterst beperkt is. De partij draagt kandidaten voor, het congres stelt de lijst vast en uiteindelijk kiest een beperkt aantal leden van de Provinciale Staten de leden van de Eerste Kamer. Hoewel binnen de partij nadrukkelijk is afgesproken dat deze leden de vastgestelde lijst volgen, kunnen zij daarvan afwijken en een voorkeursstem uitbrengen.

En dat gebeurt ook regelmatig — ook bij de andere partijen. Deze situatie schuurt met ons beginselprogramma: ‘Alle politieke macht moet gebaseerd zijn op een mandaat van de kiezers.’

De politieke macht van senatoren berust in het gunstigste geval op een mandaat van het partij-congres, de kiezer komt er niet aan te pas. Wat mij betreft zou het mandaat van de Eerste Kamer versterkt kunnen worden door de leden rechtstreeks te laten kiezen.

Het bezwaar dat de Eerste Kamer daarmee een kopie van de Tweede Kamer zou worden deel ik niet. Essentieel is dat voor kiezers duidelijk is dat zij hun stem uitbrengen op vertegen-woordigers met een specifieke functie: het bewaken van de kwaliteit van de wetgeving. Precies die functie wordt in de op het laatste partijcongres vastgestelde statuten onderuitgehaald.

In deze statuten is onder meer opgenomen dat kandidaten voor de Eerste Kamer een eventueel regeerakkoord moeten onderschrijven. Deze eis bindt senatoren nauwer aan de partij, maar is de doodsteek voor het instituut Eerste Kamer. De senaat wordt hiermee een verlengstuk van de Tweede Kamer.

De Eerste Kamer is in 1815 onder meer ingesteld ‘ten einde alle overijling in de raadplegingen te voorkómen, [en] in moeilijke tijden aan de driften heilzame palen te stellen’. Wat mij betreft ligt de waarde van de Eerste Kamer bijna twee eeuwen later nog steeds in deze overwegingen. De Eerste Kamer fungeert als ‘laatste toets’. Wetsvoorstellen die echt niet door de beugel kunnen moeten door de Eerste Kamer verworpen kunnen worden.

Natuurlijk zit iedereen namens zijn of haar partij in de Kamer en zijn Eerste Kamerleden ook loyaal aan hun partij, maar voor de specifieke functie van de senaat is een zekere onafhankelijk-heid vereist. Het onderschrijven van een regeerakkoord staat daar haaks op. Het is bovendien in strijd met het grondwettelijk mandaat van Eerste Kamerleden om te oordelen zonder last.

Het is het één of het ander. Als er geen behoefte is om de kwaliteit van wetgeving te toetsen moet de Eerste Kamer worden opgeheven. Als die er wel is moeten senatoren hun werk ook kunnen doen, zonder gebondenheid aan een regeerakkoord. Puntje voor het volgende congres?