Vlak voor kerst werd het wetsvoorstel om de vrije artsenkeuze te beperken in de Eerste Kamer verworpen. Wat heeft de sociaaldemocratische senatoren tot hun afwijzende opstelling gebracht? En hoe moet het nu verder?

Het wetsvoorstel om de vrije artsenkeuze te beperken is een nadere uitwerking van de Zorgverzekeringswet (ZVW) die in 2006 van kracht werd. Onder dit stelsel is iedere ingezetene verplicht zich te verzekeren tegen ziektekosten. Zorgverzekeraars concurreerden om de gunst van de verzekerde. In dit spel van vraag en aanbod gingen zorgaanbieders zich inspannen om met een scherp geprijsd en kwalitatief hoog aanbod een aantrekkelijke partner voor de verzekeraar te zijn en kreeg de verzekerde bovendien meer keuzemogelijkheden.

Een zorgverzekeraar die te duur was of een te mager pakket bood, prijsde zichzelf automatisch uit de markt, was de gedachte. De bedoeling was dat de ZVW zou leiden tot betere en goedkopere zorg. Daartoe kregen verzekeraars het recht om over een toenemend deel van de beschikbare zorg te onderhandelen met zorgaanbieders. Verzekeraars zouden zorgaanbieders die kwalitatief onder de maat presteerden of te duur waren niet meer contracteren.

Daarbij hebben verzekeraars te maken met één beperking: als een verzekerde zich laat behandelen door een zorgaanbieder die niet door hen gecontracteerd is, moeten ze toch 75 % tot 80 % van de gedeclareerde kosten vergoeden. Dit werd en wordt door de minister gezien als een obstakel om kwalitatief slechte of dure zorgaanbieders uit het vergoedingssysteem te filteren. Het kabinet wil daarom verzekeraars het recht geven om uitsluitend nog de kosten te vergoeden van instellingen die door hen gecontracteerd zijn.

Lees de rest van het artikel in de PDF.