We staan aan de vooravond van grote veranderingen in de zorg. Natuurlijk worden deze ingegeven door bezuinigingen, maar de verantwoordelijke bewinds-personen hebben ook een andere aanpak voor ogen.

De veranderingen in de zorg moeten tot twee effecten leiden: de zorgvrager moet weer centraal komen te staan (‘van structuren naar mensen’) en burgers moeten eerst kijken wat zij zelf kunnen doen. Samenwerking is daarbij cruciaal. Minister Schippers wil dat ziekenhuizen meer zorgverlener worden, met alle neuzen één kant op. Staatssecretaris Van Rijn liet zich onlangs in Buitenhof in soortgelijke bewoordingen uit: werkers in de zorg en mantelzorgers moeten gezamenlijk bekijken wat iemand nodig heeft en wie daarbij wat kan leveren.

Deze nieuwe aanpak past niet naadloos in het huidige regime in de zorg, dat vooral gericht is op het bevorderen van marktwerking. Concurrentie moet ertoe leiden dat organisaties het beste product leveren tegen een zo laag mogelijke prijs. Maar in een krimpende markt, en dat is waar het kabinet op aanstuurt, werkt dat niet altijd zo. Het kan in ieders belang zijn als bijvoorbeeld aanbieders van thuiszorg onderling afspraken maken, zodat medewerkers hun baan houden, cliënten kunnen blijven rekenen op hun vertrouwde hulpverlener en zorgaanbieders weten waar zij aan toe zijn. Dat is echter een ‘marktverdelingsafspraak’ en die zijn in principe verboden: dergelijke afspraken nemen de prikkel weg om te innoveren en op prijs te concurreren. (Hoewel je je kunt afvragen of een verdere verlaging van salarissen in de thuiszorg nog verantwoord is.)

Concurrentie kan bovendien tot gevolg hebben dat maatschappelijk gewenste voorzieningen niet gerealiseerd worden. Bijvoorbeeld: een woningcorporatie wil samen met een aanbieder van thuiszorg een complex ouderenwoningen bouwen. Het is in dat geval logisch dat de thuiszorg-organisatie garanties vraagt dat ouderen die zorg nodig hebben deze ook bij die organisatie zullen afnemen. Ook dat is een in principe verboden marktverdelingsafspraak.

De kans dat het complex er komt, is klein. Een integrale aanpak vraagt om een herbezinning op de rol van de overheid. Er is niet alleen samenwerking tussen professionals en de cliënt en zijn netwerk nodig, maar ook tussen zorgaanbieders onderling. Dat is nooit eenvoudig, want zij zullen dan soms moeten erkennen dat een ander beter in staat is om ‘hun’ dienst te leveren. In dat proces zijn afspraken onontbeerlijk.

Het kabinet zou er goed aan doen nog eens te bezien of een zo efficiënt mogelijke zorg niet méér gebaat is bij het faciliteren van samenwerking dan bij het belemmeren daarvan. Op de tweede plaats moet ook de overheid zich afvragen wat zij zelf kan doen. Het belangrijkste argument voor minister Schippers om winstuitkering in ziekenhuizen toe te staan is dat ziekenhuizen een acuut probleem hebben: ze hebben te weinig vermogen en banken lenen hun daarom geen geld of alleen tegen een hoge rente. Waarom zou de overheid niet zelf in dit gat springen en ziekenhuizen leningen verstrekken tegen een redelijke rente?

Zorg is een collectief goed. De overheid vraagt terecht van burgers om hier zuinig mee om te springen, de eigen verantwoordelijkheid te nemen en niet alles van de overheid te verwachten. Die eis moet de overheid ook aan zichzelf stellen: eerst kijken naar wat de overheid zelf kan doen en niet alles van de markt verwachten.