Wat verklaart de zorgen van Nederlanders over de islam? Een onderbelichte factor is wankelmoedig optreden van hogerhand, meent Marijke Linthorst. Een overheid die voor gelovigen andere regels laat gelden dan voor niet-gelovigen zondigt tegen het grondbeginsel van gelijke behandeling voor de wet. Tegen godsdienstleraren die ‘kinderen en jongeren opzetten tegen hun Nederlandse medeburgers’ moet worden opgetreden.

Het groeiende aantal islamitische symbolen in het publieke domein – van moskeeën tot hoofddoekjes - roept de vraag op welke ruimte wij religies willen toekennen om zich daar te manifesteren. Dat deze vraag opkomt ligt niet aan de religieuze uitingen als zodanig. Kerken zijn er al sinds eeuwen en ook ‘strengere’ symbolen als zwarte kousen en rooms-katholieke processies zijn geen onbekend verschijnsel. Ook het fenomeen dat sommige geloofsuitingen irritatie opwekken bij niet-gelovigen is niet nieuw. In Zuid-Limburg diende onlangs een rechtszaak die draaide om de vraag hoeveel decibellen een kerkklok mag produceren. Toch is de commotie aanmerkelijk heviger als het islamitische geloofsuitingen gaat. Hoe komt dat, terwijl Nederland toch een geschiedenis heeft van religieuze diversiteit?
Lang is gehandeld naar de gedachte dat ‘het zichzelf wel zou wijzen’. Binnen de marges van het principe van scheiding van kerk en staat heeft de overheid altijd ruimhartig invulling gegeven aan de vrijheid van godsdienst. Een klassiek voorbeeld vormt de vrijheid van onderwijs. Wie een school wil stichten op een specifieke grondslag en kan aantonen dat daar voldoende belangstelling voor bestaat, heeft recht heeft op overheidsfinanciering. Met zo’n rijke traditie van ‘leven en laten leven’ zouden ook nieuwe godsdiensten gemakkelijk hun plaatsje kunnen vinden, was het idee. De grenzen zouden worden bepaald door de Nederlandse wet.
Dat deze verwachting voor wat betreft de islam niet is uitgekomen, is mijns inziens te wijten aan twee factoren. Om te beginnen is er sprake van gedragingen die in de ogen van velen uit de tijd zijn en getuigen van een intolerantie die wij dachten overwonnen te hebben. Dat leidt tot kleine ergernissen (om het weigeren van een hand bijvoorbeeld), maar ook tot grote zorgen om rechtsstatelijke beginselen die onder druk komen te staan (zoals bij gevallen van eerwraak). Daar komt bij dat deze gedragingen – anders dan de gebruiken en praktijken van streng gelovige christenen – niet beperkt blijven tot een bepaald geografisch gebied. Ze manifesteren zich vooral in de grote steden, middenin de leefwereld van allerlei andersdenkenden. Juist die steden hebben altijd symbool gestaan voor het principe van ‘leven en laten leven’.
Deze combinatie van deze factoren brengt bij sommige Nederlanders, zowel moslims als niet-moslims, ongemak en onrust teweeg: waar ligt de grens? De bezorgdheid wordt er uiteraard niet minder op als een minister van Justitie opmerkt dat het niet uitgesloten is dat op termijn, als daar een meerderheid voor zou zijn, delen van de sharia worden ingevoerd - zoals Piet Hein Donner deed in 2006. Donner filosofeerde vanuit een strikt theoretisch juridische invalshoek. Maar mag van een minister niet worden verwacht dat hij richting geeft? Dat hij aangeeft waar de grenzen liggen en hoe de vrijheid van godsdienst zich verhoudt tot andere grondwettelijke vrijheden? Is het vreemd dat zijn uitspraak mensen de stuipen op het lijf jaagt?
De wat argwanende houding die een deel van de Nederlanders tegenover de islam aanneemt heeft in sommige progressieve kringen geleid tot de conclusie dat ons volk ‘islamofoob’ is. Die stelling wordt ondersteund door de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ecri). Ik vind de kwalificatie zwaar overdreven. Volgens het woordenboek is een fobie een ‘ziekelijke angst, die niet in verhouding staat tot de dreiging die er van de situatie of het object uitgaat’. Daar is in Nederland geen sprake van. Dat dit soort termen vallen vind ik tekenend voor de wijze waarop de discussie niet gevoerd wordt. Als er zorgen bestaan over de wijze waarop bepaalde orthodox-religieuze opvattingen schuren met wat in Nederland aan gedachtegoed gangbaar is, dan moeten die zorgen worden benoemd en besproken. Ik zou de stelling willen betrekken dat de angst die er in Nederland op sommige punten voor de islam bestaat, in belangrijke mate mede door de overheid veroorzaakt wordt.

Woorden en daden

De Nederlandse overheid heeft het, als het gaat om vraagstukken van rechtsstaat en religie, op twee belangrijke punten laten afweten. Enerzijds heeft zij onvoldoende grenzen gesteld. Anderzijds meet zij met twee maten: voor gelovigen lijken andere regels te gelden dan voor niet-gelovigen. Daarmee roept de overheid op zijn minst de verdenking over zich af dat zij haar burgers niet gelijk behandelt.
Om de integratie van migranten (en hun kinderen) in onze samenleving te laten slagen, is duidelijkheid geboden. Alle partijen moeten weten aan welke afspraken zij zich te houden hebben. Daarbij hoort de zekerheid dat aan kernwaarden van de Nederlandse samenleving niet wordt getornd. Op dit punt heeft de overheid zich niet altijd even standvastig getoond. Als er uit haar woorden geen wankelmoedigheid sprak, dan wel uit haar daden. Gedwongen uithuwelijking is bijvoorbeeld nooit echt hard politiek veroordeeld en concreet beleid is tot nu toe uitgebleven.
Het tweede falen van de overheid schuilt in het hanteren van verschillende maatstaven voor gelovigen en niet-gelovigen. Onlangs kwam het Islamitisch Instituut voor Opvoeding en Educatie in Utrecht in opspraak. De journalist Patrick Pouw volgde een jaar lang lessen aan deze door de Tilburgse imam Suhayb Salam geleide instelling. Hij schreef er een boek over waarin hij constateert dat het instituut oproept tot haat tegen ongelovigen. De burgemeester van Utrecht, Aleid Wolfsen, liet in antwoord op vragen van raadslid Ben van der Roest weten ‘geen reden’ te zien om stappen tegen het instituut te ondernemen. In de Tweede Kamer stelde Madeleine van Toorenburg (cda) vragen aan minister Hirsch Ballin van Justitie. Op de vraag of er naar de mening van de minister sprake is van strafbare feiten, zoals het aanzetten tot haat, antwoordt deze als volgt:
‘Het Openbaar Ministerie is nagegaan of er in casu sprake is van strafbaar handelen (i.c. aanzetten tot haat zoals omschreven in artikel 137d Wetboek van Strafrecht). Voor het aanzetten tot haat in de zin van artikel 137d Sr zal de tot haat aanzettende uitlating altijd gericht moeten zijn op een groep mensen waarvan de gezamenlijke eigenschap valt onder één (of meer) van de in het artikel (limitatief opgesomde) kenmerken naar ras, godsdienst of levensovertuiging, seksuele gerichtheid, handicap of geslacht. Het zijn die groepen in onze samenleving die wegens deze specifieke kenmerken bescherming genieten tegen beledigende en tot haat, geweld of discriminatie aanzettende uitlatingen. De groep ongelovigen of andersdenkenden waartegen tot haat zou worden opgeroepen valt daar niet onder. Deze groep wordt niet gebonden door een gezamenlijk kenmerk zoals genoemd in de discriminatieartikelen en is te onbepaald om onder bescherming van deze artikelen te kunnen vallen.’
In juridische zin mag de redenering dan misschien kloppen (zeker ben ik daar niet van: niet-gelovig zijn is toch ook een levensbeschouwing?), maar de politiek-morele strekking ervan is onvoorstelbaar: een burger die zich wil verweren tegen haatzaaierij, moet zich maar bij een geloofsgemeenschap aansluiten. Deze gedachte staat haaks op het naar mijn overtuiging onaantastbare principe dat alle burgers, gelovig of niet-gelovig, aan de hand van exact dezelfde criteria door de overheid behandeld dienen te worden. Aanzetten tot haat is strafbaar of dat is het niet. Maar het kan nooit zo zijn dat in alle vrijheid mag worden opgeroepen tot haat jegens ongelovigen, waar dat jegens gelovigen niet is toegestaan.

Individu en groep

Waar religie en rechtsstaat botsen, gaat het oude adagium dat ‘het zichzelf wel wijzen zal’ niet op – die conclusie is nu wel te trekken. Vanuit die optiek is het toe te juichen dat het College van b&w van Amsterdam onlangs de notitie Scheiding van Kerk en Staat uitbracht, om helderheid te scheppen over de regels die de overheid ten aanzien van religie hanteert. Het college onderscheidt drie opvattingen over de scheiding van kerk en staat:
1. de exclusieve visie, waarin religie uitsluitend een privé-aangelegenheid is;
2. de inclusieve visie, waarin de overheid in ‘gelijke mate ruimte geeft’ aan alle religieuze en levensbeschouwelijke groepen;
3. de compenserende visie, waarin de overheid de ‘mogelijkheid heeft voorwaarden te scheppen zodat alle religieuze en levensbeschouwelijke groepen in de samenleving gelijk geëquipeerd zijn om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen. In deze visie kan subsidiëring van moskeekoepels en/of migrantenkerken een instrument zijn om ongelijkheid weg te nemen’.
Het College stelt dat in de regel de lijn van de inclusieve neutraliteit wordt gevolgd, maar dat zich ook situaties kunnen voordoen waarin de compenserende neutraliteit de ‘meest geëigende’ visie is. De bedoeling van deze compenserende beleidslijn is om ‘iedereen ongeacht religieuze of levensbeschouwelijke achtergrond volwaardig deel te laten nemen aan de samenleving’.
Tegen die doelstelling op zichzelf zal niemand bezwaar hebben. Het is echter de vraag of de compenserende visie niet verder gaat dan wat het College zegt te beogen. Er zit nogal wat licht tussen enerzijds het streven om ‘iedereen ongeacht religieuze of levensbeschouwelijke achtergrond’ in staat te stellen volwaardig te participeren en anderzijds het streven om ‘alle religieuze en levensbeschouwelijke groepen gelijkelijk te equiperen’ om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen. In het eerste geval gaat het om individuen die niet door hun achtergrond gehinderd, benadeeld of gediscrimineerd mogen worden. Tot de instrumenten die op dit terrein kunnen worden ingezet behoren onderwijs en anti-discriminatiebeleid. In het tweede geval gaat het om religieuze groeperingen als zodanig. Op grond waarvan zouden religieuze groeperingen, in plaats van de individuele leden van een dergelijke groepering, geëquipeerd moeten worden om aan het maatschappelijk debat deel te nemen? En waar zou die ondersteuning dan uit moeten bestaan?
In de Cleveringalezing van 2002 pleitte Job Cohen ook al voor een expliciete rol voor religieuze groeperingen. Zijn stelling was toen dat de integratie van gelovige migranten misschien wel het beste via het geloof zou kunnen lopen, omdat dit ‘vrijwel het enige ankerpunt’ is dat zij hebben als zij de Nederlandse samenleving betreden. Sinds Cohen deze woorden uitsprak, hebben zich belangrijke ontwikkelingen voorgedaan die het verdienen om bij de analyse te worden betrokken. Zo blijkt uit recent onderzoek van onderwijssocioloog Jaap Dronkers dat migrantenkinderen met een islamitische achtergrond slechter presteren in het onderwijs, óók als rekening wordt gehouden met factoren als het opleidingsniveau van de ouders. Een van de mogelijke verklaringen is, aldus Dronkers, dat ideeën die moslims in het algemeen koesteren over de verhouding tussen man en vrouw en de relevantie die zij hechten aan familie-eer de ontplooiing van individuen in de weg staan - en juist die ontplooiing is de sleutel tot succes in moderne samenlevingen. Als Dronkers gelijk heeft, wordt het realiseren van het ideaal dat iedereen volwaardig kan participeren in de samenleving, ongeacht zijn religieuze of levensbeschouwelijke achtergrond, juist gehinderd door beleidsmaatregelen die gericht zijn op het ‘equiperen’ van religieuze groeperingen. Daar zijn in de praktijk ook wel signalen van.
Ahmed Marcouch, voorzitter van het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart, constateerde onlangs in een interview met Het Parool dat het godsdienstonderwijs in een aantal moskeeën in Amsterdam veel te wensen overlaat. Het komt voor dat kinderen worden opgezet tegen de Nederlandse samenleving. Dat draagt niet bij aan hun individuele ontplooiing, noch aan hun kansen op maatschappelijk succes. De bevindingen van Marcouch worden onderschreven door leerkrachten. Sommigen hebben het gevoel dat wat zij door de week proberen te bereiken in het weekend in één klap teniet wordt gedaan. Marcouch zoekt de oplossing in het onderbrengen van islamitisch godsdienstonderwijs bij de openbare scholen. Dat lijkt mij de verkeerde weg. Ik zou ervoor willen pleiten dat wij allen terugkeren naar het oorspronkelijke uitgangspunt van godsdienstvrijheid binnen de grondslagen van de Nederlandse rechtsstaat.
In een proces van immigratie wordt van de ontvangende partij gevraagd dat zij nieuwkomers helpt om een volwaardige positie in de samenleving te verwerven. Voor alle burgers, gevestigden zowel als nieuwkomers, geldt nadrukkelijk het recht om de eigen cultuur te beleven en de eigen godsdienst te belijden. Maar strekt die vrijheid zo ver dat mensen mogen besluiten om zich af te keren van de samenleving of zich zelfs tegen die samenleving af te zetten? Nee. Tegenover de plicht van de samenleving om de nieuwkomer in staat te stellen voluit te participeren staat het recht van diezelfde samenleving om van de immigrant te vragen een volwaardige plaats in de samenleving in te willen nemen en daar ook zijn of haar best voor te doen. Integratie, acceptatie en participatie – het moet van twee kanten komen.
Om de maatschappelijke integratie van migranten en hun kinderen te bevorderen vraagt de Nederlandse overheid van scholen dat zij bijdragen aan het bevorderen van actief burgerschap. Dan kan het niet zo zijn dat deze inspanningen door andere organisaties onderuit worden gehaald doordat zij leerlingen opzetten tegen de westerse samenleving in het algemeen en ongelovigen in het bijzonder. Waar kinderen en jongeren met lesprogramma’s worden opgezet tegen hun Nederlandse medeburgers moet de overheid niet voorzien in alternatieven, daar moet zij optreden. Sluiten die handel.
Of zijn we helemaal van God los?