In Buitenhof van 30 april jl. vond een interessante gedachtewisseling plaats tussen Marcel Levi, sinds 1 januari Chief Executive bij UCLH (een organisatie van vijf universitaire ziekenhuizen in Londen), en Sander van Deventer, partner bij het medisch investeringsfonds Forbion. Forbion investeert in de ontwikkeling van geneesmiddelen. Onderwerp van gesprek waren de hoge en ondoorzichtige prijzen van medicijnen.

Nu zijn deze prijzen velen een doorn in het oog: de fabrikanten hebben vaak een monopoliepositie en de patiënt (en de artsen) hebben dus geen keuze. Er zijn ook verschillende voorstellen gedaan om deze situatie te veranderen: gezamenlijke inkoop, zodat een hogere korting bedongen kan worden. Dat is inmiddels door de Autoriteit Consument en Markt toegestaan. Wouter Bos ging onlangs een stap verder. Hij stelde voor winsten van meer dan 10% af te romen. Het is opmerkelijk hoe er op dit voorstel gereageerd is. Minister Schippers stelt in een brief aan de Tweede Kamer dat het instellen van een winstplafond geen haalbare oplossing is voor het betaalbaar houden van dure medicijnen. Nederland vertegenwoordigt slechts 1% tot 2% van de geneesmiddelenmarkt. Als alleen Nederland een winstnorm hanteert zou deze gemakkelijk omzeild kunnen worden. Door uitgaven en kosten van het ene naar het andere land te verplaatsen. Of door de manier waarop kosten en baten aan afzonderlijke producten worden toegerekend. Bovendien, stelt Schippers, zou het risico bestaan dat farmabedrijven ervoor kiezen hun producten helemaal niet meer in Nederland op de markt te brengen. Ze heeft waarschijnlijk gelijk dat de farmaceutische industrie op deze manier zal reageren. Maar wat staat ons dan te doen?

Terug naar Buitenhof. Sander van Deventer vindt ook dat de prijzen soms buitensporig zijn. Met name met het gedrag van het farmaceutische bedrijf Gilead dat het hepatitis-c medicijn sofosbuvir op de markt brengt, een pil die €1.50 kost om te produceren en waar €1.000 voor betaald moet worden, was hij niet blij. Dergelijk gedrag is niet goed voor het imago van de bedrijfstak. De oplossing die Van Deventer zag, zat vooral in beter onderhandelen. Zo had Portugal voor sofosbuvir een veel betere prijs bedongen dan Nederland. Of het dan moreel te verantwoorden was om op medicijnen waar mensen van afhankelijk zijn, zo’n hoge winstmarge (de gemiddelde winst in de farmaceutische industrie bedraagt 19.5%, met uitschieters tot ruim 44%) te berekenen? Ach, zo moeten we dat niet zien. De winst is wel hoog, maar het gaat niet om de winst, maar om de ‘return on investment’: het percentage winst op een nieuwe investering. Daar moet je investeerders voor aantrekken: iemand moet er geld in willen stoppen. En die investeerders kunnen ook elders terecht, dus je moet om de beleggers concurreren met een goed rendement.

Wacht even, begrijp ik het nu goed? Volgens de klassieke economische theorieën is de markt een aanjager van innovatie. Een efficiënte bedrijfsvoering leidt tot winst, deze wordt gebruikt voor innovaties, die op hun beurt tot hogere winst leiden, waarna de hele cyclus opnieuw begint. Maar zo werkt het dus niet (meer). Winst is er om uit te keren, voor investeringen heb je nieuw geld nodig. En omdat beleggers kijken waar het hoogste rendement te halen is moet je wel een hoge winst uitkeren. Als je dat niet doet, aldus van Deventer, dan heb je “straks geen nieuwe geneesmiddelen. Dat is iets wat we niet moeten willen.”

We zitten dus gevangen in een situatie waaruit geen ontsnappen mogelijk lijkt. Gezamenlijke inkoopmacht kan iets verbeteren, maar zet geen echte zoden aan de dijk (Nederland vormt maar 1% tot 2% van de geneesmiddelenmarkt); op Europees niveau is de kans op samenwerking niet groot (Frankrijk en Duitsland hebben grote farmaceutische industrieën); en het aftoppen van de winst zou allerlei gevolgen kunnen hebben, waaronder dat ‘we straks geen nieuwe medicijnen meer hebben’.

Maar we hoeven ons niet te laten ringeloren door de (beleggers in) farmabedrijven. De farmaceutische industrie is zo machtig omdat het om een bedrijfstak gaat die op onderdelen een monopoliepositie heeft en die uitbuit door geen openheid te verschaffen en betrokkenen tegen elkaar uit te spelen. Die macht kan doorbroken worden door het misbruik van de monopoliepositie aan te pakken. Daarbij zijn twee factoren van belang: het mobiliseren van de publieke opinie en (patent)wetgeving.

Op het eerste punt deed Mark van Houdenhoven, CEO van de Maartenskliniek, een aardige voorzet in Medisch Contact van 16 maart 2017. Hij beschrijft hoe veel ziekenhuisbestuurders ‘zwijgcontracten’ tekenen met farmaceutische bedrijven en leveranciers van medische hulpmiddelen. Het ziekenhuis krijgt een korting, maar mag daar niets over zeggen, anders vervalt de deal. “Pas als wij met elkaar besluiten om samen met onze minister geen zwijgcontracten meer te tekenen, is dat een krachtig signaal. Laat ons in Nederland het voortouw nemen. Als de industrie niet meer wil leveren, mag ze dat publiekelijk uitleggen aan onze patiënten. Dat kan het figuurlijke steentje zijn tussen de ogen van de farmaceuten.”

Wat het tweede betreft, in de blog van 3 oktober 2016 wees ik op de mogelijkheid van dwanglicenties. Dwanglicenties zijn een uiterste middel om corrigerend te kunnen optreden als er ongewenste situaties zijn ontstaan door octrooien. In eerste instantie wordt de fabrikant gevraagd een vrijwillige licentie af te geven aan een lokale producent. Als hij weigert, is het mogelijk een dwanglicentie af te geven op grond van het ‘algemeen belang’. Een minister mag een ander bedrijf dan het recht geven om te produceren.

Misschien moet de volgende minister van VWS daar toch eens naar kijken.

Lees hier alle onderzoek zorg blogs