De Volkskrant van 20 mei jl. berichtte over een nieuwe instelling voor geestelijke gezondheidszorg: Vitalis. Vitalis richt zich op mensen met burn-out, stress, depressie en overgewicht. Onderdeel van de therapie kunnen yoga, massage en meditatie zijn. Maar Vitalis biedt ook een programma van dertig dagen in een behandelresort in het Spaanse Alicante. Omdat in de declaratieregels van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) niet precies omschreven is welk aanbod aan activiteiten in het kader van een psychiatrische behandeling in aanmerking komen voor vergoeding, kan Vitalis deze declareren bij de zorgverzekeraar. Het roept associaties op met misstanden in de verslavingszorg begin jaren ’10, toen een aantal nieuw opgerichte instellingen verslaafden naar Curacao of Zuid Afrika stuurden om af te kicken. En dat eveneens declareerden bij de zorgverzekeraar.

Dit soort dubieuze of zelfs malafide zorgaanbieders speelde een belangrijke rol bij de behandeling van het wetsvoorstel om de vrije artsenkeuze te beperken in december 2014. Aanname van het wetsvoorstel zou zorgverzekeraars de mogelijkheid bieden om deze zorgaanbieders uit te sluiten van vergoeding. Ook in de reportage van de Volkskrant wordt de vrije artsenkeuze genoemd als reden waarom deze voor de zorgaanbieder lucratieve praktijken mogelijk zijn. Omdat ik één van de tegenstemmers was voel ik mij aangesproken.

De eerste vraag die opkomt is of hier inderdaad sprake is van dubieuze zorg. Dat lijkt wel het geval. Om te beginnen schrijft Vitalis yogadocenten, masseurs en andere aanbieders van aanvullende zorg actief aan. Dat is op zijn minst bijzonder. Een psychiater die denkt dat zijn patiënt baat zou kunnen hebben bij yoga kan deze doorverwijzen naar een yogaleraar of –lerares waarvan hij weet dat deze goed in het vak is. Zoals een huisarts bij fysieke klachten verwijst naar een als goed bekend staande fysiotherapeut.

In het geval van Vitalis wordt op voorhand en ‘at random’ (zonder onderscheid) geworven. Vervolgens kunnen deze zorgaanbieders voor €350 per jaar een licentie krijgen, waarna de instelling cliënten naar hen doorverwijst. Ook dat is opmerkelijk. Mij zijn geen gevallen bekend van bijvoorbeeld oogartsen die huisartsen betalen om hun patiënten naar hen te verwijzen. Lucratief voor Vitalis is het wel: inmiddels hebben zo’n 320 aanbieders van dit soort zorg een licentie. Dat is een inkomstenbron van €112.000 alleen uit licenties.

Ten slotte roept ook de ‘professional record’ van het bestuur van Vitalis vragen op. Eén van de bestuurders was de oprichter van een omstreden verslavingskliniek, beiden verdienden in 2011 €250.000 per jaar. Het heeft er op zijn minst dus alle schijn van dat hier méér sprake is van het zoeken naar gaten in de markt èn in de regelgeving dan van zinnige en zuinige zorg. Dat soort praktijken moet worden aangepakt. Dat vond ik in 2014 en dat vind ik nog steeds.

Maar niet door het beperken van de vrije artsenkeuze. Het is niet de taak van de verzekeraar om uit te maken welke behandeling geschikt is, maar van de beroepsgroep, in samenspraak met de patiënt.

In de somatische gezondheidszorg is men daarin een eind op weg. Vorige week schreef ik over het initiatief van Santeon, waar professionals met elkaar om de tafel gaan, de uitkomsten van hun ingrepen met elkaar delen en vergelijken en zo proberen van elkaar te leren en hun eigen handelen te verbeteren.

De geestelijke gezondheidszorg staat op dit punt nog in de kinderschoenen. Voor een deel omdat de effecten van behandelingen minder goed te duiden zijn. In de Volkskrant van zaterdag 27 mei kruisten twee psychiaters, Bram Bakker en Esther van Fenema, de degens over het gebruik van antidepressiva. Bakker staat kritisch ten opzichte van antidepressiva. Zo zouden ze alleen mogen worden voorgeschreven in een groter behandelplan, waarin ook aandacht is voor andere manieren om je stress te managen. Mindfulness en rentherapie zouden wat hem betreft in iedere behandeling moeten worden aangeboden. “De meeste zware depressies zijn licht tot matig begonnen.”*

Fenema ziet daarentegen de gunstige effecten van antidepressiva. Zij stelt dat mensen die depressief zijn, zó moe kunnen zijn dat ze helemaal geen energie hebben om te gaan sporten. “Die mensen moeten eerst geholpen worden met een medicament, die zijn niet in staat om even te gaan hardlopen. Ze zijn daar gewoon te ziek voor.”**

Ik ben geen psychiater, maar ik vermoed dat beiden een punt hebben. Enerzijds zullen sommige psychiaters misschien gemakshalve te snel naar medicatie grijpen, anderzijds kunnen sommige patiënten baat hebben bij antidepressiva.

Ook in de geestelijke gezondheidszorg zouden ervaringen gedeeld en vergeleken moeten worden. Misschien niet meteen met de hele beroepsgroep (de onderlinge verschillen zijn nog groot). Maar het zou een mooi begin zijn als voorstanders van antidepressiva met elkaar om de tafel gingen om zo van elkaar te leren en als aanhangers van alternatieve methoden dat ook zouden doen. Daar kunnen criteria uit voortkomen welke behandelingen bij welke patiënten of ziektebeelden effectief zijn. Beide groepen kunnen dan ook adviseren wie daarvoor mag doorverwijzen, wat wel of niet vergoed zou moeten worden, en hoe lang. Want ik kan me zo voorstellen dat yoga misschien wel een rol kan spelen om iemand uit zijn lethargie te halen, maar dat het geen basisvoorziening is.
Het lijkt me de enige manier om verdere nestbevuiling te voorkómen.

* De Volkskrant, 27 mei 2017, Opinie, p. 4.
** Ibid.

Lees hier alle onderzoek zorg blogs