Vorige week schreef ik op deze plek dat het budgettair kader (het bedrag waarmee de zorgkosten jaarlijks maximaal mogen groeien) de meest effectieve maatregel is geweest om de uitgaven voor de zorg te beteugelen. Het budgettair kader is onderdeel van het bestuurlijk hoofdlijnenakkoord dat de minister van VWS de afgelopen jaren heeft afgesloten met de zorgverzekeraars en de zorgaanbieders. Afgelopen vrijdag, 7 april, lanceerden 12 prominenten uit de wereld van de zorg het ‘Heyendael Manifest voor Betere en Betaalbare zorg.’ Het is het resultaat van een aantal gesprekken die de betrokkenen op persoonlijke titel voerden. De opstellers van het Manifest pleiten voor een nieuw hoofdlijnenakkoord, waarvoor zij zeven uitgangspunten hanteren.

Wat het Manifest bijzonder maakt zijn niet zozeer de voorstellen die erin zijn opgenomen, als wel het gezelschap dat ze heeft opgesteld. Ziekenhuisbestuurders, zorgverzekeraars, een huisarts, een specialist en de voorzitter van de Landelijke Patiënten Federatie maken er deel van uit. Ik weet niet of het mag van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de Nederlandse Zorg Autoriteit (NZA), maar het lijkt me winst voor de zorg.

Van de zeven uitgangspunten voor een nieuw hoofdlijnenakkoord licht ik er twee uit: maak werk van een gezamenlijke aanpak van dure geneesmiddelen en zet radicaal in op minder bureaucratie, regeldruk en administratieve lasten. Op dit laatste punt wordt onder meer voorgesteld de controle op declaraties te vereenvoudigen.

Voor een gezamenlijke aanpak van dure geneesmiddelen is al een aantal initiatieven ontplooid. Voor reumapatiënten hebben zogenoemde biologische medicijnen een grote verbetering betekend. Minder activiteit van de ziekte, weinig bijwerkingen, minder gewrichtsslijtage en een betere kwaliteit van leven. Er is maar één nadeel: de prijs. Per persoon kosten deze ‘biologicals’ ongeveer €15.000 per jaar, in totaal wordt er landelijk ruim €500 miljoen aan uitgegeven. Doordat er patent op de medicijnen rust is er voor de fabrikanten nauwelijks een prikkel om de prijs te verlagen. Dat is veranderd met de komst van ‘bio-similars’: niet-biologische medicijnen die hetzelfde effect sorteren. Als patiënten een alternatief hebben kan de fabrikant van het oorspronkelijke medicijn zijn monopoliepositie niet langer gebruiken om de prijs (kunstmatig) hoog te houden: er ontstaat prijsconcurrentie.

Nu levert het overstappen naar bio-similars alleen financieel voordeel op als alle, of in ieder geval zoveel mogelijk, patiënten de overstap maken. Er is een zeker volume nodig om de investeringskosten terug te verdienen. Deze investeringskosten bestaan uit het aanleggen van voorraden, maar vooral uit tijd: een succesvolle overstap vraagt een grondige voorbereiding met de patiënt. De Sint Maartenskliniek in Nijmegen heeft zijn reumapatiënten twee maal actief benaderd om over te stappen naar bio-similars.

De eerste keer stapte 88% van de patiënten over, waarvan 24% na een tijdje toch van de bio-similars afzag. Uit onderzoek bleek dat de ‘afhakers’ meenden dat er bijwerkingen waren of dat het middel minder effectief was dan het medicijn dat oorspronkelijk gebruikt werd. Uit deze ervaringen heeft de Sint Maartenskliniek lering getrokken. Bij de tweede poging werd meer tijd uitgetrokken om patiënten voor te lichten, ook over mogelijke bijwerkingen. En als patiënten bijwerkingen ervoeren konden zij op korte termijn op de polikliniek terecht om deze bijwerkingen te ‘objectiveren’: ligt het wel of niet aan het nieuwe middel? Bij de tweede keer stapte 99% van de patiënten over. 93% van hen was na acht maanden nog steeds aan de bio-similars. De Sint Maartenskliniek heeft daarop een handleiding geschreven voor klinieken die dezelfde route willen bewandelen, zodat ook zij lering kunnen trekken uit de eerder opgedane ervaringen. De handleiding is gratis te downloaden. Ook van dit voorbeeld weet ik niet of het mag van de ACM en de NZA, maar goed voor de zorg lijkt het me zeker.

Op het vlak van het terugdringen van bureaucratie, regeldruk en administratieve lasten zijn eveneens de nodige stappen gezet, bijvoorbeeld door Het Roer Moet Om (HRMO). HRMO is een beweging van huisartsen, die begin 2015 de publiciteit zocht. Een belangrijke grief van HRMO is dat de zorgverzekeraar steeds meer voorschrijft en controleert, waar voor de huisarts toenemende bureaucratische en administratieve lasten uit voortvloeien. Bij onderhandelingen tussen vertegenwoordigers van Het Roer Moet Om, de zorgverzekeraars en het Ministerie van VWS is afgesproken dat een recept een recept is. Dit houdt in dat als een huisarts een medicijn of een hulpmiddel voorschrijft, er geen aanvullende formulieren meer hoeven te worden ingevuld. Het recept is de basis (en afdoende) voor vergoeding. Logisch, een huisarts schrijft niet ‘zomaar’ bijvoorbeeld incontinentiemateriaal voor. En een patiënt gaat die zeker niet voor de lol gebruiken. Een recept zou dus voldoende moeten zijn om de kosten te declareren. In de praktijk werkt het net een slag anders. De distributeurs van de hulpmiddelen moeten nog steeds de oude formulieren aanleveren, anders worden ze niet betaald. Dus vullen de huisartsen de formulieren toch maar weer in.

De zorgverzekeraars zouden kunnen laten zien dat het hen ernst is met het terugdringen van de administratieve lasten door dit onderdeel onmiddellijk aan te pakken. Daar is geen nieuw hoofdlijnenakkoord voor nodig.

> Lees alle blogs van Marijke Linthorst