De gedachte achter het huidige zorgstelsel is dat zorgverzekeraars jaarlijks met zorgaanbieders onderhandelen over de kwalitatief beste zorg tegen de laagst mogelijke prijs. Voor veel zorg-aanbieders is dit geen goed systeem. Een ziekenhuis dat zich bijvoorbeeld wil specialiseren in maagverkleinings-operaties, moet daarvoor investeringen doen.

Een anesthesie bij iemand van 180 kilo vereist een andere aanpak dan bij een patiënt van 80 kilo. Daar moeten anesthesisten voor worden opgeleid. Jaarlijkse onderhandelingen, en dus onduidelijk-heid, over de vraag welke ingrepen de zorgverzekeraar inkoopt staan daarmee op gespannen voet. Ziekenhuizen investeren bij voorkeur in projecten met een lange termijn perspectief. Gelukkig sluiten sommige zorgverzekeraars inmiddels meerjarencontracten met zorgaanbieders af. Voor beide partijen biedt dat ‘rust in de tent’.

Ook op een ander punt zijn, binnen het huidige stelsel, verbeteringen zichtbaar. De gangbare benadering die zorg-verzekeraars ten opzichte van zorgaanbieders hanteren is dat deze laatste partij het risico draagt als het budget wordt over- of onderschreden. Als een ziekenhuis meer behandelingen doet dan was afgesproken krijgt het deze niet vergoed. Doet het ziekenhuis minder verrichtingen dan moet het ziekenhuis het teveel betaalde terugstorten. In toenemende mate wordt tussen zorgverzekeraars en ziekenhuizen afgesproken dat aan het overeengekomen budget achteraf niet meer getornd wordt. Daarmee hoeft in ieder geval niet meer te worden teruggestort.

Beide ontwikkelingen scheppen duidelijkheid in een toch al complexe sector. Maar met concurrentie heeft het niet veel te maken.

Het is ook de vraag of zorg zich leent voor concurrentie. Ons zorgstelsel is gebaseerd op de gedachte dat concurrentie tussen zorgaanbieders (en tussen zorgverzekeraars) uiteindelijk zal leiden tot betere en goedkopere zorg. Cruciaal hiervoor is dat de verschillende partijen autonoom zijn: zorgaanbieders bepalen welke zorg zij leveren en hoe zij dat doen, zorgverzekeraars bepalen welke zorg zij inkopen en welke vergoedingen zij aan hun verzekerden verstrekken. Binnen de eigen organisatie kan dat tot een ‘optimaal kostenplaatje’ leiden. Maar vanuit maatschappelijk oogpunt kan (een te) grote autonomie verspilling tot gevolg hebben.

Een kwestie die onder veel artsen tot irritatie leidt zijn de ICT-systemen voor patiëntendossiers. Ieder ziekenhuis bepaalt zelf welk systeem het aanschaft. Dat kan voor het betreffende ziekenhuis (financieel) voordelig zijn, maar het gevolg is dat gegevens tussen ziekenhuizen niet digitaal gedeeld kunnen worden omdat de software-systemen niet gekoppeld zijn. Dat geldt zelfs voor de 8 academische ziekenhuizen die Nederland telt. VUmc en AMC hebben hetzelfde systeem, maar in Groningen en Rotterdam hebben ze een andere oplossing bedacht. Bij verwijzingen of de vraag naar een ‘second opinion’ geeft dat veel extra werk. Röntgenfoto’s kunnen bijvoorbeeld niet worden ingelezen, maar moeten op een dvd worden gebrand en met de post verstuurd.

Vervolgens moet de radioloog in het ontvangende ziekenhuis de gegevens met de hand invoeren. Resultaten van laboratorium-onderzoek dat elders heeft plaatsgevonden kunnen niet in het systeem worden gezet, maar worden ingescand als briefjes. Dat kost heel veel tijd en geld.

Nictiz, het door het ministerie van VWS gefinancierde expertisecentrum voor standaardisatie en e-health, probeert tot afstemming te komen. Maar volgens veel artsen is Nictiz een ‘tandeloze tijger’. Als belangrijke oorzaak zien zij de autonomie van de zorgaanbieders. “De pilot loopt nu zes jaar. Er is niemand die zich verantwoordelijk voelt en landelijk de leiding neemt. De minister zou moeten zeggen: ‘het maakt mij niet uit welk systeem jullie nemen, als het maar wel hetzelfde is.’ Op korte termijn is dat kapitaalvernietiging, op lange termijn is het veel goedkoper.”

Iets meer centrale regie kan op een relatief eenvoudige manier bijdragen aan het beheersbaar houden van de kostenstijging in de gezondheidszorg.

Lees hier meer 'Onderzoek zorg' blogs van Marijke Linthorst