De rechtsstaat vergt alertheid en onderhoud, maar dat gebeurt wat het regeerakkoord betreft eerder in de sfeer van veiligheid en justitie dan in de sfeer van het openbaar bestuur. De maatregelen rondom het ministerie van Binnenlandse Zaken zijn bepaald overzichtelijk. Het is niet te verwachten dat iemand zich erover op gaat winden, en je zou dat als een teken van welvaart kunnen zien. Helemaal terecht is dat niet.

Eerst de maatregelen. Eigenlijk is het vooral een volgende act uit de serie ‘geinige-veranderingetjes-waarvan-iedereen-dacht-dat-ze allang-geregeld-waren’. De gekozen burgemeester komt weer wat dichterbij. De rol van de gemeenteraden in de gemeenschappelijke regelingen (een soort regionaal bestuur) wordt weer versterkt. Leden van gemeenteraden en Provinciale Staten krijgen wat meer ondersteuning en opleiding. De gemeentelijke herindeling wordt met zachte hand voortgezet. Net als experimenten met maatschappelijk initiatief van onderop via het right to challenge (denk aan het beheer van een park of sportveld). Ten slotte wordt de dienstverlening van de overheid nog opener, digitaler én veiliger, als het aan de nieuwe regering ligt. En de al eerder ingestelde staatscommissie parlementair stelsel draagt het debat over vernieuwing van de representatieve democratie.

En oh ja, ‘de wet raadgevend referendum wordt ingetrokken’.

De breuk met het vorige kabinet zit in de bescheidenheid. Uit het regeerakkoord dat de PvdA in 2012 met de VVD sloot, sprak behoorlijke pretentie. (Daar heette het: 'Het overbrengen van een groot aantal taken van het Rijk naar gemeenten maakt meer maatwerk mogelijk en vergroot de betrokkenheid van burgers. Gemeenten kunnen de uitvoering van de taken beter op elkaar afstemmen en zo meer doen voor minder geld. Hiertoe biedt het Rijk hen ruime beleidsvrijheid.') Van enige pretentie is nu weinig terug te vinden. Meer maatwerk in de relatie tussen burger en overheid blijft – natuurlijk! - ook een doelstelling van de nieuwe regering. Want de politicus die vergeet het woord maatwerk in zijn plannen te nemen wacht een snelle dood.

Maar de drastische opschaling en afschaffing van onderdelen van het openbaar bestuur waar Ronald Plasterk als minister van Binnenlands Zaken voor tekende – kleine gemeenten, provincies of waterschappen, ze leken er in 2012 allemaal aan geloven - komt niet meer ter sprake. Hierbij zal allicht meespelen dat het animo om het bestuur te hervormen de afgelopen jaren nogal beperkt bleek, omdat het lang niet altijd duidelijk was welk probleem precies opgelost werd. Bestuurders konden er maar wat druk mee zijn, en anders de beroepsinsprekers en informele buurtburgemeesters wel – maar de vreugde onder de ‘boze burgers’ over het loten van lokale volksvertegenwoordigers, het delibereren over parkeerbeleid en het gedeeld beheer van de speeltuin bleef bepaald beperkt.

De vraag blijft of bij de huidige regering sprake is van echte bescheidenheid of eerder van aversie om eindelijk weer eens echt na te denken over het openbaar bestuur. Een hint dat het eerder gemakzucht is, zou een kwaadaardige lezer kunnen afleiden uit de invoering van de maatschappelijke diensttijd voor jongeren, waarover het regeerakkoord schrijft: ‘belangrijk aandachtspunt hierbij is het zoveel mogelijk ontzorgen van deelnemende organisaties’. Dat past goed in het aanhoudende verlangen naar ‘meer samenleving voor minder geld’, die de aanleiding was voor de herintroductie van de participatiesamenleving. (Die nu weer voor tien jaar van het toneel is.)

Wat misschien ook wel een indicatie van gemakzucht is, is het ontbreken van een zinnetje over de Wet Financiering Politieke Partijen. Dit is de wet die de representatieve democratie ondersteunt door politieke partijen op basis van hun omvang een financieel zetje te geven. (Afgezet tegen wat andere Europese landen als bijvoorbeeld Duitsland uitgeven aan hun partijendemocratie gaat het om pinda’s.) Die wet moet binnenkort herzien worden, en omdat zowel op lokaal als nationaal niveau het partijenlandschap alsmaar beweeglijker lijkt te worden, is het tamelijk interessant om te weten hoe daarover gedacht wordt. Maar de regeringspartijen vonden het ofwel te onbelangrijk ofwel te ingewikkeld om er alvast iets over te zeggen. Misschien juist omdat het om zo weinig geld gaat. Maar het zou ook kunnen dat ze er geen zin in hadden om na het weer intrekken van het referendum nog meer populistische kritiek over zich af te roepen. De drang om volksvertegenwoordigers en hun naasten weg te zetten als ‘elite’ of ‘zakkenvullers’ is zo oud als de democratie zelf, maar de laatste jaren zeker niet minder geworden.

Nou gaat de PvdA bepaald niet vrijuit in de slordige omgang met het openbaar bestuur. Het soapkarakter van de voortslepende discussie over de gekozen burgemeester of het referendum is meebepaald door de PvdA in de regering, Tweede Kamer en Eerste Kamer. Zoals ook het opwerpen en weer laten sneuvelen van allerlei plannen om het ‘Huis van Thorbecke’ (gemeente-provincie-Rijk) drastisch te verbouwen en de pogingen om de lokale representatieve democratie eens flink op de schop te nemen mede van de hand komen van sociaal-democratische bestuurders.

Dus wie oppositie gaat voeren, zou misschien eerst zelf antwoord moeten kunnen geven op de indringende vraag die informateur Herman Tjeenk Willink voor de zomer opwierp in een bijlage bij zijn eindverslag van de mislukte formatiepoging met GroenLinks. 'Want hoe legitiem is een openbaar bestuur waarin alleen de meest competente burgers, en dan nog soms met moeite, zelf hun weg kunnen vinden en niet diegenen waarvoor de democratische rechtstaat juist ook was bedoeld? Hoe legitiem is een openbaar bestuur waarin deskundige uitvoerders van publieke taken steeds minder tijd aan hun eigenlijke werk kunnen besteden maar als het mis gaat toch als eersten verantwoordelijk worden gesteld?'

> De Wiardi Beckman Stichting vroeg wetenschappers en deskundigen uit haar netwerk om een reactie op het Regeerakkoord. Lees ook de analyses, van onder anderen Flip de Kam, Marith Volp, Rinda den Besten, Klara Boonstra, Bob Deen en Wim Derksen.