Afgelopen donderdag, 28 oktober, kwam het Centraal Plan Bureau (CPB) met een Policy Brief: “Financiering van de zorg op de lange termijn.” Het CPB gaat er van uit dat, bij een reële groei van de zorguitgaven van 3.5% per jaar, de collectieve zorgkosten voor curatieve en langdurige zorg zullen stijgen van 9% van het Bruto Binnenlands Product (bbp) nu, tot 15% van het bbp in 2040. Het is de vraag of dit uitgangspunt juist is.

Het planbureau stelt dat 3.5% gelijk is aan de trendmatige ontwikkeling in het verleden. De groei is nu weliswaar gedaald, maar volgens het CPB is dit tijdelijk. De beperkte groei zou te wijten zijn aan het feit dat overheden in de nasleep van de crisis de hand op de knip hebben gehouden. Mijn stelling zou zijn dat de daling van de groei veroorzaakt wordt door het budgettair kader dat minister Schippers heeft vastgesteld: de zorgkosten met niet meer dan een vastgesteld (of bepaald) percentage mogen stijgen. Dat werkt. Er is geen enkele reden waarom een volgende minister van VWS die beleidslijn niet zou kunnen voortzetten.

Maar zelfs als het CPB gelijk heeft in zijn veronderstelling zijn er de nodige kanttekeningen te plaatsen bij de keuzes die het CPB voorlegt. In de policy brief kijkt het CPB naar de wijze waarop deze extra zorguitgaven gefinancierd zouden kunnen worden en welke herverdelingseffecten daar het gevolg van zijn. Het CPB neemt daarbij vier financieringssystemen onder de loep: de huidige financieringssystematiek, een hoger eigen risico, een lager eigen risico(i) en een leeftijdsafhankelijke zorgpremie. Bij deze vier mogelijke opties onderzoekt het planbureau twee herverdelingseffecten: van jong naar oud en van hoog inkomen naar laag inkomen.

Een openhartig debat over intergenerationele solidariteit en de solidariteit tussen rijk en arm is van belang. Maar het CPB gaat op beide punten wel heel kort door de bocht. ‘Oud’ wordt gedefinieerd als 70 of ouder, jongeren zijn 70-minners. De leeftijdsafhankelijke premie die het planbureau onderzoekt heeft dan ook alleen betrekking op mensen boven de 70. Alleen zij zouden méér premie moeten betalen. Dat is opmerkelijk, omdat het CPB zelf aangeeft dat slechts een klein deel van de stijgende zorgkosten veroorzaakt wordt door de vergrijzing.

Bij de berekening van de herverdelingseffecten van rijk naar arm maakt het CPB het zo mogelijk nog bonter. In de staatjes spreekt het planbureau over percentages meer of minder profijt als percentage van het inkomen, maar in de samenvatting van de brief (en veel mensen komen niet verder dan dat) gaat het over vooruitgang of achteruitgang in inkomen. Als de huidige financiering ook blijft gelden voor de extra zorgkosten neemt het inkomen van ouderen met een laag inkomen volgens het CPB in 2040 toe met maar liefst 21.1%, bij bevriezing van het eigen risico is de inkomenswinst zelfs 21.6%. Verhoging van het eigen risico leidt nog altijd tot een stijging in inkomen met 19.1% en leeftijdsafhankelijke premie levert 14.6% op. De 20% hoogste inkomens gaat er in ieder scenario op achteruit, dat geldt zowel voor de mensen boven als onder de 70.

Maar van een stijging van inkomen is geen sprake. Het CPB berekent de inkomensstijging als de kosten van de zorg die mensen ontvangen minus de eigen bijdragen en premies. Dat klopt natuurlijk niet. Een oudere die een nieuwe heup krijgt heeft weliswaar ‘profijt’ van de zorg, maar zijn of haar inkomen gaat er echt niet op vooruit.

In de brief benadrukt het CPB voortdurend dat de vraag of de geprognosticeerde herverdelingseffecten wenselijk zijn, een politieke keuze is. Het planbureau berekent slechts de mogelijke uitkomsten van verschillende scenario’s. Toch zijn de keuzes die het CPB voorlegt opmerkelijk. De gezondheidszorg, en met name de solidariteit binnen de gezondheidszorg, is méér dan een ‘kostenplaatje’ of een balans tussen baten en lasten. Natuurlijk maken ouderen meer gebruik van gezondheidszorg dan jongeren. Maar daar staat tegenover dat zij in de periode daarvóór over het algemeen weinig kosten hebben gemaakt en netto hebben bijgedragen. Zowel aan de zorgkosten van de toenmalige ouderen als ook aan bijvoorbeeld het onderwijs voor jongeren. En met een beetje mazzel worden de jongeren op een gegeven moment ouder en komen zij ook in de situatie terecht dat ze een groter beroep op de gezondheidszorg doen.

De essentie van een solidaire zorgverzekering is dat mensen voor elkaar zorgen als dat nodig is. Komen we op voor dat uitgangspunt of willen we naar een systeem van ‘ieder voor zich’?

Noot
(i) In de berekening van de verschillende financieringssystemen wordt een verlaging van het eigen risico niet verder uitgewerkt. In plaats daarvan berekent het CPB het herverdelingseffect van een bevriezing van het eigen risico, waarbij de extra zorgkosten worden betaald uit een hogere zorgpremie.

Lees hier meer 'Onderzoek zorg' blogs van Marijke Linthorst