In de afgelopen weken stond de positie van Diederik Samsom ter discussie. Aanleiding zijn de peilingen, waar sommige partijgenoten zenuwachtig van worden. Nu ligt het probleem van de slechte resultaten van de PvdA volgens mij niet in de persoon van de lijsttrekker.

Wie zicht wil krijgen op de redenen van mensen om, soms na meer dan twintig jaar, hun lidmaatschap op te zeggen, moet eens kijken in het wekelijkse overzicht van in- en uitstroom van leden. Het opzeggen van het lidmaatschap is immers heftiger dan het niet meer op de partij stemmen, terwijl de beweegredenen waarschijnlijk vergelijkbaar zijn. Ontevredenheid met de partijleider komt in het lijstje niet voor. Wel onvrede over de politieke inhoud.

Maar dit terzijde. Samsom heeft de kritiek beantwoord met de opmerking dat elk PvdA-lid zich uit kan spreken over de lijsttrekker. Voorstanders van een rechtstreekse verkiezing noemen het een feest voor de democratie. Ik krijg er altijd een ongemakkelijk gevoel bij. Voor een lijsttrekker zijn de benodigde kwalificaties helder: het programma over het voetlicht kunnen brengen en een goed debater zijn. Maar wat er na de verkiezingen van hem of haar wordt verwacht is volkomen afhankelijk van de stembusuitslag.

Dat maakt een afgewogen keuze niet eenvoudig: een excellent bestuurder is niet per definitie een goede oppositieleider. Dit besef leeft niet alleen bij sommige kiesgerechtigden, maar waarschijnlijk ook bij mogelijke kandidaten. Als Diederik Samsom zich opnieuw verkiesbaar stelt is het uiterst onwaarschijnlijk dat een van de voor sommigen gedroomde opvolgers — Lodewijk Asscher, Eberhard van der Laan of Ahmed Aboutaleb — zich opwerpt als concurrent. Dat zou gemakkelijk opgevat kunnen worden als een ‘dolk in de rug’. Maar ook als Samsom zich niet verkiesbaar stelt is de kans klein dat een van hen zich daadwerkelijk in de strijd gaat gooien: het afbreukrisico is eenvoudigweg te groot als je niet weet voor welke functie je je beschikbaar stelt. De manier waarop Job Cohen is afgebrand is een voorbeeld dat we ons zouden moeten aantrekken.

Rechtstreekse verkiezing van de lijsttrekker leidt daarmee niet tot de juiste persoon op de juiste plaats, maar in het gunstigste geval tot ‘second best’. Dat wordt nog versterkt door het kiessysteem. Bij interne verkiezingen moet aan alle kandidaten een gewicht worden gegeven. Bij vijf kandidaten 5 punten voor de favoriet, 4 punten voor de tweede voorkeur, en zo verder tot 1 punt voor de minst aantrekkelijke kandidaat. Als er kandidaten zijn met uitgesproken opvattingen leidt dit vaak tot strategisch stemgedrag: aanhangers van kandidaat A zetten concurrent B op de laatste plaats; aanhangers van B doen hetzelfde met kandidaat A. Het gevolg is regelmatig dat de nummer twee het wordt. Dat is in ieder geval geen uitkomst die de partij uit het dal zal trekken.

Ik heb niet direct een alternatief voor het huidige systeem, maar we zouden op zijn minst de scherpste kantjes eraf kunnen halen. Allereerst de afspraak dat de lijsttrekker de beoogd fractievoorzitter wordt en niet plaatsneemt in het kabinet. Zoals Diederik tot nu toe gedaan heeft. Kandidaat-lijsttrekkers weten dan waar ze zich voor beschikbaar stellen. En schaf daarnaast de gewogen loting af. Die kan niet alleen tot een onwenselijke uitkomst leiden, maar slaat vooral nergens op: er kan maar één iemand lijsttrekker zijn.