De afgelopen gemeenteraadsverkiezingen zijn in de media geduid als een overwinning voor de lokale partijen én als de doorbraak van Forum voor Democratie in de gemeentepolitiek. Dat beeld is niet onjuist, maar verdient wel nuancering. Een nadere analyse, met de focus op Groningen, leert dat de kiezer vooral een negatieve keuze maakte, tegen de landelijke partijen. Politici van lokale partijen onderscheiden zich vaak door een afkeer van ingewikkelde bureaucratische procedures en van abstract ideologisch taalgebruik, en door aandacht voor voortslepende lokale problemen.
Kees Aarts
Hoogleraar Politieke Instituties en Gedrag, Rijksuniversiteit Groningen
Nabeschouwingen in de media over de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart waren bijzonder eensgezind. Kort samengevat: deze verkiezingen zijn allereerst een overwinning voor de lokale lijsten. Ze onderstrepen daarmee de verscheidenheid van beleidsproblemen waarmee de gemeenten te maken hebben, misschien ook een gebrek aan vertrouwen dat landelijke partijen deze problemen onderkennen en kunnen aanpakken of zelfs een algemene afkeer van landelijke partijen.
In de tweede plaats heeft het extreemrechtse Forum voor Democratie grote vooruitgang geboekt. En als derde viel de opkomst van de kiezers niet mee maar ook niet tegen: terwijl we vooraf werden voorbereid op de laagste opkomst ooit, bleek deze uiteindelijk wat hoger dan vier jaar geleden.
De verkiezingsuitslagen zijn in de media vooral geduid aan de hand van plaatselijke omstandigheden. Maar hoe komt het dat die plaatselijke omstandigheden nu zo’n grote rol spelen? Is de winst voor Forum voor Democratie echt zo bijzonder? Wat moeten we met verkiezingen waaraan bijna de helft van het electoraat niet deelneemt? In deze bijdrage probeer ik aan de hand van één provincie, Groningen, meer context te geven en de betekenis van deze gemeenteraadsverkiezingen te verduidelijken. Doordat het aantal gemeenten in deze provincie beperkt is, kan de lokale politiek met iets meer reliëf worden beschreven. Daar staat tegenover dat bevindingen in Groningen niet zomaar kunnen worden gegeneraliseerd naar het hele land.
Groningen
Het belang van de politieke diversiteit van gemeenten wordt beter geïllustreerd door je te concentreren op een paar gevallen dan door uitspraken over alle 342 Nederlandse gemeenten. De provincie Groningen, met ruim 600.000 inwoners een van de kleinere, telt na een reeks herindelingen nu nog tien gemeenten. De stad Groningen, kortweg ‘Stad’ geheten, heeft na de annexatie in 2018 van Haren en Ten Boer bijna 250.000 inwoners en is verreweg de belangrijkste kern van Noord-Nederland. Stad is zeer sterk verstedelijkt en met een grote studentenpopulatie. De andere negen Groningse gemeenten tellen tussen de 12.000 (Pekela) en 65.000 (Westerkwartier) inwoners, en zijn veel minder verstedelijkt en zelfs landelijk. De hele provincie gold lange tijd als een rood bolwerk maar bij de Tweede Kamerverkiezingen in 2025 eindigde D66 vóór GL-PvdA.[1]
De Groningse politiek wordt al zo’n vijftien jaar gedomineerd door de aardgaswinning: de bevingen en de schade aan woningen en gebouwen, de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen (2023), de beëindiging van de gaswinning op 19 april 2024, de financiële gevolgen hiervan voor overheid en bedrijven, de compensatie van getroffen bewoners en het herstel van hun woningen. Talrijke commissies en programma’s houden zich hiermee bezig. Enkele belangrijke zijn het Instituut Mijnbouwschade Groningen (2018-2020), het Nationaal Programma Groningen (2019), de Nationale Coördinator Groningen (2020) en de verschillende onderdelen van het programma Nij Begun (gestart in 2024-2025).
Een ware kluwen aan overheidsbeleid dus, waarvan slechts erg weinig onder de zeggenschap van gemeenten valt. Bovendien zijn er in Groningen buiten alles wat met de aardgaswinning te maken heeft, ook vele andere actuele politieke kwesties. Collectieve voorzieningen staan onder druk, delen van de provincie hebben te maken met bevolkingskrimp - waardoor het aantal raadszetels in Eemsdelta ditmaal zelfs kleiner was dan bij de vorige raadsverkiezing daar.
Daartegenover zijn de prijzen van koopwoningen in Stad op Randstedelijk niveau en is daar een groot tekort aan goedkope (studenten)huisvesting. Nieuwe bedrijvigheid komt tot stand: bijvoorbeeld wind- en zonneparken, de LNG-terminal en grote datacentra in het Eemshavengebied. De omvangrijke en belangrijke landbouwsector werkt aan zijn toekomstbestendigheid, onder meer door circulariteit te bevorderen. De gemeenten zoeken hierbij met de middelen die ze hebben naar de beste balans tussen behoud en vernieuwing.
Een lastig en aantrekkelijk studieobject
Gemeenteraadsverkiezingen zijn een lastig studieobject. Er is in de politicologie traditioneel veel minder aandacht voor de gemeentelijke bestuurslaag dan voor het nationale niveau. De Tweede Kamer wordt door kiezers, politici en bestuurders gezien als de belangrijkste politieke arena in het land, de krachtsverhoudingen in de Tweede Kamer zijn bepalend voor de koers van de regering. Verkiezingen voor andere bestuurslagen worden al snel gezien als graadmeter voor de steun voor het regeringsbeleid, als een ‘tweederangs’ nationale verkiezing. Hiernaast is in de afgelopen decennia de politicologische belangstelling voor de Europese Unie en de verkiezingen voor het Europese parlement sterk gegroeid, helemaal in overeenstemming met de verdergaande Europese integratie.
Een verklaring voor die zuinige aandacht voor de gemeenteraden is hiermee in grote lijnen al gegeven. Centraal in de politicologie staan macht, machtsprocessen en machtsverdeling. Den Haag en Brussel zijn vindplaatsen daarvan – maar de gemeente? De gemeente voert in onze gedecentraliseerde eenheidsstaat veel taken uit in medebewind, waarvoor de verstrekte middelen typisch ontoereikend zijn. Haar beleidsvrijheid, of het nu binnen dat medebewind is of om de autonome taken gaat, is beperkt en haar belastinggebied al helemaal.[2] Kaders en doelstellingen worden grotendeels bepaald in Den Haag en Brussel; gemeenten (en provincies) moeten ervoor zorgen dat de doelstellingen worden gehaald. De opvang van asielzoekers en de stikstofreductie zijn hiervan slechts twee actuele voorbeelden.
Toch zijn lokale verkiezingen niet alleen een lastig, maar ook een aantrekkelijk studieobject. Allereerst hebben gemeenten ondanks alle beperkingen nog flink wat beleidsvrijheid om eigen keuzen te maken. Juist doordat gemeenten allemaal in hetzelfde bestuurlijke keurslijf zitten terwijl ze onderling sterk verschillen, kun je door onderlinge vergelijking meer te weten te komen over het politieke belang van dit soort verschillen. Nog interessanter wellicht is de relatief bescheiden schaal van de gemeente, vergeleken met provincie, rijk en Europa. Het gemeentebestuur staat ‘dichtbij’ de burgers, en dat zou gunstig moeten zijn voor het democratisch functioneren. Gemeenten zijn proeftuinen voor bestuurlijke vernieuwing. Experimenten met burgerforums en interactieve beleidsvorming, referendums en het uitdaagrecht zijn (met wisselend succes) ontwikkeld en ingezet.
Maar voor de uitvoering van vele complexere taken die grote investeringen en specifieke expertise vereisen, wordt vaak juist een grotere bestuursschaal wenselijk gevonden. Herindelingen, die een grotere schaal direct bewerkstelligen, zouden hierbij moeten helpen. In Nederland is het aantal gemeenten in de afgelopen halve eeuw met circa 500 gedaald tot de 342 van nu, terwijl de totale bevolking juist sterk is gegroeid.
In Groningen is het aantal gemeenten in enkele decennia door herindelingen afgenomen van 46 (voor de grote herindeling van 1990) tot de tien van nu. Herindelingen onderstrepen ook dat de gemeente als politieke gemeenschap (‘commune’- het Franse begrip waarvan onze ‘gemeente’ de letterlijke vertaling is) in het openbaar bestuur niet erg serieus wordt genomen. Die politieke gemeenschap verandert en vervaagt met iedere herindeling, en dat is niet bevorderlijk voor het stabiel functioneren van de lokale democratie. Hiernaast worden complexe uitvoeringstaken meer en meer uitgevoerd in intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, die een democratisch gelegitimeerd toezicht moeilijker maken.
Opkomst
Vóór 1970, toen we in Nederland nog een opkomstplicht hadden, lagen de opkomstcijfers van gemeenteraadsverkiezingen dichtbij die voor de Tweede Kamerverkiezingen. Vanaf 1970 is de opkomst bij raadsverkiezingen lager, en dat verschil lijkt in de loop van de tijd groter te zijn geworden.[3] De opkomst bij de Kamerverkiezingen is de laatste 25 jaar redelijk stabiel, tussen de 75% en 80% van de kiesgerechtigden. De opkomst bij de raadsverkiezingen ligt in deze periode steeds 20% tot 25% lager.
Voorafgaand aan de raadsverkiezingen hebben politici en media veel aandacht gegeven aan de verwachte lage opkomst. De vrees was groot dat het laagterecord uit 2022 (51%) zou worden verbroken.[4] Misschien mede door die angst waren de opkomstbevorderende campagnes dit jaar veelomvattend en intensief.
Behalve de gebruikelijke posters in het straatbeeld en spotjes in de media, had het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zelfs bedacht dat er in zes gemeenten een standbeeld voor de stemmer moest worden opgericht. De standbeelden, gemodelleerd naar bestaande inwoners en meer dan levensgroot, waren te zien in Almere, Enschede, Schiedam, Tiel, Tilburg en Zaanstad. De woordvoerder van het ministerie: ‘Met deze actie proberen we zoveel mogelijk mensen naar de stembus te krijgen, vooral in gemeenten waar de opkomst onder jongeren laag is.’[5]
Of opkomstbevorderende campagnes effectief zijn, valt sterk te betwijfelen. Natuurlijk weten we niet hoe hoog de opkomst zou zijn geweest zonder deze campagnes, en natuurlijk zijn er mensen die dankzij een spotje, poster, of standbeeld hun stem hebben uitgebracht. Maar we weten wel dat de opkomst bij verkiezingen erg lastig te verklaren is, niet alleen nu en niet alleen in Nederland,[6] waardoor aangrijpingspunten voor effectieve campagnes ontbreken.
Stemmers en niet-stemmers hebben zo hun eigen redenen om al dan niet thuis te blijven – belangstelling, gevoel van urgentie, politieke actualiteit, verschillen tussen partijen enzovoorts. Sommige groepen stemmen duidelijk minder vaak dan andere – praktisch-opgeleide jongere mannen bijvoorbeeld. Toch kun je met al dit soort factoren tezamen de opkomst nog allerminst ‘verklaren’. Hierdoor zijn de niet-stemmers met opkomstbevorderende campagnes ook zo moeilijk in het vizier te krijgen.
Wil je de opkomst echt bevorderen, dan moet je kiezers overtuigen dat er iets op het spel staat. Dat er iets te kiezen valt. Dit ligt niet op het pad van de gemeente en evenmin op dat van het ministerie van BZK. Dit kunnen alleen de politieke partijen zelf doen. Het vraagt nogal wat van de partijen, zeker in de gemeenten.
Om te beginnen moeten partijen zich afvragen met welke beleidsproblemen of op welke andere wijze ze zich willen profileren. Bijvoorbeeld met aansprekende kandidaten, en met een mix van landelijke en lokale standpunten. Vervolgens kost het overtuigen van de kiezers veel tijd. Het gebruik van (sociale) media is hierbij de laatste jaren onontbeerlijk geworden. Gezien het bereik dat deze media hebben, kan geen partij het zich nog veroorloven er niet op actief te zijn. Je moet er verder vroeg mee beginnen en lang volhouden. Een verkiezingscampagne is een periode om te oogsten; het zaaien moet eerder zijn gebeurd.
Dit alles doet bijna vergeten dat de opkomst op 18 maart niet lager, maar juist weer iets hoger was dan in 2022 (54%). Niet een reden om het onderwerp verder te laten rusten, wel een onderstreping van de oude waarheid dat een dalende opkomst geen natuurverschijnsel is maar beïnvloed kan worden door de partijen.
Relatief hoge opkomstcijfers worden doorgaans gevonden in de minder verstedelijkte gemeenten in het midden van het land. Een lage opkomst hebben de grote steden en gemeenten dichter bij de landsgrenzen. Die lage opkomst kan deels een effect zijn van het thuisblijven van niet-Nederlanders met stemrecht bij lokale verkiezingen. Niet-Nederlanders hebben sinds 1985 onder bepaalde voorwaarden kiesrecht bij de raadsverkiezingen, en deze voorwaarden zijn in 1996 aanzienlijk vereenvoudigd voor EU-ingezetenen.[7]
Het opkomstcijfer in Groningen als geheel verschilt niet van het nationale cijfer. De afzonderlijke gemeenten laten wel wat variatie zien. Een relatief hoge opkomst was er in Stad (58%), Het Hogeland (60%) en Westerkwartier (60%) – in alle drie gevallen 2% tot 4% meer dan in 2022. De opkomst in Stad laat hierbij zien dat het verband met stedelijkheid en regio dat grosso modo voor Nederland geldt, in Groningen niet wordt aangetroffen.
Lage opkomstcijfers worden gevonden in uiteenlopende gemeenten, al valt hierbij wel Noordoost-Groningen op (Oldambt, Pekela, Stadskanaal, Veendam) met opkomstcijfers onder de 50%. Dit gebied is door het CBS gekenmerkt als een streek met ‘substantieel lagere brede welvaart’ dan het landelijk gemiddelde[8], en lage welvaart gaat meestal gepaard met lage opkomst. Het oostelijke Westerwolde scoorde met 52% een iets hoger cijfer.
Kan de bescheiden stijging in opkomst worden toegeschreven aan de deelname van nieuwe partijen? In Het Hogeland deden D66 en BBB met succes voor het eerst mee, maar in Westerkwartier waren geen nieuwkomers actief. In Stad kon worden gestemd op PVV en FVD – maar niet voor het eerst. Dit waren de gemeenten met de hoogste opkomst, maar ook in de gemeenten met een lagere opkomst is geen enkel verband te zien met het al dan niet meedoen van partijen. De opkomst bij deze raadsverkiezingen was niet hoog, ook niet lager dan de vorige keer, en net als altijd moeilijk terug te voeren op één of enkele factoren.
Lokale versus landelijke partijen
Na een lange periode van nationalisering van de lokale verkiezingen, gaat de slingerbeweging sinds de jaren negentig van de vorige eeuw weer duidelijk naar lokalisering.[9] Bij lokale verkiezingen in Limburg en Noord-Brabant waren ‘naamslijsten’, geleid door een bekende katholieke plaatsgenoot, nog gebruikelijk tot in de jaren zeventig, al werden ze langzaam maar zeker vervangen door afdelingen van de KVP en later het CDA. In andere gemeenten werden de lokale ‘Gemeentebelangen’-lijsten vervangen door afdelingen van de VVD.
Deze voorbeelden laten zien dat het onderscheid tussen landelijke en lokale partij niet zo categorisch is als soms wordt gedacht. De plaatselijke afdelingen van landelijke partijen hebben vaak hun wortels in de lokale samenleving, terwijl de lokale partijen soms juist meer landelijke verbindingen hebben. Het is daarom onjuist om lokaal en landelijk zonder meer tegenover elkaar te plaatsen[10].
De slingerbeweging terug startte in veel gemeenten na 1986. Vooral bekend en electoraal succesvol werden in 1994 Leefbaar Hilversum en Leefbaar Oegstgeest, gevolgd door Leefbaar Utrecht en vele andere ‘leefbaarheidspartijen’. Zo gecoördineerd als deze naamgeving doet vermoeden was de nieuwe lokalisering natuurlijk niet. Naast Leefbaar, ontstonden in veel gemeenten andere lokale partijen die met groeiend succes aan de raadsverkiezingen deelnamen. Soms als afsplitsingen van afdelingen of fracties van landelijke partijen, soms als geheel nieuwe initiatieven. Ook hier gingen de zuidelijke provincies voorop. Anno 2026 zijn lokale partijen in het hele land een belangrijke machtsfactor in de gemeenteraden.
Het is lastig om al die nieuwe partijen over één kam te scheren. De herkenbaarheid van de oude katholieke lijsten en van ‘Gemeentebelangen’ is verdwenen. Er is niet één duidelijke verklaring voor de electorale groei die de lokale partijen hebben doorgemaakt.[11] Daarbij moet bovendien steeds worden bedacht dat achter het etiket ‘lokaal’ een bijzonder divers geheel aan organisaties schuilgaat. Als de lokale partijen als groep moeten worden gekenschetst, dan vooral door wat ze niet zijn: ze zijn niet organisatorisch verbonden met een politieke partij die ook in andere gemeenten, in de provincie of landelijk deelneemt aan verkiezingen.
Toch lijken de lokale partijen wel wat meer gemeenschappelijk te hebben. Een afkeer van ingewikkelde bureaucratische procedures (bijvoorbeeld voor vergunningverlening), een afkeer van abstract ideologisch taalgebruik, aandacht voor zeurende lokale problemen. Vaak ook oor en oog voor lokale ondernemers, ouderen en andere maatschappelijke groepen. Allemaal zaken waarin de gevestigde landelijke partijen tekort zouden schieten. Het succes van lokale partijen weerspiegelt hiermee tot op zekere hoogte ook het falen van de landelijke partijen. Ze kanaliseren de onvrede met de gevestigde politiek en de onvrede met de dragers daarvan, de landelijke partijen en hun vertegenwoordigers in de gemeente.
Dit past in het grotere plaatje van electorale ontwikkelingen. Het Nederlandse electoraat heeft de afgelopen 35 jaar massaal verloren wat het nog restte aan partijloyaliteit. Hierdoor en door de komst van nieuwe partijen en afsplitsingen heeft de volatiliteit van landelijke verkiezingsuitslagen een ongekende omvang bereikt. De Tweede en de Eerste Kamer zijn sterk gefragmenteerd. Niet zo gek dus dat een flink deel van dat electoraat de lokale alternatieven omarmt. Dat mede door de komst van lokale partijen en door de frequente afscheidingen die ook bij deze partijen voorkomen de gemeenteraden intussen evenzeer of nog ernstiger gefragmenteerd zijn geraakt, wordt op de koop toe genomen.[12]
In Groningen zijn lokale partijen de grootste geworden in vijf van de tien gemeenten, en in nog eens drie gemeenten een duidelijke op-een-na-grootste. In Pekela komt Samen voor Pekela als derde uit de bus, na PVV en SP. Alleen in Stad scoren de lokale lijsten minder goed. Dit wijst erop dat lokale lijsten het nog steeds relatief beter doen in kleinere gemeenten - een bekend verschijnsel. In kleinere gemeenten zijn ook veel minder stemmen nodig om een raadszetel te behalen dan in grote steden; toch hebben lokale partijen inmiddels ook in bijna alle grotere steden een voet aan de grond gekregen.[13]
Ten slotte is op lokale partijen vaak het etiket ‘ombudspolitiek’ geplakt als een negatieve kwalificatie: belangenbehartiging maar geen belangenafweging. Dat lijkt in het algemeen onterecht. Allereerst hebben lokale partijen in verschillende gemeenten, klein en groot, inmiddels met succes deelgenomen aan het college van B&W en daar ook aanzienlijke bestuurservaring opgedaan.
Lokale partijen boeken hun succes niet uit het niets. Ze beantwoorden aan een (latente) vraag die door gevestigde partijen blijkbaar onvoldoende wordt onderkend. Een vraag naar pasklare oplossingen voor concrete problemen. Zoals gezegd liefst zonder een kleurige ideologische verpakking, al geldt natuurlijk ook voor lokale partijen dat elke beleidskeuze een politieke keuze is waarbij sommige belangen zwaarder meewegen dan andere. Op deze wijze gedepolitiseerd, lijkt beleid een technische uitvoeringskwestie geworden. De uitdaging aan landelijke partijen lijkt dan ook om de impliciete politieke keuzes achter het beleid helder te maken – in een taal die lokaal wordt begrepen.
Een ruk naar rechts?
Veel aandacht was er voor en na de verkiezingen voor het succes van FVD, en meer algemeen voor het goede resultaat voor radicaal- en extreemrechts. Doorgaans is het vizier hierbij gericht op vier landelijke partijen: FVD, PVV, JA21 en BBB. In hoeverre is er sprake van een ruk naar rechts?
Uitslagen van gemeenteraadsverkiezingen zijn vanwege hun lokale karakter moeilijk te vergelijken – niet tussen gemeenten en al zeker niet met uitslagen van andere verkiezingen. Niet alle landelijke partijen doen overal mee, en bijna iedere gemeente heeft haar eigen lokale partijen. Met deze waarschuwing probeer ik toch eerst een vergelijking te trekken tussen de uitslagen voor de vier genoemde partijen voor heel Nederland in 2022 en 2026. In tabel 1 staan de stemmenpercentages voor de belangrijkste partijen in 2022 en 2026. [14]

De resultaten voor FVD, PVV, JA21 en BBB tellen in 2026 op tot ruim 6% van de stemmen, tegenover ruim 2% vier jaar geleden. Dat is inderdaad een flinke winst, zij het dat de percentages bescheiden zijn gebleven. Maar dit is niet het hele verhaal. In 2022 deed de PVV mee in 31 gemeenten; in 2026 in 40. Voor FVD zijn deze cijfers: 50 gemeenten in 2022, 104 in 2026. De BBB nam in 2022 niet deel aan de raadsverkiezingen en in 2026 in 28 gemeenten. JA21 ten slotte stelde in 2022 in 2 gemeenten kandidaten verkiesbaar, en in 2026 in 7. Alles bij elkaar is het aantal gemeenten waarin radicaal- of extreemrechts deelnam in deze vier jaar dus in ieder geval flink gegroeid, in het geval van FVD zelfs verdubbeld. Dat zal een deel van de winst voor met name FVD verklaren.
Kijk je naar de gemeenten waarin FVD deelnam, dan wordt het resultaat ook duidelijker. In 92 van die 104 gemeenten behaalde FVD ten minste 5% van de stemmen, en in 41 gemeenten lag dit percentage zelfs hoger dan 10%.[15]
Groningen biedt hiervan een illustratie. In drie van de tien Groningse gemeenten nam geen van de vier radicaal- en extreemrechtse partijen deel aan de raadsverkiezingen[16]. In Eemsdelta kregen lokale lijsten ruim 42% van de stemmen, gevolgd door de grote verliezer GL-PvdA met ruim 12% - 9 procentpunt minder dan bij de vorige verkiezingen die voor Eemsdelta wegens een herindeling in 2020 plaatsvonden.
In Veendam behaalde Gemeentebelangen bijna 28%, gevolgd door GL-PvdA met ruim 19%, een verlies van 4%. De lokale lijsten in Veendam haalden samen ruim 40%. In Westerkwartier haalden lokale lijsten meer dan 40% van de stemmen, gevolgd door GL-PvdA met 18%. Kortom, in de gemeenten waar de radicaal- of extreemrechtse partijen niet deelnamen, waren de lokale partijen bijzonder succesvol.
In Het Hogeland nam van de vier partijen alleen BBB deel aan de verkiezingen. BBB haalde ruim 8%; de grootste partijen werden GL-PvdA (die hier met 22% even groot bleef als in 2022) en Gemeentebelangen (21%). In Stad werd GL-PvdA de grootste met 25%, wat tegelijk wel een slechter resultaat was dan vier jaar eerder. Hier deden drie van de vier radicaal- en extreemrechtse partijen mee. FVD haalde bijna 4%, dus relatief weinig gezien de resultaten elders. PVV kreeg ruim 3%, en BBB slechts 0,6% van de stemmen.
In de vijf overige gemeenten deden óf FVD óf PVV mee, en soms BBB. In Midden-Groningen haalde Gemeentebelangen 28%, gevolgd door GL-PvdA met bijna 18%. FVD haalde hier ruim 10%, en de BBB bijna 7%. Samen waren deze twee dus iets kleiner dan GL-PvdA. In Oldambt zijn Gemeentebelangen en GL-PvdA vrijwel even groot geworden (waarbij GL-PvdA verloor ten opzichte van 2022). Hier deed de PVV voor de tweede keer mee, en behaalde nu bijna 11%. Oldambt is ook de gemeente waar de communisten van VCP met succes deelnamen (10%).
In Pekela werd de PVV nipt de grootste met 25%, net voor de SP (bijna 25%). Hier eindigde de lokale lijst Samen voor Pekela als derde, gevolgd door GL-PvdA met 13%. In Stadskanaal eindigde de PVV eveneens als grootste partij, met ruim 19%. Na Lokaal Betrokken en het CDA, eindigde GL-PvdA hier met ruim 11%, ongewijzigd ten opzichte van 2022.
Ten slotte Westerwolde, de gemeente waarin het beroemde en beruchte aanmeldcentrum voor asielzoekers in Ter Apel staat. Lokale partijen behaalden hier samen bijna 39% van de stemmen, en de PVV eindigde als vierde partij met ruim 12%. Hierna volgt BBB met ruim 10%. In Westerwolde deden GroenLinks en PvdA nog met aparte lijsten aan de verkiezingen mee. Samen haalden ze ruim 14% van de stemmen, waarin een flink verlies voor de PvdA verdisconteerd is.
Bijna overal waar PVV en FVD deelnamen aan de verkiezingen, boekten zij goede resultaten, alleen in Stad was hun resultaat matig. De combinatie GL-PvdA heeft in Groningen nergens een winst geboekt die hun opgetelde vorige resultaten overtrof. Waar GroenLinks en PvdA nog apart deelnamen, in Westerwolde, verloor de PvdA terwijl GroenLinks marginale winst boekte.
Door de sterke en vaak dominante positie van lokale partijen die niet goed passen in een links-rechtsstramien, kun je niet zonder meer spreken van een ‘ruk naar rechts’. Daarvoor is gedetailleerder onderzoek naar individuele kiezersstromen nodig. Wel kan worden geconcludeerd dat de radicaal- en extreemrechtse partijen bij deze verkiezingen duidelijke winst hebben geboekt. In twee Groningse gemeenten is de PVV zelfs als grootste partij geëindigd.
Conclusie
Deze uitslagen roepen verschillende vragen op. FVD, een van de weinige partijen die de gaswinning niet definitief willen beëindigen, heeft een goed resultaat geboekt in Midden-Groningen, een gemeente in het aardbevingsgebied. De PVV symboliseert het verzet tegen de opvang van asielzoekers en is de grootste partij geworden in Pekela en Stadskanaal – maar niet in de gemeente Westerwolde met de oertypische opvanglocatie Ter Apel.
Het is moeilijk om in lokale verkiezingsuitslagen een verband te leggen met de standpunten die de landelijke partijen uitdragen. Wel kun je betogen dat de resultaten voor FVD en PVV een afspiegeling zijn van het anti-establishment-sentiment dat een deel van de bevolking in zijn greep heeft, niet alleen in Nederland.
Er is terecht veel geschreven over de radicaal- en extreemrechtse standpunten die PVV, BBB, JA21 en vooral FVD huldigen, hun nativisme, hun anti-elitisme en populisme, en hun gedweep met antidemocratische ideeën. Het zou echter volstrekt onterecht zijn om deze standpunten ook onverdund toe te schrijven aan hun kiezers. Hun kiezers zijn grotendeels teleurgesteld in de gevestigde landelijke partijen, niet per se omdat ze slecht gemeentelijk beleid voeren maar vooral om hun Haagse politiek.
Hun zorgen over de teloorgang van een samenleving die misschien wel nooit heeft bestaan maar die juist daardoor een sterk ideaal vormt, hebben in Den Haag onvoldoende aandacht gekregen, menen zij. Die teleurstelling keert zich in het voormalige rode bolwerk Groningen, en niet alleen daar, al langere tijd tegen de PvdA. Het ziet ernaar uit dat haar opvolger GL-PvdA daaronder te lijden heeft [17].
Het is verleidelijk om uit deze korte bespreking van een tiental gemeenten grote conclusies te trekken over de gevoerde campagne(s), de zichtbaarheid van landelijke politici, de aanpak van het fusieproces, en de koers van PRO. Zulke speculaties laat ik graag over aan anderen. De provincie Groningen laat zien hoe groot de lokale variatie bij deze verkiezingen was. De Groningse politiek wordt als geheel al lange tijd beheerst door de aardgaswinning en landelijke politieke tendensen komen ook in Groningen aan de oppervlakte: verdwenen kiezersloyaliteit, versplinterd partijlandschap, sterke lokale partijen, en de opkomst van radicaal- en extreemrechtse partijen.
Maar elke gemeente kent ook een eigen politieke dynamica. Daarin zorgen de lokale geschiedenis, de lokale politieke leiders en lokale omstandigheden voor de beweging. Deze gemeentelijke dynamiek is het beste bewijs dat de lokale democratie, hoe moeilijk het haar ook wordt gemaakt, levend is.
Noten
[1] Onder deze naam deden de gezamenlijke lijsten ook mee met de raadsverkiezingen; Progressief Nederland (PRO) werd pas erna geïntroduceerd.
[2] De inkomsten van de Nederlandse gemeenten bedroegen in 2025 in totaal circa € 77 mrd. Hiervan werd door het Rijk € 45 mrd (58%) uitgekeerd via het Gemeentefonds, voor zowel taken in medebewind als voor autonome taken. Voor specifieke uitkeringen stelde het Rijk € 18 mrd (23%) beschikbaar. Door eigen belastingen en heffingen ontvingen de gemeenten circa € 14 mrd (18%). Zie voor een kort overzicht: Toelichting Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) op de gemeentefinanciën bij de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer, 28 januari 2026, 16.00 uur – schriftelijke inbreng.
[3] Dion Koerntjes (2022). Het verschil in opkomst tussen Tweede Kamerverkiezingen en gemeenteraadsverkiezingen. Centraal Bureau voor de Statistiek: Statistische trends, 4 maart 2022.
[4] Hans Vollaard en Henk van der Kolk (2026). Opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen wordt in 2026 lager dan ooit. StukRoodVlees.nl, 12 maart 2026.
[5] NOS Nieuws, 27 februari 2026, op nos.nl.
[6] André Blais (2000). To vote or not to vote: The merits and limits of rational choice theory. University of Pittsburgh Press; Kaat Smets & Carolien van Ham (2013). The embarrassment of riches? A meta-analysis of individual-level research on voter turnout. Electoral Studies.
[7] Alfons Fermin, Zeki Arslan en Peter Zwaga (red.) (2026). Veertig jaar lokaal kiesrecht voor migranten Ervaringen, inzichten en uitdagingen. Fermin Onderzoek & Advies, Utrecht en Platform Sociale Binding, Amsterdam.
[8] CBS.nl (2024). Grote verschillen brede welvaart tussen landelijke gebieden. Onder ‘brede welvaart’ verstaat het CBS een combinatie van verschillende indicatoren voor materiële en immateriële welvaart.
[9] Julien van Ostaaijen (red.) (2021). Lokale partijen in de praktijk: Een overzicht van kennis over het functioneren van lokale partijen in Nederland. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: Kennisbank Openbaar Bestuur.
[10] Al is het onderscheid (nog) wel belangrijk voor de financiering van partijen. Momenteel ontvangen alleen partijen die in de Staten-Generaal vertegenwoordigd zijn een rijkssubsidie.
[11] Ingrid van Biezen en Geerten Waling (2021). ‘2: Een eeuw lokale partijen in Nederland’, in Van Ostaaijen (red.) a.w., p.11-26.
[12] De fragmentatie van de gemeenteraden lijkt in 2026 op het eerste gezicht niet verder toegenomen te zijn maar dat is grotendeels te verklaren doordat GroenLinks en PvdA dit jaar met gezamenlijke lijsten deelnamen; zie Simon Otjes en Henk van der Kolk (27 maart 2026). Is de versplintering van gemeenteraden in 2026 inderdaad gedaald? Stukroodvlees.nl. Bovendien staan we nog aan het begin van een nieuwe raadsperiode, waarin ongetwijfeld nieuwe breuken en afsplitsingen zullen voorkomen; in het Drentse Hoogeveen viel FVD, dat daar voor de tweede keer meedeed, al binnen een week na de verkiezingen uiteen.
[13] Van Biezen en Waling, a.w.; Julien van Ostaaijen, Milou Peeters en Sander Jennissen (2021). ‘7: Bekend op straat en in de raad: Verkennend onderzoek naar de succesfactoren van nieuwe lokale partijen’, in Van Ostaaijen (red.) a.w., p.60-81.
[14] NOS.nl, geraadpleegd 31 maart 2026. Partijen die in 2022 samen nog 4,3% van de stemmen hadden behaald, deden in 2026 niet meer mee. Hierbij zaten onevenredig veel lokale partijen, waardoor de ‘winst’ van de lokale partijen in de tabel wat overdreven is. De lokale partijen behaalden feitelijk ongeveer hetzelfde resultaat als vier jaar geleden. Zie Binnenlands Bestuur (28 maart 2026). Lokale partijen wonnen maar minimaal. www.binnenlandsbestuur.nl/bestuur-en-organisatie/lokale-partijen-wonnen-maar-minimaal.
[15] NRC Handelsblad (19 maart 2026). FVD wint fors, lokale partijen blijven het grootst.
[16] In geen enkele Groningse gemeente deed JA21 mee aan de verkiezingen.
[17] De kiezers van GroenLinks en van PvdA waren in 2023 nog duidelijke verschillend van elkaar, zowel in generatie (voormalige PvdA-stemmers zijn gemiddeld veel ouder) als in de prioriteit die ze aan politieke problemen gaven (onder meer inkomensverdeling tegenover klimaat). Zie Sandor Schaudt (2025). Rode boomers en groene Gen Z’ers? Een onderzoek naar generatieverschillen in het electoraat van GroenLinks-PvdA in 2023. Masterthesis Sociologie, Rijksuniversiteit Groningen.