Bij werk denken we nog altijd in de eerste plaats aan betaald werk. Ook dit themanummer van S&D gaat vooral over betaald werk. Maar er wordt ook heel veel onbetaald werk gedaan, dat echter meestal onzichtbaar blijft. Schrijver en journalist Lynn Berger schreef er voor De Correspondent het boek ‘Ik werk al (ik krijg er alleen niet voor betaald)’ over. S&D-redacteuren Paul de Beer en Janneke Holman interviewden haar naar aanleiding van haar boek. 

Paul de Beer is emeritus hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de UvA en verbonden aan AIAS-HSI. Janneke Holman werkt bij de Wiardi Beckman Stichting.

In je boek stel je dat de belangrijkste strijd van deze tijd de strijd is tussen betaald en onbetaald werk. Wat bedoel je precies met die uitspraak?
Lynn Berger: ‘Er is tegenwoordig veel strijd, maar dit is er een die iedereen raakt. Iedereen werkt en iedereen is afhankelijk van werk. In het publieke debat gaat het vooral over tekorten op de arbeidsmarkt en de vraag hoe we die kunnen opvangen. Dan wordt er vaak gewezen naar vrouwen die in deeltijd werken: als zij meer betaald werk doen, lossen we tekorten op, stijgen de belastinginkomsten en verbetert de emancipatie. Maar daarbij wordt volledig voorbijgegaan aan het andere werk dat mensen doen: onbetaald werk, zoals zorgen voor kinderen, mantelzorg en huishoudelijk werk. Dat werk is minstens zo noodzakelijk. En ook daarvan wordt verwacht dat we méér doen. Dus er ontstaat een dubbele druk: méér betaald werk en méér onbetaald werk. Dáár zit de strijd.’

Lynn Berger - foto: Niels van Veen

Lynn Berger - foto: Niels van Veen

Dus eigenlijk een strijd om schaarse tijd?
‘Precies. En veel mensen zien maar de helft van die strijd, omdat onbetaald werk niet als werk wordt gezien. Maar voor goed beleid moet je beide kanten in ogenschouw nemen.’

Is die strijd automatisch ook een strijd tussen mannen en vrouwen?
‘Vaak wordt het wel zo voorgesteld, omdat vrouwen meer onbetaald werk doen en mannen meer betaald werk. Maar ook mannen besteden gemiddeld zeventien uur per week aan onbetaald werk – vrouwen 26. Dat is een verschil van negen uur, maar zeventien uur is niet niks. Mannen zorgen ook voor kinderen, doen huishoudelijk werk, zijn mantelzorger. Het is niet productief om vrouwen weg te zetten als ‘deeltijdprinsesjes’ of mannen als luiaards. De echte strijd gaat niet tussen mannen en vrouwen, maar tussen mensen en een systeem dat alleen voltijds betaald werk waardeert.’

Toch lijkt in die strijd het onbetaalde werk vaak te verliezen. Het wordt minder gewaardeerd. Je beschrijft ook dat dit historisch en economisch verklaarbaar is.
‘Ja, in een kapitalistische logica telt alleen loonarbeid. Zorg is repetitief en brengt geen “nieuw product” voort, waardoor het minder zichtbaar is. We zien eerder wat uitzonderlijk is en groeit, niet wat constant is en zich herhaalt. En zorg is overal, vanaf het moment dat je geboren wordt tot je sterft, waardoor het vanzelfsprekend lijkt. Pas als het wegvalt, valt het op. Bovendien wordt ook professionele zorg door bijvoorbeeld verpleegkundigen en in de kinderopvang, die wel betaald is, relatief laag beloond. Dat laat zien dat die onderwaardering systemisch is.’

Je kunt zeggen: het is onbetaald omdat we het niet waarderen, of we waarderen het niet omdat het onbetaald is. Wat denk jij?
‘Het versterkt elkaar. Daarom waren er feministische bewegingen als Wages for Housework. Niet om vrouwen per se salaris te geven, maar om duidelijk te maken dat dit werk ook arbeid is. Geld is immers hét symbool van waarde in onze samenleving. Tegelijk was er de angst bij feministische denkers dat een huisvrouwenloon vrouwen juist binnenshuis zou houden, weg van de rest van de arbeidsmarkt. Daar zie je weer dat betaald werk toch als het hoogste doel wordt gezien.’

En toch hebben vrouwen in de afgelopen decennia massaal de stap naar betaald werk gezet, terwijl mannen maar mondjesmaat meer onbetaald werk zijn gaan doen.
‘Dat heeft ook te maken met culturele normen. Een moeder van jonge kinderen die vijf dagen betaald werkt, krijgt nog steeds vaker scheve blikken dan een vader. Bovendien zijn deeltijdbanen vooral genormaliseerd in sectoren waar vrouwen werken, zoals zorg en onderwijs. Die structuren en verwachtingen spelen een grote rol.’

Uit onderzoek van de Universiteit van Amsterdam blijkt dat bijna drie kwart van de vrouwen en ruim zes op de tien mannen vinden dat huishoudelijk werk gelijk verdeeld zou moeten zijn. Vind je dat hoopgevend?
‘Het is in elk geval een meerderheid, dat lijkt me hoopgevend. We weten ook dat ongeveer zes op de tien stellen zeggen dat ze zorg en huishoudelijk werk graag gelijk willen verdelen, maar in de praktijk lukt het maar bij één op de tien. Dat heeft deels te maken met geïnternaliseerde normen over de rol van mannen en vrouwen. 

Het heeft ook te maken met beleid: vrouwen krijgen langer geboorteverlof, dus zij oefenen langer met zorgen en worden er sneller beter in, waardoor ze dit werk ook eerder naar zich toetrekken. En omdat hun salaris vaak lager is, blijft de man vaker fulltime werken en doet de vrouw minder betaald werk. Het is dus een combinatie van cultuur en structuur waarom het vaak niet lukt.’

Moeten we streven naar volledige gelijkheid in de verdeling van betaald en onbetaald werk?
‘Ideaal gezien kiest iedereen zelf. Maar wat betekent “vrij kiezen” als je omgeving die keuzes voortdurend beïnvloedt? Je kunt vrijheid vergroten met beleid dat gelijkheid faciliteert, zoals ouderschapsverlof of kortere werkweken. Helemaal vrije keuze is een illusie.’

Andere landen, zoals de Scandinavische, hebben veel onbetaald werk geprofessionaliseerd. Zou dat ook voor Nederland de weg zijn?
‘Uitbesteden kan zeker helpen, bijvoorbeeld met universele, gratis kinderopvang. Maar je moet je afvragen of we alles moeten professionaliseren. Onbetaalde zorg heeft ook betekenis: zorgen voor je kind of je ouder is voor veel mensen een bron van zingeving en betekenis. Emancipatie betekent niet dat vrouwen precies gaan leven zoals mannen, maar dat mannen ook meer ruimte krijgen om te zorgen.’

In de jaren zeventig en tachtig was er al een discussie over arbeidstijdverkorting. Er waren voorstellen voor een vijfurige werkdag of een 32-urige werkweek. Uiteindelijk is er in het Akkoord van Wassenaar maar een klein stapje gezet, naar 37 of 38 uur. Sindsdien is er eigenlijk weinig veranderd. Denk jij dat die discussie opnieuw gevoerd moet worden, en dat we toe moeten naar een nieuwe norm voor een kortere werkweek?
‘Ja, en ik heb ook het idee dat dit al gebeurt. Je ziet experimenten in verschillende landen met de vierdaagse werkweek, en ook bij Nederlandse bedrijven: AFAS heeft het ingevoerd, Achmea is naar 34 uur gegaan. Dat komt mede voort uit het besef dat werknemers meer te doen hebben in hun leven dan vijf dagen betaald werken. 

Generatie Z wordt vaak weggezet als lui omdat ze minder willen werken, maar volgens mij gaat het erom dat ze inzien dat er meer is in het leven dan alleen betaald werk. De vijfdaagse werkweek is geen natuurwet – het was vroeger zes dagen en kan dus ook weer veranderen. Zeker met de vergrijzing en de verwachting dat mensen meer mantelzorg moeten doen, lijkt het me verstandig opnieuw naar de werkweek te kijken.’

Maar hoe krijg je dat voor elkaar? Moet er een wettelijke plicht komen, of begint het juist bij een culturele verandering?
‘Dat is moeilijk te zeggen. Soms komt de wet eerst en volgt de cultuur, soms is het andersom. Je hebt voor beide argumenten. Grote bedrijven die het voortouw nemen, zoals AFAS of Achmea, kunnen rolmodellen zijn en zo een culturele verschuiving in gang zetten. Maar het kan ook zijn dat wetgeving nodig is om een doorbraak te forceren, omdat er anders te weinig verandert.’

Er zit natuurlijk ook een risico in, omdat bedrijven als AFAS en Achmea vooral kantoorbanen hebben. Terwijl juist in sectoren als zorg en onderwijs, of in fysiek zware beroepen zoals de bouw of het werk van stratenmakers, de tekorten groot zijn. Daar is arbeidstijdverkorting misschien veel lastiger door te voeren.
‘Ja, dat hoor ik ook terug. Ik kreeg bijvoorbeeld een mail van iemand die bij de waterzuivering werkt. Die zei: als wij allemaal minder gaan werken, dan zitten mensen straks zonder schoon drinkwater. Dus het kan niet overal op dezelfde manier. Maar je kunt wél overal nadenken over meer flexibiliteit. Dat mensen in bepaalde periodes van hun leven minder betaald werken vanwege zorgtaken, en later weer meer. Nu heerst nog te vaak het idee dat je van je 25ste tot je 65ste fulltime beschikbaar moet zijn voor de banenmarkt. Daar zouden we flexibeler mee om moeten gaan, voor zowel mannen als vrouwen.’

Je stelt ook dat ouderschapsverlof verbeterd moet worden. Hoe voorkom je dat vooral vrouwen daarvan gebruikmaken?
‘In Scandinavië is verlof niet of slechts deels overdraagbaar. Neem je het als vader niet op, dan vervalt het. Dat stimuleert gelijk gebruik. Zelf zou ik denken aan een jaar verlof, verdeeld tussen beide ouders. Dat helpt ook de kinderopvang: jonge baby’s hebben baat bij zorg door ouders, en vanaf een jaar is kinderopvang in een groep juist goed voor de sociale ontwikkeling. Omdat de verhouding tussen het aantal kinderen en pedagogisch medewerkers groter is bij oudere kinderen, ondervang je zo ook het personeelstekort in die sector.’

Mantelzorg komt steeds vaker op de agenda, zeker met de vergrijzing. Hoe zou je mantelzorgers beter kunnen ondersteunen?
‘Nu is er een beperkt zorgverlof: twee weken gedeeltelijk betaald, zes weken onbetaald. Dat is weinig. Je zou langduriger verlof met gedeeltelijke doorbetaling kunnen invoeren. Bijvoorbeeld dat iemand een jaar lang parttime kan werken om te zorgen. Veel mantelzorgers vertelden mij dat het vaak een jaar duurt voordat je het zorgen op de rit hebt. Bijvoorbeeld voordat je dagbesteding hebt geregeld voor je moeder met dementie en een team hebt georganiseerd dat samen met jou voor haar zorgt. Dat zou je zo makkelijk mogelijk willen maken.’

Je pleit ook voor een andere blik op zorg. Vaak wordt zorg vooral gezien als kostenpost. Hoe kijk jij daar tegenaan?
‘Ons beeld van zorg is eigenlijk veel te beperkt. In Nederland hebben we het over “de zorg” en dan bedoelen we professionele zorg, meestal in de context van ziekte of beperkingen. Terwijl de informele zorg – ouders die voor kinderen zorgen, mantelzorgers die voor hun naasten zorgen – daar onlosmakelijk mee verbonden is. Zorgen voor elkaar is niet een randverschijnsel, het is de basis. Zonder zorg kan niets anders functioneren. Het zou dus veel meer in het centrum van ons denken moeten staan.’

Toch gaat de discussie maatschappelijk bijna altijd over de kosten van de zorg. We spreken niet over opbrengsten, zoals bij de industriële of financiële sector. 
‘Terwijl zorg óók veel oplevert: gezonde, gelukkige, verbonden mensen. Dat is een investering, geen kostenpost. Evelien Tonkens schrijft in het boek Er is wél een alternatief dat we de zorg moeten zien voor wat het is: ‘een bijdrage aan welvaart en onze economie, met zinvol werk dat het milieu relatief weinig belast’.

Binnen de zorg zelf zie je ook verschillen. Waarom wordt door de samenleving het werk van een hartchirurg hoger gewaardeerd dan zorg voor dementerende ouderen, denk jij?
‘De Amerikaanse arts Atul Gawande maakt een onderscheid tussen heroïsche zorg en incrementele zorg. Heroïsche zorg is de chirurg die in één keer een leven redt – spectaculair en zichtbaar. Incrementele zorg is het dagelijkse werk van verpleegkundigen en huisartsen: stapje voor stapje zorgen dat iemand zich staande houdt. Dat laatste zien we minder snel als waardevol, omdat het repetitief is, niet spectaculair, en relatief vaak door vrouwen wordt gedaan. Daardoor wordt het gezien als minder.’

Met het oog op de verkiezingen en de kabinetsformatie: je boek heb je twee jaar geleden geschreven. Zijn er dingen waarvan je nu denkt: dat had ik toen ook moeten opschrijven, omdat de politiek daar echt mee aan de slag zou moeten?
‘Ja, er is de laatste tijd opnieuw discussie over het kerngezin. We gaan er in beleid en in de samenleving nog steeds van uit dat alle zorg voor kinderen binnen dat ene gezin moet worden gegeven. Maar dat legt een enorme druk op ouders, en vooral op moeders. Ik denk dat zorg breder gedragen zou moeten worden.’

Hoe zou je dat kunnen vormgeven?
‘Je kunt denken aan meer collectieve vormen van zorg en ondersteuning. In Rotterdam heb je bijvoorbeeld het initiatief Mensa Mensa, dat vroeger De Volkskantine heette. Daar kunnen buurtbewoners goedkoop komen eten: goed eten als een publiek goed. Koken voor een gezin is best een grote belasting: elke dag boodschappen doen, koken, opruimen. Door dat collectief te organiseren verlicht je die last en maak je sociale ontmoetingen en verbindingen mogelijk.

Een ander voorbeeld zijn woonvormen waarin mensen collectief samenleven. Als volwassenen meer taken en verantwoordelijkheden delen, hoef je niet alles binnen dat ene kerngezin op te lossen. Dat kan gaan om koken, maar ook om opvang en zorg voor kinderen of het ondersteunen van ouderen.

Ik zie kansen in het ondersteunen of subsidiëren van zulke initiatieven – volkskantines, collectieve woonvormen, buurtvoorzieningen. Daarmee maak je zorg minder geïsoleerd en minder zwaar voor individuele gezinnen. Het zou niet alleen de verdeling tussen mannen en vrouwen lichter maken, maar de hele samenleving erbij betrekken. Dat haalt zorg weg uit die benauwde eenheid van het kerngezin en maakt het tot iets gezamenlijks, iets dat we met elkaar dragen.’

Dossiers

Voor een thematisch overzicht van al onze artikelen en publicaties, zie onze dossiers

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.