Als we de verkiezingsnederlaag maar ten dele kunnen wijten aan de 'usual suspects' zoals het programma, de lijsttrekker of de campagne, waarom heeft de fusiepartij het dan niet beter gedaan bij de verkiezingen?

Wibo Koole & Frans Leijnse 
Wibo Koole is politicoloog, organisatieadviseur en oud-voorzitter PvdA-Amsterdam en Frans Leijnse is socioloog, oud-informateur en voormalig Eerste- en Tweede Kamerlid PvdA

De verkiezingsuitslag van oktober 2025 was voor Groenlinks-PvdA opnieuw teleurstellend. Hoe kon het dat de belofte van een versterkte sociale meerderheid niet bewaarheid werd? Oppervlakkige verklaringen wijzen al snel naar het ‘te linkse programma’, waardoor in het midden een gat ontstond waar D66 in kon springen. Of naar de lijsttrekker, die allerlei zaken ‘beter over het voetlicht’ had moeten brengen. Of naar de campagne, die ‘te flets en amateuristisch’ zou zijn geweest. Maar ook als dat allemaal waar zou zijn, verklaart dat nog niet waarom de potentiële kiezer die in 2022 in peilingen razend enthousiast was over de nieuwe combinatie op links, nu al de moed zo drastisch heeft opgegeven. In dit artikel gaan we op zoek gaan naar diepere oorzaken voor het gebrek aan electorale aantrekkingskracht van de nieuwe fusiepartij. 

The usual suspects?

Het gebruikelijke frame dat de fusiepartij door de inbreng van GroenLinks programmatisch te veel naar links is opgeschoven en daardoor D66 en het CDA de gelegenheid heeft gegeven kiezers in het midden te binden, is ter rechterzijde gretig (VVD) maar ook door oude PvdA-prominenten regelmatig aangehaald: ‘De kiezer gaat naar rechts en wij gaan naar links, dat kan niet goed zijn’ (dixit Ad Melkert bij Pauw & De Wit). Maar is de kiezer in werkelijkheid op 29 oktober wel naar rechts gegaan?

Politicoloog Tom van der Meer laat inderdaad zien dat het radicaal-rechtse blok (PVV, FvD, JA21) dat in 2023 zo stevig had gewonnen zich per saldo gehandhaafd heeft.[1] Maar tegelijk hebben de partijen van centrumrechts die uit electorale motieven meebuigen met de antidemocratische rechtse populisten (VVD, BBB, NSC) een omvangrijk verlies van 25 zetels geleden. Die zetels zijn naar het democratische midden (CDA, D66) gegaan, een beweging van rechts naar het midden dus. Daarmee heeft het democratisch midden nog lang niet de omvang van vroeger maar is het met 44 zetels wel een stuk opgeschoten om de sleutelpositie in de landelijke politiek te hernemen. 

Dat is nogal van belang omdat de meelopers van centrumrechts, die in de geschiedenis altijd cruciaal bleken om autoritaire leiders aan de macht te helpen, zo hun greep op de regeringsmacht verloren hebben. Je kunt toch moeilijk volhouden dat ‘de kiezer’ naar rechts beweegt als hij in plaats van Wilders en Schoof nu Jetten en Bontenbal aan de macht heeft geholpen.

Hoewel het midden dus nog wel wat sterker mag worden, is het grootste probleem voor GL-PvdA dat tegelijk links als geheel en de linkse volkspartij in het bijzonder zo is geslonken. Wie daaruit onmiddellijk de conclusie trekt dat links zich dus ‘te links’ heeft opgesteld, verwart correlatie met causaliteit - een in de politiek vaak gemaakte fout. De beweging die één op de vijf van de eerdere GL-PvdA-kiezers in de laatste week naar D66 maakte, zal toch niet zijn voortgekomen uit een weloverwogen afwijzing van het linkse verkiezingsprogramma? 

De aantrekkelijke jeugdige en vitale profilering van Rob Jetten, in combinatie met strategische overwegingen (de kans om Wilders te verslaan) lijken als verklaring meer voor de hand te liggen. Wie het linkse profiel van ons programma aanhaalt als belangrijkste oorzaak van het electoraal falen voert vooral een partij-interne discussie, die wel de talkshows haalt en daarmee de partij verder beschadigt, maar de kiezer bij zijn keuze niet bezighoudt.

Er is voldoende, ook internationaal, onderzoek dat erop wijst dat wanneer sociaal-democraten programmatisch naar het midden bewegen ze kiezers verliezen op links (aan SP, DENK en PvdD) en nauwelijks winnen onder gematigde kiezers.[2] Dat wordt ook bevestigd door de desastreuze afloop van de twee periodes waarin de PvdA zich niet links maar daadwerkelijk in de plaats van het CDA als middenpartij opstelde en met centrumrechts regeerde. 

Die twee perioden onder Kok/Melkert (1994-2002) en onder Samsom/Asscher (2012-2017) resulteerden bij de volgende verkiezingen in het dramatische verlies van respectievelijk 50% en 75% van de aanvankelijke kiezersaanhang. Het zijn records die inmiddels alleen door NSC zijn geëvenaard. Kiezers liepen weg naar links. In het midden bleken de sociaal-democraten weinig te zoeken te hebben, in ieder geval geen kiezers. 

Een partij die zijn herkenbare, in ons geval linkse profiel vaag maakt door als middenpartij te poseren krijgt onherroepelijk de rekening gepresenteerd. In dat opzicht was het nieuwe programma met zijn duidelijke keuze voor solidariteit, samen aanpakken en de sociale meerderheid aan de macht een uitstekend uitgangspunt voor deze campagne. De les die we moeten leren is dat zo’n duidelijk links profiel (lang) niet genoeg is om de kiezers op links te verzamelen. Er is meer nodig. 

Dus als het niet aan het programma heeft gelegen, lag het dan misschien aan de lijsttrekker? Wij spreken genoeg oude en nieuwe partijgenoten om te kunnen vaststellen dat intern (zeer) geregeld naar Frans Timmermans werd gewezen als belangrijkste oorzaak van het bescheiden resultaat. Ook peilingen lieten zien dat hij al in 2023 voor GL-PvdA-kiezers niet de gedroomde lijsttrekker was. 

Onmiskenbaar heeft Frans Timmermans niet het charisma dat politieke leiders bij brede groepen kiezers populair maakt. Bovendien is hij met 64 van een andere generatie dan de belangrijkste concurrenten Jimmy Dijk (40), Rob Jetten (38), Esther Ouwehand (49), Laurens Dassen (40) en Henri Bontenbal (42) en dat betekent een zichtbaar nadeel in vitaliteit en flexibiliteit. Daarbij is zijn superioriteit qua bestuurlijk-inhoudelijke ervaring en kwaliteit soms meer een nadeel dan een voordeel. Frits Abrahams merkte in de NRC terecht op dat ‘het beste jongetje van de klas niet altijd het populairste jongetje is’.[3]

Dat is Frans Timmermans niet aan te rekenen, en doet niets af aan zijn sterke campagne-prestatie. De genoemde handicaps waren al in 2023 ruimschoots bekend en ze hebben toen, evenmin als in 2025, tot de afweging geleid een ander, jonger iemand, met minder het stempel van de oude PvdA, en met meer aansluiting bij nieuwe kiezers als lijsttrekker te benoemen. Wie zijn oor te luisteren legt in vooral de PvdA weet ook waarom: er is geen partij waarvan het kader zo vergrijsd was in de jaren 2017–2023 en waarin (dus?) zoveel mensen rondlopen die het bestaan van een generatieprobleem het liefst ontkennen. Maar het is de vraag of de kiezer – en vooral de nieuwe en jongere kiezer – daar net zo over denkt. Die ziet namelijk dat de wereld snel verandert en dat de oude politiek daar steeds minder bij past. Het is de toekomst die telt, en niet het verleden. 

Wist men dit dan niet in de partijtoppen? In 2023 heeft men volgens Coen van de Ven – die het fusieproces jarenlang nauw heeft gevolgd - doelbewust een lijsttrekkersverkiezing vermeden omdat peilingen aangaven dat onder de leden meer steun was voor andere kandidaten.[4] De leden en potentiële kiezers leken dus wel degelijk te voorzien dat dit lijsttrekkerschap een handicap zou zijn voor de nieuwe partij. 

Ondanks deze nadelen heeft Frans Timmermans zeker in de laatste weken een goede campagne gevoerd en de nieuwe boodschap van solidariteit als kernwaarde helder over het voetlicht gebracht, waarmee hij en passant ook nog de opgeklopte tegenstelling tussen ‘rode’ en ‘groene’ waarden overbrugde. Maar geholpen heeft het niet. En hoe moreel juist Frans Timmermans ook gehandeld heeft door de verantwoordelijkheid voor het verlies voluit op zich te nemen, de echte fout ligt natuurlijk bij de keuze om hem in deze positie naar voren te schuiven, daarbij de duidelijke twijfels negerend.

Dieper steken

Als we de usual suspects (programma, lijsttrekker, campagne) niet de schuld kunnen geven, moeten we dieper kijken. Zou de sleutel tot het falen bij twee opeenvolgende verkiezingen in de fusie kunnen liggen? Zouden misschien de wijze waarop het fusieproces is aangepakt, de angst voor scheuring, de traagheid, de overconcentratie op behoud en continuïteit en (vooral) het onvermogen om de politieke voordelen van drastische vernieuwing te zien en te grijpen, de voorwaarden hebben geschapen voor het electorale falen van de nieuwe partij? En is daarbij wellicht de onverwerkte erfenis van de eerdere terugval van zowel de Partij van de Arbeid (2017, 2021) als GroenLinks (2021) de belangrijkste factor geweest die tot dit gemankeerde fusieproces heeft geleid? Daarmee de nieuwe partij op voorhand berovend van zijn belangrijkste unique selling point: werkelijk nieuwe linkse politiek te zijn.

De wetenschap dat partijfusies veelal even tijd nodig hebben om succesvol te worden betekent niet dat je het maar beter rustig aan kunt doen. Integendeel, het had reden moeten zijn om goed te doordenken hoe je het momentum voor een nieuwe partij zo goed mogelijk kunt benutten. Dat kiezers gevoelig zijn voor nieuwe partijen is een bekend feit. De snelle opkomst van nieuwe partijen zoals Forum voor Democratie (2019), BBB (voorjaar 2023) en NSC (najaar 2023) illustreert dat het gedaalde ‘vertrouwen in de politiek’ eigenlijk meer een gedaald vertrouwen in de ‘gevestigde macht van het moment’ is. 

Een partij die zich geloofwaardig als nieuw, of in ieder geval zoals het huidige CDA als drastisch herbrond en in personeel opzicht verjongd weet te presenteren, kan op een gunfactor rekenen bij een flink deel van het electoraat, zeker in tijden van grote maatschappelijke verandering. De fusiepartij heeft de kans niet gepakt zich als vernieuwer te presenteren, bouwend op de kritische energie in de samenleving. Er was niet eens een nieuwe naam. 

De verwachting dat kiezers vaak de kans geven aan iets nieuws werd in 1945 treffend door Winston Churchill als politiek adagium geformuleerd. Tijdens de conferentie van Potsdam ter afronding van de Tweede Wereldoorlog werd hij geconfronteerd met een enorme verkiezingsnederlaag aan het thuisfront. Niet de held die het Westen door de oorlog had gesleept, maar Labour-leider Clement Attlee bleek de voorkeur van de Britse kiezers te krijgen. Op vragen van verslaggevers merkte Churchill op dat hij niet verbaasd was: ‘De mensen stemmen niet op je vanwege je prestaties in het verleden, maar om wat zij hopen en verwachten dat je in de toekomst gaat doen.’ Die wijsheid, dat de kiezer vooruitkijkt en partijen beloont die overtuigend een betere toekomst beloven, geldt onverminderd. 

In dat licht was het dus niet verwonderlijk dat toen de eerste aanzetten tot fusie van GroenLinks en PvdA in 2021 algemeen bekend werden de reactie bij leden en kiezers direct positief was. Het cruciale manifest van de jongere generatie van RoodGroen werd al in 2021 door duizenden oude en jonge PvdA-ers en GroenLinksers onderschreven. Een actie voor het dubbellidmaatschap kreeg opvallend veel respons, ook van prominenten in beide partijen. Het gestage ledenverlies (dat de PvdA al sinds het aantreden van Wim Kok als partijleider in 1988 jaarlijks deed slinken) stopte in beide partijen, en naarmate de fusie concreter werd, begonnen zelfs grote aantallen nieuwe en beduidend jongere leden toe te stromen. 

Opiniepeilers legden vanaf voorjaar 2023 kiezers ook de vraag voor hoe ze zouden stemmen als de twee partijen niet afzonderlijk maar met één lijst de verkiezingen in zouden gaan. Een fusiepartij GL-PvdA bleek het toen niet alleen substantieel beter te doen dan de afzonderlijke lijsten samen, maar bood ook perspectief op meer dan 30 zetels. Die signalen hadden voldoende moeten zijn om de koers voluit op versnelde fusie én drastische programmatische en personele vernieuwing te zetten. Toen de VVD in de zomer van 2023 een einde maakte aan het kabinet-Rutte IV en verkiezingen in het najaar forceerde, deed zich de kans voor dit momentum te benutten. Maar de overheersende opvatting in de partijtoppen was dat deze verkiezingen ‘veel te vroeg’ kwamen. De buitenwereld had zich, schande, weer eens niet aan onze schema’s gehouden.

De uitgebreide beschrijving van het fusieproces in Een links verhaal van Coen van de Ven leest als een geweldig interessante politieke psychologie, waarin de hoofdpersonen elkaar goed weten te vinden en vast te houden.[5] Maar tussen de regels door ziet de goede verstaander geleidelijk ook een levensgroot probleem. In het fusieoverleg ontbreekt van begin tot eind de reflectie op politieke en electorale effecten van wat men aan het doen is. Wat wel en niet indruk op de kiezers zou kunnen maken komt niet aan de orde, de programmatische inhoud wordt steeds weggeschoven en politiek-strategische overwegingen blijven buiten beschouwing. Alle aandacht is gericht op het partij-interne proces en de procedurele zorgvuldigheid. Je zou niet zeggen dat het hier een fusieproces van twee politieke partijen betreft.

De partijbesturen die het fusieproces in handen nemen, stellen zich uit voorzichtigheid (PvdA) en angst voor interne tegenstellingen (GroenLinks) sterk procesgericht op. Voortdurend wordt er vertraagd om procedurele risico’s te minimaliseren, terwijl iedere ledenuitvraag weer laat zien dat die risico’s er niet zijn: 80-90% van de leden wil vooruit en wel snél. 

Deze angstige en defensieve houding speelt de nieuwe partij van begin af aan parten. Men had er wijs aan gedaan het in de organisatiekunde bekend adagium ter harte te nemen dat een transitie van A naar B alleen kan slagen als de werkwijzen, methoden en cultuur van B worden gehanteerd. Met de oude methoden en werkwijzen van A kom je zeer waarschijnlijk weer bij A uit en niet bij het gewenste B. Precies dat lijkt nu te zijn gebeurd. De nieuwe partij staat er nog steeds niet, de naam is nog steeds belast met de oude labels, in de stappen die gemaakt worden leeft het verleden voort. De kiezer heeft zich nu teleurgesteld afgewend: van het linkse front geen nieuws.

Doordat voorzichtigheid troef is, krijgen oude prominenten veel aandacht en blijft lange tijd het beeld bestaan dat er grote verdeeldheid heerst en de fusie ‘nog lang geen gelopen race is’. De pers pakt dit uiteraard gretig op, en dat kun je ze moeilijk verwijten. In de loop van 2022 doen de leden van PvdA en GroenLinks een duidelijke uitspraak als zij in het ledenberaad vaststellen dat er één gezamenlijke fractie in de Eerste Kamer komt, terwijl een bijna-meerderheid tegen het advies van het partijbestuur ook al een gezamenlijke lijst zou willen zien. 

In 2023 wordt bij referendum met overweldigende meerderheden vastgelegd dat de Tweede Kamerverkiezingen nu met één lijst worden ingegaan. De partijtop van de PvdA (fractievoorzitter, partijvoorzitter) toont zich verrast en verbaasd: dit had men niet verwacht. Maar in plaats van de gelegenheid aan te grijpen en de door de leden zo duidelijk gevraagde snelle en daadkrachtige vernieuwing zichtbaar te maken houdt men de touwtjes stevig in eigen hand en gaat op de ingeslagen weg verder.

En dat leidt onvermijdelijk ook in het externe politieke proces tot suboptimale uitkomsten. Dat zien we bij de aanwijzing van de lijsttrekker voor de Tweede Kamerverkiezingen van november 2023. De partijtoppen wilden een lijsttrekkersverkiezing deze keer vermijden. Gewezen werd op de rampzalige door Hans Spekman georkestreerde tweestrijd Asscher-Samsom, waarbij vergeten werd dat hier niet de verkiezing als zodanig maar het splijtende onderlinge debat dat eraan voorafging de negatieve uitkomst bepaalde. 

Bovendien was men bang dat een verkiezing onder de leden langs de oude partijlijnen zou lopen wat de eensgezindheid over de fusie zou kunnen verstoren. Dat die angst niet op zijn plaats was bleek later uit peilingen die aangaven dat leden (en kiezers) hun voorkeur voor een kandidaat-lijsttrekker nauwelijks door de oude partijlijnen lieten bepalen maar meer door het charisma, de bredere aantrekkingskracht van de verschillende kandidaten en de mate waarin zij verandering beloofden.

En zo werd Frans Timmermans in september 2023 tegen de regels van de partijdemocratie, en waarschijnlijk tegen de zin van een meerderheid van de leden, aangewezen als lijsttrekker voor de nieuwe gezamenlijke lijst. Op dat lijsttrekkerschap werd door die gang van zaken een hypotheek gelegd die niet gemakkelijk te torsen was, to put it mildly. Zelfs voor iemand met de kwaliteiten van Frans Timmermans zou het onmogelijk blijken de vloek een voortzetting te zijn van het oude PvdA-denken (waar de kiezer in 2002, 2017 en 2021 meedogenloos mee afgerekend had) en van het GroenLinkse-denken (dat in 2021 ook een forse tik had gekregen) van zich af te schudden. 

Dat brengt ons bij de eerste achterliggende oorzaak van de teleurstellende uitslag van 29 oktober: het op voorzichtigheid en beheersbaarheid van het fusieproces gestoelde onvermogen van de partijleiding om het politieke momentum te creëren en te benutten voor een vernieuwende en mobiliserende aanpak

Onverwerkt falen: 2017 en 2021

Maar er is nog een tweede oorzaak en die heeft te maken met een fusiediscours dat zeer overwegend is gegaan over het behoud van oude sociaal-democratische en ecologische waarden in het nieuwe geheel, het behoud van het verleden en continuïteit. En er is veel te weinig gezegd over de aansprekende nieuwe visie van de partij op de toekomst van onze samenleving. 

Vanwaar die hang naar het verleden en de angst om door te pakken? Om dat te begrijpen moeten we terug naar de manier waarop de beide partijen de verkiezingsnederlagen van 2017 en 2021 verwerkten. De PvdA verloor in 2017 na deelname aan het kabinet-Rutte II 29 van 38 zetels en bleef in 2021 stabiel op 9 zetels staan. GroenLinks verloor in 2021 6 van de 14 zetels en kwam uit op 8 zetels. 

Voor de PvdA betekende het verlies in 2017 dat de kiezer wederom uitsprak van de sociaal-democratie geen Haagse middenkoers te accepteren. Anders dan gebruikelijk leidde deze historische verkiezingsnederlaag bij de PvdA niet tot veel introspectie. De evaluatie van de uitslag werd afgedaan in een snel geschreven rapport, dat nauwelijks inging op de diepere bewegingen in de samenleving.[6] De partijleider die verantwoordelijk was voor het echec bleef zitten; nobel, maar dat werkt in de politiek vooral averechts. Het blokkeerde een kritische zelfanalyse van de partij en belastte het verdere politieke functioneren met het odium van eerder falen. Dat werd nog eens bevestigd toen Lodewijk Asscher enkele maanden voor de verkiezingen in 2021 alsnog aftrad (vanwege het toeslagenschandaal) en hij de partij in verwarring achterliet. 

Binnen GroenLinks werd bij de evaluatie van de verkiezingsnederlaag geconcludeerd dat de partij er ‘onvoldoende in geslaagd is om een herkenbaar inhoudelijk en politiek profiel neer te zetten’, maar ook hier worden geen bredere conclusies getrokken en blijft de lijsstrekker zitten.[7] Het effect van onvoldoende reflectie was dat er een schaduw van politieke mislukking bleef hangen over de sociaal-democratische en ecologische waarden.

De PvdA bleef na 2017 vooral teruggrijpen naar haar roemrijke verleden in plaats van zich te richten op haar actualiteit en urgente relevantie voor de toekomst. Bij dit restauratiedenken, dat we de laatste jaren ook bij de tegenstanders van de fusie zien, gaat het vooral om de vraag: ‘Hoe winnen we de arbeiders terug?’ Niet de vraag hoe men zo heeft kunnen meegaan in het technocratisch-neoliberale narratief en hoe daarmee de verbinding met grote groepen progressieve kiezers (arbeiders, middenklasse én intellectuelen!) is kwijtgeraakt, stond centraal. En ook de vraag hoe de inmiddels sterk veranderde samenleving kon worden begrepen en hoe daarin een nieuwe politieke koers moest worden uitgezet, werd niet gesteld. 

Terwijl er vanuit het (in 2013 politiek behendig kaltgestellte) WBS-rapport Van Waarde alle aanleiding was om de invulling van de sociaal-democratische waarden grondig te vernieuwen was dit precies wat achterwege bleef. Denk aan politieke thema’s als de verschillen tussen theoretisch en praktisch opgeleiden en hoe die politiek te overbruggen. Denk ook aan de nieuwe ongelijkheid en de klassentegenstellingen die daaruit inmiddels zijn gegroeid en die hebben geleid tot een sterk gevoel van verlies van grip op het eigen leven.[8] Denk ook aan de veranderingen in het politieke systeem, waardoor een drie blokkenstelsel is ontstaan van radicaal-rechts, centrumrechts en progressief-links, waardoor de electorale concurrentie fundamenteel van karakter is veranderd.[9]

Hoewel het nieuwe verkiezingsprogramma van 2025 met zijn duidelijke keuze voor solidariteit, samen aanpakken en de sociale meerderheid aan de macht goede stappen zette, werd het niet in de context geplaatst van de noodzakelijke herbronning van de partij in relatie tot falen bij de verkiezingen van 2017 en 2021. Ook daarmee werd een kans gemist het nieuwe begin van de fusiepartij te markeren en bleef de slagschaduw van het eerdere falen over de partijen en hun waarden hangen. De positionering als partij die de sociale meerderheid bij elkaar brengt, werd zo negatief belast. 

De politieke koersbepaling en de praktische uitwerking daarvan gaan niet over het verleden, of over de vraag wat daaruit nog actueel gemaakt kan worden. Politieke koersbepaling gaat over de toekomst, van de wereld, van het land, van de mensen. En zeer in het bijzonder over de toekomst van hen die nog heel veel toekomst hebben: de nieuwe jongere generaties. Die toekomst is anders dan het heden, en veel anders dan zelfs het recente verleden, en dus gaat de praktische politiek over verandering en hoe die in goede banen te leiden.

Successen uit het verleden waar de PvdA zich als ‘bestuurderspartij’ graag op liet voorstaan zijn geen garantie voor toekomstige prestaties. Sterker nog: partijen die in het verleden majeure missers hebben gemaakt, zullen daar zichtbaar afstand van moeten nemen en zichzelf duidelijk opnieuw moeten uitvinden om de verloren kiezers terug te winnen en nieuwe aan te spreken.[10] Verkiezingsnederlagen zijn de klaroenstoot die erop wijst dat een nieuwe doordenking nodig is van wat er in de samenleving aan de gang is en hoe de politiek daar leiding aan kan geven. Net als wat voor politici daarvoor nodig zijn en hoe die de verbinding met de burger kunnen leggen. 

De tweede dieperliggende oorzaak van de recente verkiezingsnederlaag is dus het onverwerkte falen bij de verkiezingen van 2017 en 2021. Je gereedmaken voor de nieuwe tijd betekent het eerdere falen onder ogen zien en publiekelijk verwerken. Dat is een politiek-psychologisch proces van zaken in perspectief zetten, afstand nemen en ruimte scheppen voor innovatie. De politieke durf die daarvoor nodig is, is in het fusieproces onvoldoende getoond.

Twee versnellingen nodig

Dit roept de vraag op: hoe verder? Hoe kan het perspectief worden geopend op een partij die electoraal, politiek en sociaal een vooraanstaande rol speelt? 

Hoe de formatie ook uitvalt, een goede inbreng in de coalitie of in de oppositie kan met een gerust hart aan de Tweede Kamerfractie van GL-PvdA worden overgelaten. Deze is inmiddels drastisch vernieuwd. Met de gemiddeld jongste grote fractie in de Kamer kan GL-PvdA in de komende periode een sterke toekomstgerichte en vernieuwende inbreng hebben. Het talent daarvoor is ruimschoots aanwezig.

Voor het succesvol afronden van de fusie en het heroveren van een sterke politieke en maatschappelijke positie zijn voor Groenlinks-PvdA twee versnellingen nodig. Niet langer moet de nadruk worden gelegd op procedures, statuten en reglementen, maar op veel belangrijker vragen betreffende de politiek-programmatische koers en positionering enerzijds en de daarbij passende inrichting van de nieuwe partij anderzijds. Wat voor soort partij wordt dat qua bemensing, qua verhouding leiding-leden, qua maatschappelijke inbedding? Allemaal vragen die nog open staan, maar waar het fusieproces tot nu toe geen positieve hypotheek op gelegd heeft. Dat moet in rap tempo en met mobilisatie van de tienduizenden nieuwe en oude leden gebeuren. Op zo’n manier dat het al een enthousiasmerend effect heeft op de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2026. De nieuwe partij moet dan zichtbaar zijn. En mogen we misschien als de bliksem een nieuwe naam horen?

Programmatisch: de gemeenschap centraal

Wat het politieke programma van de nieuwe partij betreft, is in de afgelopen maanden een goede aanzet gegeven met de notities over het nieuwe beginselprogramma en de partij van de toekomst, en met het verkiezingsprogramma 2025. Essentieel is daarin dat de partij de ‘sociale samenleving’ centraal stelt en solidariteit en samenwerking als richtsnoeren kiest. De uitwerking van deze keuze naar politieke strategieën staat echter nog in de kinderschoenen en heeft dringend versnelling nodig, zeker met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen.[11] Het is belangrijk dat explicieter wordt nagedacht over de hoe de samenleving in elkaar zit en hoe de rol van overheid en politiek moet veranderen om de sociale, solidaire en op samenwerking gerichte onderstroom[12] te versterken.

Daarvoor zal de partij om te beginnen nog veel sterker los moeten komen van de meritocratisch-neoliberale visie op de maatschappelijke verhoudingen. Nederlanders, gewone mensen, zijn daarin primair individuele consumenten en burgers. Hun onderlinge verhoudingen worden hetzij geregeld door de overheid in de vorm van regelgeving, hetzij door marktwerking in de vorm van materiële transacties. Deze visie bepaalt al sinds de jaren tachtig het dominante bestuurlijke narratief in Den Haag. De sociaal-democraten hebben zich daar destijds zonder veel tegenweer in mee laten nemen en ook GroenLinks schuurde er bij tijd en wijle dicht tegenaan. Door generaties topambtenaren is dat verhaal steeds verder vervolmaakt. Inmiddels is het mijlenver af komen te staan van de ervaringen en problemen van gewone mensen. Het is een reden waarom de centrale overheid op zoveel terreinen zo dramatisch faalt.

Vanuit ecologisch en sociaal-democratisch oogpunt is de grootste valkuil in het technocratisch neoliberalisme dat mensen primair als losse individuen worden gezien. In de realiteit van het dagelijks leven zijn mensen geen individuen maar deelnemers in een veelheid van sociale en maatschappelijke verbanden waarmee ze zich identificeren en waarin een belangrijk deel van hun leven zich afspeelt. De nieuwe partij zal in haar visie die leefwereld van burgers weer de plek moeten geven die haar toekomt. Of het nu om sportverenigingen gaat, kerken, buurtverenigingen, woningbouwcorporaties, energiecoöperaties, bewonersverenigingen, burgerinitiatieven, vrijwilligersorganisaties, zij alle vervullen naast een specifieke functie ook een rol als verbinder tussen mensen. Die verbindingen vormen onze gemeenschap, lokaal, regionaal en landelijk. In een complexe samenleving zal de politiek zich erop moeten richten de kracht van die verbindingen en hun vermogen mensen samen te brengen te versterken. 

Het politieke programma van de nieuwe volkspartij moet volgens ons ondubbelzinnig afstand nemen van het Haagse primaat van de politiek en het traditionele etatisme. Gemeenschapsvorming, burgerparticipatie en aansluiting van het politieke proces op maatschappelijke verbanden en organisaties zijn onmisbaar. Werkelijk sociaal beleid kan in onze complexe en diverse samenleving niet zonder maatschappelijk middenveld en overlegeconomie.[13] Dat zijn de zaken waar de partij van de sociale meerderheid voor staat. Beleid moet worden gemaakt in overleg met (de organisaties van) direct betrokkenen. De politiek moet weer gaan ademen met wat de samenleving zelf aan organisatie- en bestuurskracht ontwikkelt. Dat is iets anders dan ‘de basis op orde’ brengen door overheidsingrijpen of de oningevulde ‘nieuwe verzorgingsstaat’ uit het verkiezingsprogramma, waarin te veel het ouderwetse etatisme en primaat van de politiek doorklinken.

Organisatorisch: partij in de samenleving 

Het opnieuw aanleggen van verbindingen tussen Kamerleden en gewesten, ook en juist via de kandidaatstelling, is nodig wil de nieuwe partij weer wortelen in de samenleving en wat daar speelt. Die worteling is onontbeerlijk om de sociale meerderheid het vertrouwen in de politiek terug te geven en samen landelijk en lokaal beleid effectief handen en voeten te geven. De inspiratie daarvoor in de succesvolle ‘organizing-principes’ van de vakbeweging en in ‘politiek als doen’ (en niet als praten) is ruimschoots aanwezig.[14]

Visies doen ertoe in de politiek, maar personen ook. Dat geldt voor wereld van het Binnenhof, waar onderling vertrouwen en persoonlijke banden vaak politieke compromissen mogelijk maken die op papier onmogelijk leken: de gunfactor. Maar het geldt ook in de publieke arena van de verkiezingen. Wat kiezers beweegt om hun vertrouwen aan een politicus te geven, en niet aan een andere, is in hoge mate emotioneel bepaald. Naast louter afweging van de eigen (materiële) belangen of een uitgesproken visie op de samenleving speelt op het cruciale moment in het stemhokje ook de gewone aantrekkelijkheid van de politicus een rol: is dit een sympathiek, betrouwbaar, aangenaam iemand die je in je vriendenkring zou willen?

Het is opvallend dat de twee uitgesproken jongerenbewegingen die in de afgelopen jaren meer dan wie ook de fusie hebben mogelijk gemaakt, RoodGroen en De Partij is Van Ons, zich tot nu toe niet in het debat over ‘de poppetjes en de posities’ hebben gemengd. De jongeren hebben, anders dan Nieuw Links in 1971, er niet voor willen kiezen zich in te vechten in de machtsposities. De partijtop heeft, anders dan Joop den Uyl in 1971, niet willen inzien dat deze jongerenbewegingen meer is dan de zoveelste kritische dissidentie, maar dat deze een onvermijdelijke generatiewisseling aankondigt. 

Aan het delen van de ervaring van oudere partijgenoten blijft behoefte, maar er heeft zich vooral in de PvdA een gewoonte ontwikkeld dat ouderen de sleutelposities in de besluitvorming in handen houden tot het echt niet meer anders kan. Daardoor heeft de partij veel veranderingen in de samenleving en in de groep progressieve kiezers gemist. Tijdig terugtreden was er niet bij en genoegen nemen met een bescheidener adviserende rol werd als nederlaag gezien. Het is nodig om zo snel mogelijk de nieuwe partijcultuur vorm te geven en uit te dragen. En om dit van nu af aan helemaal over te laten aan de nieuwe generatie groene sociaal-democraten die zich zo nadrukkelijk heeft gemanifesteerd: laat de nieuwe partij vooral een jongere partij zijn!

Noten 

[1] Tom van der Meer (2 november 2025). De pendule zwaait steeds minder ver terugDe Groene Amsterdammer.
[2] Silja Häusermann and Herbert Kitschelt, eds. (2024). Beyond Social Democracy. The Transformation of the Left in Emerging Knowledge Societies. Cambridge: Cambridge University Press.
[3] Frits Abrahams (24 oktober 2025). Timmermans als premier. NRC.
[4] Coen van de Ven (2025). Een links verhaal. Hoe GroenLinks en de PvdA ondanks alles één werden. Amsterdam: Das Mag, pp. 139–149.
[5] Coen van de Ven (2025). Een links verhaal. Hoe GroenLinks en de PvdA ondanks alles één werden. Amsterdam: Das Mag.
[6] Paul Depla (2017). Op de toekomst. Rapport verkiezingsnederlaag 2017 PvdA.
[7] Wetenschappelijk Bureau GroenLinks (Utrecht, juli 2021). Een idealistische bestuurspartij. Reflectie en analyse Tweede Kamerverkiezingen 2021.
[8] Sociaal en Cultureel Planburea (2023). Eigentijdse ongelijkheid. De postindustriële klassenstructuur op basis van vier typen kapitaal; Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (2023). Grip. Het maatschappelijk belang van persoonlijke controle.
[9] Tom van der Meer (2024). Waardenloze politiek. Amsterdam: Querido Facto.
[10] Hoe succesvol dat kan zijn, liet de Amsterdamse PvdA zien in 1994, toen het na een grote nederlaag bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1990 (van 21 naar 12 zetels in de raad) met een publieke erkenning van mislukt beleid en relatie tot de stedelijke gemeenschap, met een nieuwe koers en lijsttrekker als enige gemeente in het land won bij de raadsverkiezingen van dat jaar.
[11] Tim 'S Jongers en Noortje Thijssen (2023). Het tij keren. Samen voor een hoopvolle toekomst. Amsterdam: Van Gennep.
[12] Floor Ziegler and Teun Gautier (2023). Een wereld van gemeenschappen. Rotterdam: Lemniscaat; Floor Ziegler and Teun Gautier (2025). Een nieuw verhaal van de burgerbeweging voor de politiek.
[13] Wibo Koole (2025). Het redden van de democratie - boekessay. De Nederlandse Boekengids, nr. 5.
[14] Marshall Ganz (2024). People, Power, Change. Organizing for Democratic Renewal. Oxford University Press; Sarah Stein Lubrano (2025). Don't Talk About Politics. How to Change 21st-Century Minds. Londen: Bloomsbury Continuum.

Dossiers

Voor een thematisch overzicht van al onze artikelen en publicaties, zie onze dossiers

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.