In de Nederlandse pensioenfondsen zitten miljarden euro’s en over de manier waarop die belegd worden is met regelmaat wat te doen. Bijvoorbeeld als deelnemers niet willen dat hun pensioengeld het gebruik van fossiele brandstoffen stimuleert of kinderarbeid laat voortbestaan. De inspraak over onze pensioengelden kan nog een stuk beter, en heel ingewikkeld hoeft dat niet te zijn.
Suna Can is Masterstudent Cyber Security en Economics & Governance aan de Universiteit Leiden. Roelien van der Wel is promovenda bij het Instituut Bestuurskunde, Universiteit Leiden. Natascha van der Zwan is universitair hoofddocent bij het Instituut Bestuurskunde, Universiteit Leiden.
Nederland heeft het beste pensioenstelsel ter wereld, volgens velen.[i] Mede dankzij de enorme vermogens van de Nederlandse pensioenfondsen hebben Nederlandse gepensioneerden toegang tot een goede oudedagsvoorziening, die voor de meeste mensen bestaat uit AOW en arbeidsvoorwaardelijke pensioenen. Toch zien we ook in Nederland een toenemende politisering rondom de beleggingspraktijken van pensioenfondsen. Vanuit verschillende kanten van het politieke spectrum wordt pensioenfondsen verweten ‘te woke’ of juist niet woke genoeg te beleggen, bijvoorbeeld als het gaat om klimaat.[ii]
Ook verschillende oproepen tot het inzetten van pensioenvermogens bij maatschappelijke vraagstukken als de woningcrisis of defensie raken aan de vraag voor welke doeleinden pensioenvermogens moeten worden belegd[iii]: alleen voor het realiseren van pensioenen of mogen ook politieke of maatschappelijke belangen worden gediend? En wie bepaalt dat?
De toenemende politisering van pensioenbeleggingen is niet zo gek, gezien de enorme omvang van deze geldpot: zo’n € 1.600 mrd aan vermogen dat werknemers bij elkaar hebben gespaard voor onder andere hun oudedagsvoorziening. Al sinds begin twintigste eeuw is wettelijk vastgelegd dat werknemers vertegenwoordigd moeten zijn in de pensioenfondsen, omdat zij net als werkgevers financieel risico lopen bij de beleggingen van het fonds. Het beheer van dit vermogen gaat daarom door middel van een vorm van bestuur - ook wel de governance genoemd - waarin vertegenwoordiging een belangrijke rol speelt. Zo kunnen pensioenfondsen besturen hebben met werknemersvertegenwoordigers afkomstig uit vakbonden en hebben pensioenfondsen adviesorganen waarin werknemers eveneens vertegenwoordigd zijn. Ons pensioenstelsel kent dus een combinatie van representatieve en associatieve democratische elementen.
Het systeem van representatieve en associatieve vertegenwoordiging binnen het pensioenstelsel staat echter onder druk. Dit komt deels door de afnemende ledenaantallen van de organisaties die een vertegenwoordigende rol spelen binnen het stelsel, in het bijzonder de vakbonden.[iv] Ook blijft de ondervertegenwoordiging van vrouwen en jongeren in pensioenfondsbesturen hardnekkig.[v] Daarnaast staat vertegenwoordiging soms op gespannen voet met de formele eisen aan financiële expertise die door de toezichthouder De Nederlandsche Bank worden gesteld aan pensioenfondsbestuurders.[vi]
Tegelijkertijd peilen pensioenfondsen steeds vaker op directe wijze de voorkeuren van hun deelnemers, al dan niet in het kader van wettelijk verplichte risicobereidheidsmetingen. Dergelijke metingen kunnen verschillende vormen aannemen, maar vragen altijd naar de mate van financieel risico die deelnemers bereid zijn te nemen. Maar ook bij directe consultaties, zoals via enquêtes of rondetafelgesprekken, lopen pensioenfondsen regelmatig tegen het probleem aan van een te kleine opkomst en een niet representatieve groep deelnemers. Met andere woorden: huidige vormen van directe en associatieve democratie spelen onvoldoende in op de toenemende politisering en complexiteit van het hedendaags pensioenfondsbestuur.
De huidige governancemodellen zijn dus gebaseerd op de twee pijlers van vertegenwoordiging en expertise met beperkte inspraak van deelnemers.[vii] Er zijn echter ook andere besluitvormingsmodellen denkbaar, zoals modellen die gebaseerd zijn op de deliberatieve democratie - een vorm van democratie waarbij deliberatie, ofwel de uitwisseling van perspectieven, centraal staat.
Bij een deliberatieve vorm van governance krijgen deelnemers de kans om hun voorkeuren aan te geven, maar ook om deze toe te lichten, van context te voorzien en zelf met voorstellen te komen. Deliberatieve methoden kunnen niet alleen het governanceproces binnen pensioenfondsen verdiepen. Ook bij (beleggings)beslissingen die de belangen van de deelnemers overstijgen vanwege de impact op de bredere samenleving kan deliberatie een belangrijke bijdrage leveren aan de ingewikkelde belangenafweging waar pensioenfondsbestuurders zich steeds vaker mee geconfronteerd zien. In dit essay pleiten we voor een uitbreiding van het bestaande instrumentarium van associatieve vertegenwoordiging en directe consultatie met dit soort deliberatieve vormen van inspraak.
Hoe pensioenbeleggingen nu geregeld zijn
Hoewel Nederlandse pensioenfondsen in vergelijking met andere Europese stelsels relatief veel ruimte bieden voor vertegenwoordiging of inspraak, zijn het geen democratische instellingen. Deelnemers hebben geen directe zeggenschap over hoe hun pensioenvermogen wordt belegd of door wie. Het beleggingsbeleid van het pensioenfonds wordt opgesteld door het fondsbestuur, dat ook verantwoordelijk is voor de selectie van financiële intermediairs zoals vermogensbeheerders.
In de huidige governancemodellen kan het bestuur bestaan uit vertegenwoordigers van deelnemers (zowel actief als gepensioneerd) en werkgevers, uit onafhankelijke bestuursleden of uit een combinatie van beide. Sommige van die vertegenwoordigende bestuursfuncties zijn direct verkiesbaar, maar de meeste bestuursleden worden genomineerd voor hun functie en bij goedkeuring van toezichthouder DNB aangesteld binnen het bestuur. Ook zijn deelnemers vertegenwoordigd binnen adviserende organen binnen het fonds, het verantwoordingsorgaan of belanghebbendenorgaan.[viii]
Daarnaast zijn Nederlandse pensioenfondsen verplicht de voorkeuren van hun deelnemers te peilen. Volgens zowel de Pensioenwet als de Wet Toekomst Pensioenen moeten pensioenfondsen de risico-preferenties van (voormalig)[ix] deelnemers en gepensioneerden kennen en verwerken in hun beleggingsbeleid. Volgens norm 4 van de Code Pensioenfondsen 2024 moeten deze voorkeuren worden meegenomen bij het formuleren van strategische doelstellingen en beleidsuitgangspunten. Ook moet het fondsbestuur ervoor zorgen dat er onder belanghebbenden draagvlak bestaat voor het verantwoord beleggingsbeleid van het fonds (Norm 7 van de Code Pensioenfondsen).[x] Pensioenfondsen zijn wettelijk verplicht om de normen uit de Code toe te passen of uit te leggen waarom ze deze niet volgen. Ze mogen zelf kiezen hoe zij de voorkeuren van hun deelnemers onderzoeken. Veelgebruikte onderzoeksmethoden zijn enquêtes of focusgroepen.
Hoewel het huidige governancesysteem van vertegenwoordiging en consultatie waardevolle inzichten over deelnemersvoorkeuren genereert, zien we eveneens een aantal tekortkomingen. Ten eerste zijn vertegenwoordiging en consultatie geschikte methoden om preferenties in kaart te brengen, maar vertalen ze zich niet automatisch in inspraak. Zo hangt de kwaliteit van vertegenwoordiging niet alleen af van de representativiteit van de vertegenwoordigende organisatie, maar ook van de afstand tussen vertegenwoordiger en de achterban.
Uit recent onderzoek blijkt dat sommige pensioenfondsbestuurders het lastig vinden om in gesprek te gaan met hun achterban, of dit niet eens proberen omdat ze ‘toch wel weten’ wat de achterban vindt.[xi] Bij consultaties via enquêtes is bekend dat pensioenfondsbestuurders de uitkomsten soms naast zich neerleggen of dat ze de enquêtes afnemen op het moment dat besluiten al zijn genomen. Daarnaast bepalen pensioenfondsen welke vragen gesteld worden in een enquête en bieden enquêtes geen ruimte aan deelnemers om zélf voorstellen te doen.[xii]
Dat sommige deelnemers de huidige vormen van vertegenwoordiging en consultatie onvoldoende vinden, blijkt uit de opkomst van nieuwe groeperingen binnen de pensioensector. Vooral rondom duurzaamheidsthema’s hebben deelnemers zich de afgelopen jaren op verschillende manieren ingezet om hun stem te laten horen bij de pensioenfondsen, daarbij ondersteund door organisaties als ABP Fossielvrij en GroenPensioen. Ze schrijven brieven, bellen met de klantenservice of zoeken openbare vormen om hun mening te uiten. Deelnemers van pensioenfonds ABP, bijvoorbeeld, hebben meerdere malen geprotesteerd tegen het fossiele beleggingsbeleid van het fonds. Met klokken, zandlopers en protestborden met teksten als ‘ABP, het duurt te lang’ en ‘time is running out’ verzamelden demonstranten zich bij de kantoren van dit fonds. Soortgelijke protesten hebben ook plaatsgevonden bij andere pensioenfondsen zoals PFZW, PME en PNO Media.[xiii]
Hoewel pensioenfondsen niet als enige financiële instelling het doelwit zijn van protestacties, hebben de pensioenfondsen wel een uniek kenmerk dat dergelijke protestacties motiveert: de verplichte deelname aan de pensioenregeling. Waar je bij een bank of verzekeraar over kunt stappen als je ontevreden bent over het beleggingsbeleid, is dat bij pensioenfondsen geen optie. De oprichters van GroenPensioen benadrukken dan ook dat deelnemers invloed kunnen uitoefenen door met hun pensioenfonds in gesprek te gaan.[xiv]
Veel pensioenfondsbestuurders zijn zich bewust van dergelijke sentimenten onder deelnemers en zijn zeker ook welwillend om deze te betrekken bij hun besluitvorming over het beleggingsbeleid. Dit is echter niet zo gemakkelijk als het lijkt: tegenover een mondige minderheid die zich publiekelijk uitspreekt over ethische aspecten of duurzaamheid van het beleggingsbeleid bevindt zich een andere minderheid die vreest dat duurzaamheid ten koste gaat van rendement en bevindt zich een stille meerderheid die het allemaal om het even is.
En waar pensioenfondsen aan de ene kant de mening van deelnemers een plek proberen te geven in hun beleidsvorming, hebben ze aan de andere kant ook in toenemende mate te maken met vragen van volksvertegenwoordigers. Al meerdere malen zijn er Kamervragen gesteld over het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen. In 2024 werd in de Tweede Kamer een motie aangenomen die stelde dat het ‘niet de primaire taak is van fondsen om activistisch of ideëel te beleggen, maar dat bij hun beleggingsbeleid het realiseren van een koopkrachtig pensioen altijd centraal moet staan’.[xv] Nog recenter beantwoordde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Kamervragen van PVV-kamerlid Edgar Mulder, waaronder de vraag of pensioenfondsen - onder andere PME en ABP - hun beleggingen te veel laten bepalen door ideologische motieven, zoals diversiteit, bestuur en klimaat.[xvi]
Hoewel duurzaam of maatschappelijk beleggen door pensioenfondsen in toenemende mate gepolitiseerd lijkt te worden, stellen de huidige wettelijke kaders eenduidig dat de taak van pensioenfondsen breder is dan alleen het verzorgen van een oudedagsvoorziening. Zo stelt toezichthouder DNB dat klimaatverandering en biodiversiteitsverlies materiële risico's voor de financiële sector vormen, waardoor deze aspecten ook meegewogen moeten worden in de risicoanalyses die onder de besluitvorming van het fonds liggen.[xvii]
Hoe fondsen invulling geven aan hun duurzaam of maatschappelijk beleggingsbeleid wordt echter door wetgever en toezichthouder vooral gezien als een interne zaak van het fonds. Zo antwoordde de minister in antwoord op de motie-Mulder dat pensioenfondsen inderdaad verplicht zijn beleggingsbeleid op te stellen ‘waarbij financieel rendement en maatschappelijke belangen worden gewogen’, maar achtte hij de invulling ervan de eigen verantwoordelijkheid van het fonds.[xviii] Om het publieke debat een plek te geven in deze interne besluitvorming stellen wij voor deelnemers op een andere manier te laten participeren, namelijk door het toevoegen van deliberatieve democratische elementen.
Deliberatie als alternatieve vorm van democratisering
Stel je voor: een pensioenfonds wil meer weten over de duurzaamheidspreferenties van zijn deelnemers en zet daarom een enquête uit. Uit de resultaten blijkt dat een meerderheid duurzaam beleggen in principe ondersteunt, zelfs als dit iets minder rendement oplevert; slechts een kleine minderheid is erop tegen. Vooral ethische onderwerpen krijgen steun van deelnemers: geen beleggingen meer in controversiële wapens of in tabaksbedrijven! Over thema’s die minder grenzen aan ethiek, zoals klimaat of onderwijs, zijn de meningen sterker verdeeld. En duurzaam beleggen is complexer dan alleen het doen van uitsluitingen. Er moet ook gekozen worden om bepaalde beleggingen, bijvoorbeeld op het gebied van duurzame energie, toe te voegen.
Hoe wordt deze afweging gemaakt bij een sterk verdeeld deelnemersbestand? Of als het deelnemersbestand inconsistente meningen heeft? Zo prioriteerde een groot gedeelte van de ABP-deelnemers beleggingen op het gebied van natuurbescherming en biodiversiteit, maar een veel kleiner aantal ondersteunde doelen als duurzaam gebruik van zeeën of dierenwelzijn. En ook gaf slechts een minderheid van deelnemers prioriteit aan het tegengaan van kinderarbeid.[xix] Betekent dit dat het pensioenfonds een dergelijk ethisch gewichtig thema moet negeren?
Om de voorkeuren van deelnemers duidelijker in beeld te krijgen en meer draagvlak voor het beleggingsbeleid te creëren, pleiten wij ervoor het huidige instrumentarium van vertegenwoordiging en consultatie uit te breiden met elementen van deliberatieve democratie. Een deliberatieve democratie is een vorm van democratie waarin besluitvorming gebaseerd is op overleg, discussie en argumentatie.[xx] Mensen uiten niet alleen hun voorkeur, maar onderbouwen die, luisteren naar anderen en staan open voor het heroverwegen van hun standpunt. De kracht van deliberatie is dat de uitkomst voortkomt uit het proces van gezamenlijke afweging.[xxi]
Andere methodes, zoals enquêtes of digitale peilingen, leveren nuttige data op maar bieden weinig ruimte voor interactie, reflectie en de kans om van elkaar te leren. Juist bij situaties waarin meningen sterk uiteenlopen, kan een deliberatief proces aanzienlijke meerwaarde hebben, omdat het deelnemers stimuleert actief naar elkaar te luisteren, uiteenlopende perspectieven te overwegen en gezamenlijk tot weloverwogen aanbevelingen te komen. Hoewel de uitkomsten veelal niet bindend zijn, vormen ze waardevolle input voor het bestuur bij het opstellen van nieuw beleggingsbeleid. Wanneer het fonds niet zorgvuldig en transparant met deze input omgaat, daalt het vertrouwen in het fonds én in het participatieproces.[xxii]
Het toepassen van deliberatie kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld via zogenaamde mini-publics, waarbij een representatieve groep deelnemers (werkenden, gepensioneerden, oud-deelnemers) onder begeleiding van een derde in gesprek gaat over belangrijke thema’s op het gebied van duurzaamheid, maar bijvoorbeeld ook over risicobeheer en langetermijnstrategieën van het fonds.[xxiii] Tijdens zo'n proces krijgen ze informatie van onafhankelijke experts, wisselen zij standpunten uit, en formuleren zij gezamenlijk aanbevelingen.
Het is hierbij belangrijk dat deelnemers vooraf informatie krijgen, omdat deelnemers in enquêtes regelmatig aangeven dat ze maar beperkte kennis hebben van (duurzaam) beleggen.[xxiv] Daarnaast zorgt het voor een gelijke kennisbasis van alle personen die deelnemen aan het proces. Deze methoden zijn wel intensief wat betreft tijd en kosten, en zijn daardoor wellicht minder haalbaar voor pensioenfondsen met minder capaciteit, zoals fondsen met minder deelnemers of lagere premieopbrengsten.
Ondanks de intensieve tijdsinvestering en hoge kosten die aan mini-publics verbonden zijn, is deze vorm van deliberatie in de praktijk al toegepast. Zo organiseerde Pensioenfonds Detailhandel in 2024 een mini-public – door het fonds zelf een deelnemersdialoog genoemd.[xxv] Vijftig deelnemers van het fonds gingen gedurende drie dagen met experts en met elkaar in gesprek over duurzaam beleggen. Het proces werd begeleid door onderzoekers van Cranfield University en Universiteit Maastricht.[xxvi] Deze deelnemersdialoog laat zien dat het informeren van deelnemers en het faciliteren van dialoog tussen deelnemers positieve effecten heeft. Zo bleken de deelnemers geëngageerd deel te nemen aan de dialoog en waren zij in staat om met elkaar een consensus te bereiken over het gewenste beleggingsbeleid. Daarnaast leidde het proces tot 49 concrete aanbevelingen aan het bestuur, zoals het beleggen in bedrijven die zorgen voor goede arbeidsomstandigheden en het investeren in betaalbare huur- en koopwoningen. Wel zal een uitgebreide opzet als deze - met de betrokkenheid van diverse experts, ondersteuning door gespecialiseerde organisaties en professionele gespreksbegeleiders en een financiële vergoeding voor de deelnemers - niet haalbaar zijn voor de meeste van de pakweg 160 pensioenfondsen in Nederland.
Hoewel mini-publics dus niet voor elk pensioenfonds haalbaar zijn, kunnen deliberatieve principes wel op kleinere schaal worden geïntegreerd in andere vormen van besluitvorming. Denk bijvoorbeeld aan digitale enquêtes waarbij stapsgewijs scenario’s worden doorlopen met telkens een korte uitleg, diverse keuzemogelijkheden, maar ook anonieme onderbouwde antwoorden van andere deelnemers. Hierdoor worden de deelnemers niet alleen aangespoord een eigen standpunt in te nemen, maar ook te reflecteren op andere perspectieven.
Ook in fysieke contexten kunnen pensioenfondsen deliberatieve elementen toepassen. Denk aan een ‘werkvloerdialoog’ bestaande uit een korte uitleg over mogelijke beleggingskeuzes, gevolgd door enkele dilemma’s die in kleine groepen besproken worden, gevolgd door een plenaire bespreking. Door deze uitwisseling kan er meer bewustwording, diepgang en wederzijds begrip ontstaan.
Daarnaast nodigen voorbeelden van burgerberaden op het gebied van klimaat in binnen- en buitenland uit om op een grotere schaal na te denken over participatieve democratie op het gebied van pensioenbeleggingen. Een Nationaal Burgerberaad Pensioen zal de interne besluitvorming binnen pensioenfondsen slechts indirect ondersteunen, maar kan wel invulling geven aan de bredere maatschappelijke discussie.
Op dit moment is de politiek terughoudend wat betreft haar bemoeienis met pensioenbeleggingen. Waar de betrokkenheid van pensioenfondsen bij het oplossen van maatschappelijke problemen politiek gewenst is, gebeurt dit vaak op basis van vrijwilligheid en door middel van financiële prikkels, zoals het wegnemen van financiële risico’s bij duurzame beleggingen. Dergelijke ‘de-risking’-constructies zijn controversieel vanwege de herverdeling van publiek geld naar de financiële sector.[xxvii] Doordat de overheid in dergelijke constructies een bepaald rendement garandeert, worden eventuele financiële tegenvallers gedragen door de samenleving en niet door de beleggers. Ook gaat duurzaam beleggen soms gepaard met het transformeren van publieke voorzieningen in beleggingsobjecten (sociale huurwoningen zijn een voorbeeld). Een burgerberaad op afstand van de pensioensector – zoals een Nationaal Burgerberaad Pensioenen - zou daarom bij uitstek geschikt zijn om pensioenbeleggingen ook vanuit een meer maatschappijkritisch oogpunt te bezien.
Conclusie
De beleggingen van pensioenfondsen draaien allang niet meer alleen om het realiseren van een adequate oudedagsvoorziening. Klimaat, defensie, innovatie en woningbouw zijn slechts enkele van de maatschappelijke doelstellingen waarmee pensioenfondsen recentelijk in verband zijn gebracht. De logica lijkt simpel: er zijn grote financiële tekorten voor deze doeleinden en tegelijkertijd zijn Nederlandse pensioenfondsen altijd op zoek naar nieuwe beleggingsobjecten voor de ettelijke miljarden die zij beheren. Toch is dit niet zo simpel als een optelsom van één-op-één: zelfs als men de vraag of een dergelijk maatschappelijk beleggingsbeleid voor pensioenfondsen gewenst is bevestigend beantwoordt, dient dit voorzien te worden van een zorgvuldige governance. Immers, pensioenfondsen dienen wettelijk gezien niet het algemeen belang, maar de belangen van hun deelnemers en begunstigden.
Op de vraag hoe pensioenfondsen om moeten gaan met deze maatschappelijke vraagstukken en zij tegelijkertijd een goede governance kunnen garanderen, hebben wij betoogd dat deliberatie een manier kan zijn om pensioenfondsen gedeeltelijk te democratiseren. Waar pensioenfondsen vaak te maken hebben met deelnemersbestanden die sterk verschillen qua kenmerken, opinies maar ook qua mondigheid, zouden mini-publics en andere vormen van deliberatie kunnen zorgen voor overbrugging van dergelijke verschillen.
Hoewel het pensioenfondsbestuur het uiteindelijke beleggingsbeleid vast dient te stellen, kan de uitkomst van dergelijke deliberatie de bestuurlijke taak van een evenwichtige belangenbehartiging niet alleen vereenvoudigen maar ook legitimeren. Zeker in de huidige tijd van polarisering en onzekerheid is het van belang dat mensen zich gehoord voelen: als burgers in de samenleving én als deelnemers van grote semi-publieke instellingen als pensioenfondsen.[xxviii]
Noten
[i] Voor een kritische reflectie, zie Natascha van der Zwan (2024). Nederland Pensioenkampioen? S&D 2024/2.
[ii] Zie bijvoorbeeld Dirk Waterval (2024). Rechtse partijen klaar met groene pensioenfondsen: ‘woke kapitalisme’. Trouw, 5 juni 2024,
[iii] Zie bijvoorbeeld Tjerk Gualthérie van Weezel (2025). Pensioengeld naar wapens? ‘Ja, er is wel wat aan het verschuiven’, de Volkskrant, 7 maart 2025.
[iv] Volgens het Centraal Bureau voor Statistiek was in 2024 16% van de werknemers (15 tot 75 jaar) lid van een vakbond. Zie: CBS Statline, Organisatiegraad werknemers; persoonskenmerken.
[v] Thomas van Ossenbruggen (2023). Pensioensector moet dringend op de schop: Meer vrouwen en jongeren in bestuur. De Telegraaf, 22 november 2023.
[vi] Philipp Golka en Natascha van der Zwan (2022). Experts versus representatives? Financialised valuation and institutional change in financial governance. New Political Economy, Vol. 27, No. 6: 1017-1030.
[vii] De Nederlandse pensioensector kent vijf governancemodellen. Voor een overzicht, zie Philipp Golka en Natascha van der Zwan (2022). Experts versus representatives? Financialised valuation and institutional change in financial governance. New Political Economy, Vol. 27, No. 6: 1017-1030.
[viii] Of een pensioenfonds een verantwoordingsorgaan of een belanghebbendenorgaan heeft, is afhankelijk van het bestuursmodel van het fonds. Het belanghebbendenorgaan heeft iets meer goedkeuringsrechten dan het verantwoordingsorgaan, dat vooral een adviserende rol heeft.
[ix] Slapers zijn veelal oud-deelnemers die eerder binnen de werkingssfeer van het pensioenfonds vielen maar door het wisselen van baan nu bij een nieuw pensioenfonds hun pensioen opbouwen. Slapers kunnen onder omstandigheden hun eerder opgebouwde pensioenvermogen overhevelen naar het nieuwe fonds. Wanneer dit niet gebeurt, blijft het vermogen bij het oude fonds. In dat geval spreken we over oud-deelnemers of slapers, van wie de belangen eveneens door het fondsbestuur behartigd dienen te worden.
[x] Pensioenfederatie en Stichting van de Arbeid (2024). Code Pensioenfondsen.
[xi] Philipp Golka en Natascha van der Zwan (2025). Asymmetric autonomy: pension fund investing between members and markets. Socio-Economic Review.
[xii] Philipp Golka en Natascha van der Zwan (2025). Asymmetric autonomy: pension fund investing between members and markets. Socio-Economic Review.
[xiii] Zie bijvoorbeeld: Over protesten bij het kantoor van PFZW: NOS (15 februari 2022). Bezwijkt pensioenfonds Zeist onder de druk van klimaatactivisten? 'Er zijn geen excuses meer'; over de petities bij PME: ED (11 juni 2021). Werknemers ASML en NXP tegen pensioenfonds: ‘Stop met investeren in olie en gas’; PNO Media: Villamedia (29 juli 2022). Praten over duurzaam beleggen mediapensioenfonds ‘niet effectief’; journalisten willen actie.
[xiv] Zie bijvoorbeeld dit interview uit Trouw (19 oktober 2021). De speurtocht naar een pensioen dat de klimaatcrisis helpt op te lossen.
[xv] Motie van Kamerlid Aartsen (VVD), 32 043 Toekomst pensioenstelsel, nr. 642 (30 mei 2024). Motie van het lid Aartsen c.s. over verkennen hoe toetsings- of toezichtkaders aangescherpt kunnen worden om het behalen van een koopkrachtig pensioen bij fondsen centraal te laten staan.
[xvi] Vragen van het lid Edgar Mulder (PVV) aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het bericht 'Pensioenfonds PME doet honderden bedrijven in de ban', 23 mei 2025.
[xvii] Pensioenfondsen moeten zich houden aan de prudent person regel, wat inhoudt dat ze moeten beleggen in het belang van aanspraak- en pensioengerechtigden. Deze regel wordt door pensioenfondsen in toenemende mate geïnterpreteerd als een reden om duurzaamheidsoverwegingen mee te nemen in beleggingsbeleid. Zo schrijven fondsen als ABP en PFZW dat hun doelstelling is om een goed pensioen in een leefbare wereld te garanderen.
[xviii] Vragen van het lid Edgar Mulder (PVV) aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het bericht 'Pensioenfonds PME doet honderden bedrijven in de ban', 23 mei 2025.
[xix] ABP (2025). Hoe denken deelnemers over onze beleggingen?
[xx] Vooraanstaande filosofen die een deliberatieve benadering van democratie bepleiten zijn onder andere Jürgen Habermas en John Dryzek. Voor een overzicht, zie André Bachtiger, Marco R. Steenbergen en Simon Niemeyer (2007). Deliberative Democracy: An Introduction. Swiss Political Science Review, 13(4), 485–496.
[xxi] Fillet, S. (2023). Het burgerberaad: Voorkom polarisatie met deliberatie.
[xxii] Suna Can (2025). Mini-publics in de pensioensector: de deelnemer aan het woord. Pensioen Magazine, februari 2025, pp. 12-15.
[xxiii] Zie bijvoorbeeld, Nicole Curato et al. (2024). Deliberative Mini-Publics: Core Design Features. Bristol University Press.
[xxiv] Hierbij is het belangrijk om een breed beeld te geven aan deelnemers waarbij ook overwegingen voor toekomstige generatie en milieu worden meegewogen.
[xxv] Pensioenfonds Detailhandel (2024). Deelnemersdialoog.
[xxvi]Netspar (2024). How to Democratise Pension Funds: Designing a deliberative mini-public at Pensioenfonds Detailhandel.
[xxvii] Daniela Gabor (2021). The Wall Street Consensus. Development and Change. Vol. 52, No.3: 429-459.
[xxviii] Zie ook Oran Doyle en Rachael Walsh (2021). Deliberative minipublics as a response to populist democratic backsliding. Constitutional Change and Popular Sovereignty. Routledge. pp. 224-243.