Democratisering van de economie stond lange tijd bovenaan de sociaal-democratische agenda, maar in de afgelopen decennia hoorden we er nauwelijks meer over. Nu staat het thema weer in de belangstelling. In dit inleidende artikel over dit onderwerp verkennen Arjan Reurink en Rick Stegeman hoe een hedendaagse democratiseringsagenda eruit zou kunnen zien.  

Arjan Reurink & Rick Stegeman
Arjan Reurink is onderzoeker bij de WBS en docent aan de UvA en Rick Stegeman is promovendus aan de UU en redactielid van S&D

Je hoort het steeds vaker in linkse kringen: we moeten de economie democratiseren. Prominente linkse denkers als Thomas Piketty, Jason Hickel, Erik Olin Wright en Isabelle Ferreras zien economische democratisering als cruciaal element van een linkse agenda voor de eenentwintigste eeuw.[1] Ook Tuur Elzinga, voorzitter van de FNV, sprak zich recentelijk uit voor een meer democratische economie.[2] 

Voorstellen om de economie te democratiseren zijn bepaald niet nieuw. Begin twintigste eeuw was arbeiderszelfbestuur een belangrijke eis van de arbeidersbeweging, en in de jaren zeventig maakte Den Uyl de ‘radicale democratisering van de maatschappij’ (inclusief de onderneming) tot een speerpunt van zijn politiek.[3] Sindsdien is linkse politiek, waaronder de sociaal-democratie, vraagstukken over de inrichting van de economie en de mate van zeggenschap die burgers daarin hebben, uit het oog verloren.[4] Haar economische visie concentreerde zich vooral op de rol van de staat als tegenhanger van de markt.[5] Het is dan ook opvallend dat de economische democratiseringsagenda weer in de belangstelling is komen te staan.

In dit themanummer van Socialisme & Democratie onderzoeken we waar deze hernieuwde roep om democratisering van de economie vandaan komt en hoe een democratiseringsagenda voor de economie er concreet uit zou kunnen zien. Daarbij vliegen we het vraagstuk breder aan dan gebruikelijk is. We focussen op democratisering van de economie in haar volle breedte, in plaats van enkel de onderneming, én we maken onderscheid tussen drie manieren waarop democratisering vormgegeven kan worden.       

In wat volgt bespreken we eerst de achtergrond waartegen de roep om democratisering van de economie begrepen moet worden. Daarna lichten we het analytisch kader dat we gebruiken toe, om vervolgens de verschillende bijdragen aan het themanummer te bespreken. We sluiten af met een aantal lessen voor de verdere ontwikkeling van een democratiseringsagenda.

De crisis van het democratisch kapitalisme

De roep om democratisering van de economie is het beste te begrijpen als een antwoord op de huidige crisis van het democratisch kapitalisme, de samenlevingsvorm die westerse landen in de loop van de twintigste eeuw en masse hebben omarmd.[6] Het idee leeft breed dat het democratisch kapitalisme niet langer in staat is om de twee beloften die het in zich bergt, die van de democratie en die van het kapitalisme, gelijktijdig te vervullen.[7] 

Heel verwonderlijk is dat niet. De twee logica’s vertegenwoordigen namelijk tegengestelde ideeën over hoe de samenleving bestuurd zou moeten worden.[8] De democratische logica gaat uit van het principe van één persoon, één stem. Zeggenschap in collectieve besluitvorming wordt toebedeeld op basis van sociale en politieke rechten die onlosmakelijk verbonden zijn met democratisch burgerschap. Collectieve en meerderheidsbesluitvorming maakt dat menselijke noden en maatschappelijke behoeften – het publiek belang – een prominente rol spelen in beslissingen over de inzet van maatschappelijke hulpbronnen en de verdeling van welvaart. Besluitvorming binnen de democratische logica neigt dan ook naar brede belangenafwegingen en herverdelende dynamieken. 

De inclusieve en egalitaire logica van de democratie staat op gespannen voet met die van de kapitalistische markteconomie. Daarbinnen geldt namelijk niet het principe van één persoon, één stem, maar dat van één euro, één stem. Niet burgerschap, maar eigendom geeft binnen de kapitalistische logica recht op inspraak in besluitvorming. De veronderstelling is dat dit leidt tot het meest efficiëntie gebruik van middelen en, uiteindelijk, maximale welvaart. Maar omdat eigendom in kapitalistische samenlevingen sterk geconcentreerd is, neigen kapitalistische markten naar winner-takes-all-dynamieken: degenen die veel bezitten zien dat bezit verder groeien, terwijl zij die weinig bezitten steeds verder op achterstand raken.[9] 

De spanning tussen de twee logica’s is inherent aan het democratisch kapitalisme. Maar het soort democratisch kapitalisme dat uit deze spanning ontstaat, heeft in de recente geschiedenis verschillende vormen aangenomen. Om te begrijpen waar de huidige roep om democratisering van de economie vandaan komt, is het zinvol de grote lijnen van deze ontwikkeling kort te schetsen. 

Kijken we naar de ontwikkeling van het democratisch kapitalisme in de naoorlogse periode, dan zijn daarin grofweg drie periodes te onderscheiden.[10] De eerste periode loopt van het eind van de Tweede Wereldoorlog tot en met de jaren zeventig. De democratie was in de jaren tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog tot volle wasdom gekomen met de invoering van het algemeen kiesrecht. Tegelijkertijd was de kapitalistische vrijemarkteconomie in diskrediet geraakt door de economische crisis van de jaren dertig. Toen na afloop van de Tweede Wereldoorlog een nieuw samenlevingsmodel gevonden moest worden, gebruikte de democratische meerderheid haar nieuw verworven macht om kapitalistische markten ondergeschikt te maken aan democratische doelen.

Het resulteerde in vrijwel alle westerse landen in wat de ‘gemixte economie’ is gaan heten. Daarin werden de kernelementen van een kapitalistische markteconomie behouden, maar werd deze dienstbaar gemaakt aan het realiseren van democratische vastgestelde idealen. Overheden fungeerden daarbij als belangrijkste instrument om deze idealen te waarborgen. Macro-economisch beleid werd ingezet om volledige werkgelegenheid te realiseren, belastingen om ongelijke marktuitkomsten te herverdelen en essentiële behoeften als onderwijs, zorg, en andere diensten werden buiten de markt om georganiseerd als publieke voorzieningen. Onder dit gesternte beleefde het democratisch kapitalisme haar ‘gouden jaren’. De ongelijkheid nam af, er was een aanhoudende economische groei en over het effect van die groei op het klimaat en de natuur maakte men zich nog geen zorgen. 

Deze fase liep op zijn eind toen vanaf de jaren tachtig de neoliberale revolutie op gang kwam, waarmee de tweede periode werd ingeluid. Vaak wordt het neoliberalisme begrepen als een beleidsdoctrine gericht op het bevorderen van marktwerking en het terugdringen van staatsinmenging in de economie. Maar bovenal was het een poging om die inmenging te ‘ont-democratiseren’.[11] Het ultieme doel van het neoliberale denkers was het beschermen van markten tegen ‘opportunistische’ en herverdelende eisen van democratische meerderheden. Daartoe werden de eigendomsrechten van kapitaaleigenaren en aandeelhouders verstevigd – onder andere door middel van internationale handels- en investeringsverdragen en veranderingen in corporate governance – en werd belangrijke economische besluitvorming overgedragen aan technocratische instanties – centrale banken, supranationale instellingen en rechters. Kapitalisme en democratie vormden niet langer een amalgaam, maar bestonden steeds meer naast elkaar, elk met hun eigen invloedssfeer. De economie was voortaan het exclusieve terrein van het kapitalisme, de politiek dat van de democratie.

Inmiddels weten we wat de neoliberale formule ons gebracht heeft. Het gevoel leeft breed dat het democratisch kapitalisme in crisis verkeert. Dit is de derde periode. In feite gaat het om een dubbele crisis. In de eerste plaats is het een crisis van het kapitalisme. Bevrijd van democratische beperkingen, ondergraaft het kapitalisme de sociale, ecologische en politieke voorwaarden voor haar eigen bestaan. Het parasiteert op menselijke arbeid, publieke voorzieningen en de planeet.[12] De politieke onrust die hier onvermijdelijk uit voorkomt brengt ons bij de tweede crisis: die van de democratie. Veel mensen ervaren een democratie die niet langer bij machte lijkt om de uitwassen van het kapitalisme te pareren en bredere sociale beloften te waarborgen. 

Pogingen om tot een nieuw samenspel tussen democratie en kapitalisme te komen schieten tekort omdat ze de bestaande rolverdeling intact laten. Zoals ook Vera Vrijmoeth in haar column benadrukt, zijn benaderingen als ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ en ‘impact investeren’ ontoereikend. Ze vergroten de democratische zeggenschap over economische besluitvorming niet en laten ongelijke machtsverhoudingen ongemoeid. Datzelfde geldt voor de vele voorstellen voor democratische vernieuwing, die het falen van westerse democratieën moeten bezweren. Deze voorstellen richten zich op het (verder) democratiseren van de staat. Maar de mogelijkheden van die staat om de economie meer dienstbaar te maken aan democratische gestelde doelen, zijn daarmee nog niet vergroot.

Het is tegen deze achtergrond dat voorstellen voor een economische democratiseringsagenda begrepen moeten worden. De uiteindelijke belofte van deze agenda is tweeledig: een economie waarin naast efficiëntie ook andere waarden worden nagestreefd[13] én een politiek die mensen in staat stelt daadwerkelijk invloed uit te oefenen op beslissingen die hen raken. Zo moet een antwoord geboden worden op zowel de crisis van het kapitalisme als die van de democratie.

Democratisering van drie economische functies 

De meeste voorstellen voor democratisering van de economie richten zich op het democratiseren van de onderneming. Die keuze is begrijpelijk. Ondernemingen vormen de belangrijkste coördinatiecentra binnen een kapitalistische economie: zij structureren en sturen het productieproces. Bovendien is het contrast tussen de democratische belofte en de dagelijkse realiteit nergens zo groot als binnen de onderneming. Voor veel werknemers geldt dat, zodra zij de werkvloer betreden, zij onderworpen worden aan een bewind van managers, protocollen en AI-gestuurde prestatie-evaluaties.[14] Van echte zeggenschap over de manier waarop het werk gedaan wordt, is vaak geen sprake.

Toch schiet een exclusieve focus op de interne organisatie van ondernemingen tekort. Veel beslissingen die diepgaande gevolgen hebben voor de ontwikkeling van de economie — en daarmee voor het leven van mensen — worden buiten de context van de onderneming genomen. Daarom stellen wij een alternatieve benadering voor, waarbij niet specifieke actoren of instituties, maar drie economische kernfuncties centraal staan.[15]

De eerste daarvan betreft de organisatie van het productieproces. Het gaat hierbij primair om beslissingen over werktijden, taakverdeling en verantwoordelijkheden, veiligheid en gezondheid, en beloning.[16] Hoewel deze beslissingen diep ingrijpen in de levens van werknemers, hebben zij hier zoals gezegd doorgaans slechts beperkte zeggenschap over. Dat het vooral managers zijn die hierover beslissen, die in de eerste plaats verantwoording afleggen aan de aandeelhouders, is problematisch. Dit ondergraaft niet alleen de economische positie van werknemers, maar ook hun waardigheid en geloof in de politieke democratie.[17] Eveneens problematisch is dat omwonenden, consumenten en natuurorganisaties, die ook een direct belang hebben bij hoe het productieproces is ingericht, niet ook een zekere mate van zeggenschap hebben.

Voorvechters van zogenoemde ‘workplace democracy’ pleiten daarom voor het doorbreken van deze scheve machtsverhoudingen. Dit kan door de directe inspraak van werknemers te vergroten (zie het artikel van Ronald Dekker), maar ook via alternatieve eigendomsstructuren zoals coöperaties, waarin werknemers mede-eigenaar zijn, of steward-owned bedrijven, waarbij eigendom is ondergebracht in een stichting die de maatschappelijke missie van de onderneming waarborgt (zie de bijdrage van Joris Thijssen).[18]

De tweede functie is die van investeringen. Daarmee doelen we op de aanschaf, productie en (door)ontwikkeling van kapitaalgoederen – machines, gebouwen, infrastructuur of software – die toekomstige productie mogelijk maken. Investeringsbeslissingen spelen een cruciale rol in de ontwikkeling van een economie. Niet alleen is het niveau van investeringen bepalend voor de economische conjunctuur – wordt er te weinig geïnvesteerd, dan kan de economie in recessie raken en dreigen ontslagen.[19] Ook de aard van investeringen is van belang. Elke investeringsbeslissing bergt specifieke keuzes in zich over de inzet van technologie, arbeid en ruimte. Keuzes dus over het soort samenleving waar we naartoe werken.

Daarmee lijkt de noodzaak van democratische inspraak en controle over investeringsbeslissingen evident. Toch is daar in de huidige economie nauwelijks sprake van. In de eerste plaats omdat investeringsbeslissingen grotendeels zijn uitbesteed aan private ondernemingen. Die investeren niet in waar de maatschappij behoefte aan heeft, maar in wat winstgevend is. Ten tweede omdat ook publieke en semipublieke investeringsbeslissingen door neoliberaal beleid steeds meer zijn losgekoppeld van democratische besluitvorming (zie de artikelen van Jasper Simons en van Angela Wigger, alsook het interview met Daniel Mertens in dit nummer).

Een derde economische functie die onderwerp moet zijn van een democratiseringsagenda is die van geldschepping en kredietverlening; het in omloop brengen van nieuw geld, via het verstrekken van leningen aan huishoudens, bedrijven en overheden. Kredietverlening stelt ondernemers en bedrijven in staat om economische activiteiten te ontplooien, zonder dat zij zelf over de middelen beschikken om de benodigde investeringen te kunnen doen. Hoe, aan wie, en tegen welke prijs krediet beschikbaar wordt gesteld, is dus ook van grote invloed op de ontwikkeling van de economie.

Ondanks het nuts-achtige karakter van deze functie, ligt zeggenschap over de toewijzing van krediet binnen het huidige financiële systeem grotendeels bij private, commerciële banken (zie hiervoor het artikel van Martijn van der Linden en Janosch Prinz). Zo’n 95% van het geld dat in omloop is in de economie is niet in omloop gebracht – ‘geprint’ – door publieke, centrale banken, maar door commerciële banken. Voor hen is winstgevendheid (op de kortere termijn) leidend, en niet zozeer het maatschappelijk nut op de lange termijn. Centrale banken oefenen met hun monetaire beleid weliswaar invloed uit op het proces van kredietverlening, maar ook dat beleid is onder het neoliberalisme de afgelopen decennia steeds minder democratisch geworden.[20]

Democratisering via de representatieve, directe en associatieve weg 

De essentie van democratie is het idee dat mensen invloed kunnen uitoefenen op beslissingen die hen raken, en dat ieders stem even zwaar telt in processen van collectieve besluitvorming.[21] Democratie stelt mensen in staat om in gezamenlijkheid richting te geven aan hun toekomst, en zo hun behoeften en belangen te realiseren. De Amerikaanse grondwet formuleert het kort en bondig: ‘government of the people, by the people, for the people’. 

Dit abstracte ideaal kan op verschillende manieren in de praktijk worden gebracht. Daarom onderscheiden wij drie vormen van democratisering.[22] Allereerst is er de representatieve of vertegenwoordigende democratie. Hierbij gaat het om getrapte vormen van zeggenschap, waarbij burgers vertegenwoordigers aanwijzen die namens hen besluiten nemen. Bij deze variant wordt er een balans gezocht tussen legitimiteit en efficiëntie. Hoewel dit bijdraagt aan de uitvoerbaarheid, is dit ook meteen de achilleshiel van deze variant: vertegenwoordigers kunnen namelijk beïnvloed worden door gevestigde belangen of vervreemd raken van degenen die ze vertegenwoordigen.

Daarnaast is er de directe democratie, waarbij burgers rechtstreekse inspraak hebben. Hoewel deze variant de directe betrokkenheid van burgers vergroot, is deze ook het meest complex om in de praktijk te brengen. Voorbeelden van directe democratie zijn vormen van burgerparticipatie waarbij burgers direct bijdragen aan beleid, zoals (digitale) raadplegingen of participatieve beleidsvorming. Een ander voorbeeld van directe democratie zijn deliberatieve instrumenten waarbij burgers met elkaar in gesprek gaan over de keuzes die voorliggen - zoals in een burgerberaad. Dit format bevordert het zoeken naar consensus, in plaats van het maken van een platte belangenafweging. Hoewel deliberatieve instrumenten vaak representatieve elementen bevatten, rekenen we ze hier tot de directe democratie, omdat ze de directe betrokkenheid van burgers vergroten.

Ten slotte is er de associatieve democratie, ook wel (neo)corporatisme genoemd. Bij deze variant ligt de nadruk op maatschappelijk zelfbestuur en spelen maatschappelijke organisaties zoals vakbonden of burgergroepen een centrale rol. Dergelijke ‘associaties’ zijn doorgaans actief binnen een bepaalde regio of sector, vanuit het idee dat beslissingen genomen moeten worden op het niveau waar ze het meest relevant zijn. Deliberatieve besluitvorming vormt hierbij de basis, eventueel aangevuld met representatieve elementen.

Naar een democratische economie

We vroegen de auteurs die hebben bijgedragen aan dit themanummer om één specifieke economische functie onder de loep te nemen. In hoeverre is die functie nu democratisch georganiseerd? Hoe zou (verdere) democratisering van de functie er concreet uit kunnen zien? En welke vorm van democratie lijkt daarvoor het meest geschikt?

Ronald Dekker richt zich in zijn bijdrage op de democratisering van het productieproces - ofwel: de democratisering van ondernemingen. Hoewel er tal van doordachte voorstellen bestaan om werkenden meer zeggenschap te geven, laat Dekker zien dat Nederlandse werknemers daar in de praktijk nog weinig van merken. Besluitvorming over de inzet van technologie en kapitaal ligt, net als de organisatie van arbeid zelf, grotendeels bij aandeelhouders en door hen aangestelde managers. Naast meer zeggenschap voor werknemers, pleit Dekker ook voor het betrekken van bredere groepen belanghebbenden, zoals omwonenden en consumenten.

Daarbij ziet hij de verschillende vormen van democratisering als complementair. De zeggenschap van medewerkers kan vergroot worden via de representatieve weg, door ondernemingsraden meer macht te geven én door gekozen werknemersvertegenwoordigers op te nemen in het ondernemingsbestuur. Bij associatieve democratisering kan gedacht worden aan het uitbreiden van cao-onderhandelingen naar onderwerpen die verder reiken dan loon en werktijd, en aan het betrekken van andere stakeholders. Meer zeggenschap via de directe weg kan vorm krijgen via zelfsturende teams, (digitale) raadplegingen van medewerkers en ‘werkvloer-beraden’.

Net als Ronald Dekker is ook Joris Thijssen van mening dat zeggenschap in ondernemingen breder moet worden gedeeld. Thijssen pleit daarom voor het instellen van ‘maatschappelijke raden’ bij ondernemingen, waarin naast aandeelhouders ook andere belanghebbenden zijn vertegenwoordigd, zoals omwonenden of milieuorganisaties. Deze raden bepalen mee over strategische keuzes, zoals het aanstellen van de CEO en het goedkeuren van de jaarplannen. Onderzoek laat zien dat dit de aandacht voor de lange termijn en voor brede publieke belangen vergroot, zonder verlies aan winstgevendheid. 

De volgende drie bijdragen richten zich op investeringen. Jasper Simons kijkt specifiek naar het Nederlandse industriebeleid, oftewel het geheel aan overheidsmaatregelen, waaronder publieke investeringen, om de ontwikkeling van de industrie te beïnvloeden. Aan de hand van een korte geschiedenis laat hij zien waarom industriebeleid decennialang een vies woord was in de Nederlandse politiek. En waarom het nu weer terug van weggeweest lijkt te zijn. Kort samengevat kende Nederland in deze periode een weinig proactief industriebeleid, dat sterk gericht was op grote bedrijven. Minder regels en meer belastingvoordelen moesten innovatie stimuleren. Hoewel parlement en polder formeel betrokken waren, plaatst Simons zijn vraagtekens bij de democratische legitimiteit van dit beleid. 

Hij verwacht dat meer democratische zeggenschap over het industriebeleid tot andere keuzes zal leiden, zoals meer aandacht voor bedrijven buiten de Randstad en een sterkere koppeling aan maatschappelijke opgaven. Onder de laatste twee kabinetten-Rutte werd het industriebeleid omvangrijker en nadrukkelijker verbonden aan onder meer de groene transitie, mede door druk van de kiezer. Simons laat echter zien dat de democratische controle over de gebruikte financieringsinstrumenten (het Groeifonds en Invest NL) zeer beperkt was. Voor een daadwerkelijk democratisch industriebeleid pleit hij daarom voor actieve burgerbetrokkenheid bij de beleidsvorming (de participatieve route).

Angela Wigger neemt in haar bijdrage het Europese industriebeleid onder de loep. Omdat de Europese Unie slechts beperkte fiscale bevoegdheden heeft, wat het voeren van een zelfstandig industriebeleid bemoeilijkt, maakt zij hierbij gebruik van publiek-private financieringsstructuren. Wigger bespreekt de bekendste voorbeelden hiervan: het InvestEU- en het NextGenerationEU-programma, samen goed voor meer dan € 1.000 miljard aan investeringen. Wigger laat zien dat de EU hiermee de richting en het tempo van de groene transitie uit handen geeft aan private partijen, die primair winstgedreven zijn. Sterker nog, investeringsrisico’s worden zo afgewenteld op de belastingbetaler, terwijl de winsten naar private partijen vloeien.

Volgens Wigger ondermijnen deze ondoorzichtige financieringsconstructies niet alleen de democratische sturing van investeringsprioriteiten, maar ook het toezicht op de besteding van publieke middelen. Democratisering van het EU-industriebeleid is dan ook essentieel om te garanderen dat dit beleid daadwerkelijk publieke belangen dient. Meer zeggenschap voor het Europees Parlement (de representatieve route) is een begin, maar volgens Wigger bij lange na niet voldoende. Alleen vergaande democratisering van de economie, waarin burgers via participatieve planningsprocessen beslissen over de inrichting ervan, kan leiden tot een werkelijk democratische economie.

Suna Can, Roelien van der Wel en Natascha van der Zwan richten zich in hun bijdrage op de besluitvorming binnen Nederlandse pensioenfondsen. Met een gezamenlijk vermogen van € 1.600 miljard nemen die een groot deel van de semipublieke investeringen voor hun rekening. Momenteel hebben deelnemers in Nederlandse pensioenfondsen een wettelijk verankerd recht op inspraak. Die inspraak verloopt via vakbonden en gekozen vertegenwoordigers. Daarmee zijn de representatieve en associatieve vormen van democratie in het pensioenstelsel verankerd. Deze vormen van zeggenschap schieten echter tekort, met name omdat ze niet leiden tot een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen en jongeren. 

Om de invloed van deelnemers te vergroten pleiten de auteurs voor meer deliberatieve democratie binnen pensioenfondsen. Via een daadwerkelijk representatief beraad van deelnemers, ondersteund door onafhankelijke experts, kan een inhoudelijk gesprek over het beleggingsbeleid worden vormgegeven. Wanneer pensioenbesturen zich committeren aan de uitkomsten hiervan, vergroot dat de democratische legitimiteit van het beleggingsbeleid aanzienlijk. Ook het voorstel voor een Nationaal Burgerberaad Pensioen is zeker het verkennen waard, omdat dit kan leiden tot een breed gedragen advies over hoe het directe belang van deelnemers (een goed rendement) in lijn kan worden gebracht met bredere publieke belangen op de langere termijn.

Met Daniel Mertens bespraken we hoe publieke investeringsbanken een instrument kunnen zijn om kredietverlening democratischer te organiseren. Onlangs pleitte ook Jeroen Dijsselbloem voor een publieke investeringsbank in Nederland, omdat onze investeringen in onderzoek en ontwikkeling sterk achterblijven bij andere OESO-landen.[23] Maar wat is een publieke investeringsbank precies? Mertens legt uit dat dit een bank is waarvan de staat minstens 50% eigenaar is, met een publieke taak - zoals het stimuleren van innovatie, infrastructurele ontwikkeling of woningbouw - en gericht op langetermijninvesteringen. Dankzij deze eigenschappen kunnen publieke investeringsbanken geld lenen en uitlenen tegen relatief gunstige voorwaarden. Terwijl commerciële banken zich beperken tot rendabele investeringen en dus vooral de markt volgen, kan een publieke investeringsbank een sleutelrol spelen in het aanjagen van grote maatschappelijke ontwikkelingen.
Omdat een publieke investeringsbank onder de ministeriële verantwoordelijkheid en parlementaire controle valt, is er sprake van indirecte democratische zeggenschap over de investeringen. Mertens waarschuwt echter dat deze vorm van zeggenschap kwetsbaar is voor partijpolitieke beïnvloeding. 

Ook ziet hij ruimte voor meer associatieve democratie, waarbij belangengroepen zoals vakbonden of ngo’s vertegenwoordigd zijn in de raad van bestuur of raad van toezicht van de publieke investeringsbank. Maar omdat ook deze vorm van inspraak erg indirect is, en niet altijd even representatief, ziet hij vooral potentieel in de directe weg. Daarin krijgen burgers via een representatief beraad een stem in het investeringsbeleid van een publieke investeringsbank.

Gezien de grote opgaven van dit moment, zoals de groene transitie en de woningbouwopgave, is dit hét moment om na te denken over een nieuwe, democratisch georganiseerde publieke investeringsbank in Nederland. Waar Dijsselbloem pleit voor een publieke investeringsbank die technologische ontwikkeling door private bedrijven stimuleert, zien wij, net als Mertens, meer in een variant die via investeringen in échte publieke doelen bijdraagt aan het aanpakken van bovengenoemde opgaven.

In de slotbijdrage richten Martijn van der Linden en Janosch Prinz zich ook op geldschepping en kredietverlening, met een focus op het Europese monetair beleid. Sinds de invoering van de euro wordt het monetaire beleid grotendeels uitgevoerd door de Europese Centrale Bank (ECB). Op basis van democratische besluitvorming is het monetaire beleid bewust gedepolitiseerd, om politiek opportunisme te voorkomen. Hoewel niet geheel onbegrijpelijk, plaatsen de auteurs toch vraagtekens bij de vrij beperkte democratische controlemechanismen over de ECB. Het monetair beleid is namelijk beslist niet politiek neutraal en in de praktijk zien we dat centrale banken vooral het winstmodel van commerciële banken ondersteunen. 

Om de collectieve zeggenschap over het monetaire beleid te vergroten, pleiten de auteurs voor meer indirecte democratie. Concreet betekent dit meer politieke sturing en controle via het Europees Parlement of de Europese Raad, waarbij de ECB verantwoordelijk blijft voor de uitvoering van het monetaire beleid, maar gekozen politici meer invloed krijgen op de secundaire doelstellingen van de ECB (naast de primaire doelstelling: prijsstabiliteit). Tot slot introduceren ze het idee van een burgerdividend uitgekeerd in digitale euro’s, als instrument om burgers meer controle te geven over de kredietverlening.

Conclusies

Alle bijdragen overziend, kunnen we concluderen dat er sprake is van een democratisch tekort op alle drie de economische functies. Zeggenschap over onze huidige economie ligt niet alleen bij aandeelhouders en de door hen aangestelde bestuurders, maar ook bij investeringsmaatschappijen, banken en technocratische beleidselites. Dit leidt ertoe dat de aanpak van grote maatschappelijke opgaven, zoals de klimaattransitie en de woningbouw, in belangrijke mate wordt overgelaten aan actoren met vooral private belangen. Dat komt de aanpak van deze opgaven doorgaans niet ten goede. Bovendien leidt dit ertoe dat (semi)publieke middelen niet altijd zo worden ingezet dat ze ook optimaal publieke doelen dienen, maar eerder om private risico’s af te dekken. Een economische democratiseringsagenda moet dus oog hebben voor de gehele economie, en niet slechts de onderneming.

Een tweede conclusie die we kunnen trekken op basis van de bijdragen is dat, om collectieve zeggenschap over de economie te krijgen, de verschillende vormen van democratisering in samenhang moeten worden ingezet. Elke vorm heeft voor- en nadelen, dus juist de combinatie van de verschillende vormen biedt perspectief. De representatieve vorm van democratisering is weliswaar het meest uitvoerbaar - vooral waar het technocratische beleidsterreinen betreft – maar is ironisch genoeg niet altijd even representatief. Vertegenwoordigers kunnen beïnvloed worden door gevestigde belangen of vervreemd raken van degenen die zij vertegenwoordigen. Directe vormen van democratisering leiden tot meer rechtstreekse zeggenschap, maar vragen doorgaans ook om meer tijd en middelen. Hoewel associatieve vormen van democratisering vaak een sterk deliberatief karakter hebben, kan de sterke focus op sectoren of regio’s ten koste gaan van het bredere democratische draagvlak. Juist een combinatie van deze drie vormen van democratisering vormt daarom de sleutel tot een volwaardige democratische economie.

Dit themanummer is een eerste aanzet tot een linkse democratiseringsagenda voor de economie. Een aanzet die uitnodigt tot verdere doorontwikkeling. Een belangrijk punt dat meer doordenking behoeft, is de wisselwerking tussen de verschillende economische functies. Het bevorderen van bedrijven waar werknemers mede-eigenaar zijn, vraagt bijvoorbeeld om alternatieve investeringsmodellen en manieren van kredietverstrekking dan nu gebruikelijk zijn.[24] Een ander aandachtspunt is politieke strategie: waar liggen op dit moment reële kansen voor democratisering? Welke interventies beloven de grootste impact? Hoe framen we deze voorstellen? 

Dat gezegd hebbende kan het bouwen aan een meer democratische economie niet wachten. Want zolang de zeggenschap over de economie voorbehouden blijft aan enkelen, kunnen zowel het kapitalisme als de democratie hun beloften niet waarmaken.

Noten

[1] Thomas Piketty (2022). Een kleine geschiedenis van de gelijkheid. De Geus; Erik Olin Wright (2010). Envisioning Real Utopias. Verso; Isabelle Ferreras (2017). Firms as political Entities. Saving democracy through economic bicameralism. Cambridge University Press; Jason Hickel (2025) - Why Capitalism Is Fundamentally Undemocratic. Brave New Europe
[2] Tuur Elzinga (2024). Democraten aller landen, verenigt u. Bot uitgevers. 
[3] Joop den Uyl (1978). Inzicht en uitzicht. Opstellen over economie en politiek. Prometheus. 
[4] Vivek Chibber (2024). The flight from materialism. Catalyst, 8(03), 8-39. 
[5] Herman Tjeenk Willink (2018). Groter denken, kleiner doen. Een oproep. Prometheus. 
[6] Andere samenlevingsvormen, waar het democratisch kapitalisme zich van onderscheidt, zijn bijvoorbeeld het communisme (USSR), het staatskapitalisme (China), of het autoritair kapitalisme (Saudi Arabië).
[7] Voor de geschiedenis van het Democratisch Kapitalisme en haar huidige crisis, zie o.a. Wolfgang Streeck (2016) How Will Capitalism End? Essays on a failing system. Verso; Martin Wolf (2023). De Crisis van het Democratisch Kapitalisme. Spectrum.
[8] Voor een uitgebreidere discussie van de verschillen tussen de democratische en kapitalistische ‘logica’s’, zie o.a. Deborah Stone (2002). Policy Paradox: The Art of Political Decision MakingNorton; Wolfgang Streeck (2011). The Crises of Democratic Capitalism. New Left Review vol.71: 5-29.
[9] Piketty, Thomas (2013). Kapitaal in de 21ste Eeuw. De Bezige Bij.
[10] Peter Hall (2022). The shifting relationship between Post-War Capitalism and Democracy. Government and Opposition vol. 57: 1-30.
[11] Zie o.a. Brown, W. (2015). Undoing the Demos: Neoliberalism’s Stealth Revolution. Princeton University Press; Stahl, R.M. (2021). From Depoliticization to Dedemocratisation: Revisiting the Neoliberal Turn in Macroeconomics; Quinn Slobodian (2018). Globalists: The End of Empire and the Birth of Neoliberalism. Harvard University Press.
[12] Fraser, Nancy (2024). Canibal Capitalism: How Our System Is Devouring Democracy, Care, and the Planet – and What We Can Do about It. Verso.
[13] Benanav, Aaron (2025). Beyond Capitalism: Groundwork for a mutli-criterial Economy. New Left Review 153: 65-128.
[14] Elizabeth Anderson (2017). Private Government; How Employers Rule Our Lives (and Why We Don't Talk about It). Princeton University Press; Ferreras, I., Battilana, J., & Méda, D. (2022). Democratize work: The case for reorganizing the economy. In: Democratize Work. University of Chicago Press.
[15] Je zou kunnen stellen dat prijsvorming een vierde functie is die in dit rijtje thuishoort. Hoewel prijsvorming door economen vaak wordt omschreven als het resultaat van een harmonieuze wisselwerking tussen vraag en aanbod, is de werkelijkheid een stuk complexer. Prijsvorming wordt op tal van manieren beïnvloed door partijen met veel marktmacht en door overheden. Zoals de Duits-Amerikaanse econome Isabella Weber overtuigend heeft beargumenteerd, is het helemaal niet vreemd om na te denken over democratische invloed op processen van prijsvorming – althans bij strategische goederen. Voor een bespreking van het werk van Weber, zie: Reurink, A. (2024). Prijzen reguleren in plaats van herverdelen. S&D 2024/4. Wiardi Beckman Stichting.
[16] Roberto Frega, Lisa Herzog & Christian Neuhäuser (2019). Workplace democracy. The recent debate. Philosophy Compass, 14(4), 1-11.
[17] Anderson (2017); Ferreras, Battilana & Méda (2022).
[18] Ferreras (2017).
[19] De Poolse econoom Michal Kalecki wees er al halverwege de 20e eeuw op dat private controle over het investeringsniveau kapitaalbezitters een buitengewone macht geeft over democratische processen. In zijn invloedrijke essay Political Aspects of Full Employment (1943) betoogt hij dat economische crises vaak niet voortkomen uit onvermijdelijke marktdynamiek, maar uit het strategische gedrag van kapitalisten. Wanneer overheden beleid voeren dat hun belangen schaadt – bijvoorbeeld door herverdeling of arbeidsrechten te versterken – kunnen zij reageren met een ‘investeringsstaking’, waarbij ze investeringen uitstellen of terugtrekken. Daarmee zetten zij democratisch gekozen regeringen onder druk en ondermijnen zij het democratisch mandaat. Zie Kalecki, M. (1943). Political Aspects of Full Employment. The Political Quarterly.
[20] Zie o.a. Ann Pettifor (2017). The Production of Money; How to Break the Power of Bankers. Verso.
[21] Erik Olin Wright (2019). How to be an anti-capitalist in the 21st century, pp. 9-17. Verso; Cohen, Joshua. 2009. Philosophy, Politics, DemocracyCambridge, MA: Harvard University Press.
[22]Zie bijvoorbeeld Ewald Engelen en Monika Sie Dhian Ho (2004). De staat van de democratie: democratie voorbij de staat. Amsterdam University Press; Erik Olin Wright (2010). Envisioning real utopias. Londen: Verso.
[23] Jeroen Dijsselbloem, interview bij Buitenhof, 08-06-2025.
[24] Mike Beggs (2022). The market and workplace in a democratic socialism. Catalyst, 6(03), 9-60. 

Dossiers

Voor een thematisch overzicht van al onze artikelen en publicaties, zie onze dossiers

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.