logo

Progressieven zijn links omdat zij progressief zijn, niet andersom. Daarom is de naam ‘Progressief Nederland’ ook zo goed gekozen. Progressief betekent veel meer dan simpelweg een streven naar ‘vooruitgang’. Progressief is het spiegelbeeld van rechts-conservatief. In zowel de economische als de culturele dimensie staat tegenover de conservatieve wens tot een hiërarchische ordening de progressieve wens tot een egalitaire ordening.

Flor Avelino & Rutger Claassen
Beide auteurs zijn verbonden aan de Universiteit Utrecht 

De bekendmaking van de nieuwe naam ‘Progressief Nederland’ (PRO) voor de fusiepartij van GroenLinks-PvdA leidde dit voorjaar tot verhit debat in progressieve kringen. Zelfs de roos werd in dat debat getrokken, nu deze in het logo van de nieuwe partij van rood naar groen is verschoten. Moeten we dit alles relativeren, langs de lijnen van Juliets onvergetelijke uitroep ‘What's in a name? That which we call a rose (!) / By any other name would smell as sweet.’ 

Nee, namen doen ertoe. De felste debatten gingen over de vraag: is PRO dan niet meer links? Is dit een defensieve move van GroenLinks-PvdA om van het steeds meer gehate ‘links’ af te komen? De partijtop bezwoer dat dit niet zo is, maar dat roept toch de vraag op wat de diepere reden is voor de wending richting ‘progressief’. Dat de afkorting een ‘positief’ gevoel geeft, (‘wij zijn PRO’), kan toch niet het hele verhaal zijn.

We willen de keuze voor deze naam in een breder kader trekken, in dat van de verschuivende partij-politieke en ideologische panelen, niet alleen in Nederland maar ook in de rest van Europa en elders in de wereld. Dat helpt ook om de ideologische strijd die voor ons ligt van zuurstof te voorzien. We verdedigen twee stellingen. Eén: Progressief Nederland is zowel strategisch als inhoudelijk gezien een buitengewoon goed gekozen naam, waarin linkse, egalitaire waarden uitstekend tot hun recht komen. Twee: de echte uitdaging ligt ‘m in de definitie van vooruitgang en daar zal de strijd met rechts-conservatieven grotendeels plaats moeten vinden.

Links vs Progressief

Laten we beginnen met de verhouding tot ‘links’. Het is niet helemaal gek om te denken dat ‘links’ en ‘progressief’ twee verschillende dingen zijn. Al jarenlang verdelen politicologen politieke partijen over een kwadrant met twee assen. Op de ene as staat ‘links-rechts’: dat staat voor de partij-politieke voorkeuren met betrekking tot klassieke sociaaleconomische issues. Denk: markt versus staat, wel versus geen herverdeling. Op de andere as staat de sociaal-culturele dimensie. 

Kiezers kennen de kwadranten-indeling wel van het kieskompas, waarin je je eigen voorkeur ten opzichte van partijen kunt terugvinden. Deze indeling suggereert: je kunt ook rechts én progressief zijn, of links én conservatief. Een progressieve partij is dus niet per definitie links.

Maar de laatste verkiezingen is er iets aan de hand met dat kwadrant. De posities van politieke partijen blijken netjes langs de lijn van een diagonaal te lopen: van links-progressief aan de ene kant tot rechts-conservatief aan de andere kant (zie ook de bespreking van de politicoloog Simon Otjes op de website Stuk Rood Vlees: Kieskompas gaat weer in de fout). Zou dat toeval zijn? Wat is hier aan de hand? Wij willen suggereren dat die diagonaal de ware progressief-conservatief as is, en in ideologisch opzicht al heel lang bepalend is voor politiek conflict in Westerse landen. Daarvoor moeten we terug naar de geschiedenis, en de focus leggen op de andere kant: het conservatisme.

Conservatisme begrijpen

We baseren ons daarbij op de uitstekende analyse van de politiek theoreticus Corey Robin in zijn boek The Reactionary Mind. Robin betoogt dat de conservatieven – aanvankelijk vooral de adel, wiens dominante positie werd aangevallen – na de Frans Revolutie voor een dilemma stonden. Zij waren de in het defensief gedrongen, re-agerende partij. 

De samenleving werd herordend en gelijkwaardigheid (‘all people are born equal’) werd steeds meer een uitgangspunt. Om die gelijke waardigheid (‘dignity’) te waarborgen, ontstond de wens een strakkere splitsing te maken tussen de private en publieke sfeer, met eigen dragende beginselen: in de publieke sfeer wordt het beginsel van de ‘collectieve vrijheid’ (volkssoevereiniteit) erkend, tegen de heerschappij van Koningen. Die strakkere splitsing was nodig om de samenleving te ‘ont-feodaliseren’ (zie het mooie boek The Great Demarcation van Rafe Blaufarb daarover). 

In de private sfeer wordt het adagium ‘private vrijheid’: iedereen mag het eigen leven naar eigen inzicht inrichten. ‘Gelijkheid’ en ‘vrijheid’ zijn dus met elkaar verbonden: het gaat om ‘gelijke vrijheid’ in zowel private en publieke sfeer. 

Moesten zij zich verzetten tegen de gelijkwaardigheid van alle mensen, de verruiming van het kiesrecht, de mensenrechten, wat we nu ‘de liberaal-democratische rechtstaat’ noemen? Dat was de grondhouding van de aartsvader van het conservatisme eind achttiende eeuw geweest, Edmund Burke. Dat is wat conservatieven eigenlijk wilden: de hiërarchische orde van het ‘ancien regime’ herstellen, waarin de aristocratische (en later: kapitalistische) elite de dienst uitmaakt, en het volk ondergeschikt is. Maar dat kon niet meer: de gedachte van gelijke waardigheid kon niet meer ontkend worden. 

Naarmate de negentiende eeuw vorderde, bleek dat de geest uit de fles was. En dus kozen conservatieven voor een andere strategie. Robin beschrijft dat als volgt: ‘Still, the more profound and prophetic stance on the right has been (…): cede the field of the public, if you must, but stand fast in the private. Allow men and women to become democratic citizens of the state; make sure they remain feudal subjects in the family, the factory, and the field. The priority of conservative political argument has been the maintenance of private regimes of power— even at the cost of the strength and integrity of the state.’ (Robin, The Reactionary Mind, p. 18). 

Robin maakt dus bewust geen scherp onderscheid tussen gematigd-rechts en extreem-rechts, maar wil de samenhang tussen beide laten zien, zodat begrijpelijk wordt waarom extreme (‘reactionaire’) varianten zoals het Trumpisme voortvloeien uit de bredere conservatieve agenda. In die agenda wordt private sfeer het hoofdtoneel van politieke strijd: hier willen conservatieven een hiërarchische orde in stand houden. 

In de persoonlijke levenssfeer willen conservatieven de dominantie van mannen over vrouwen in stand houden, en streven naar traditionele rolpatronen. Religie is voor veel conservatieven een ordenend beginsel, net als (openlijk dan wel bedekt) etnische of zelfs raciale zuiverheid, vaak uitgedrukt via het idee van de nationale gemeenschap. ‘Voor God, volk en vaderland.’ 

In de private economie willen conservatieven de dominantie van de economische elite, de kapitalistische eigenaren, consolideren - ten koste van werknemers en anderen. Dit alles wordt gepresenteerd als compatibel met de democratische rechtstaat, bijvoorbeeld door argumenten gebaseerd op merite (kapitalisten zijn risico-nemende, creatieve entrepreneurs) of gelijkwaardigheid-in-verschil (vrouwen zijn niet minder dan mannen, alleen anders). 

De conservatief is conservatief in zowel de economische als de culturele dimensie, zoekt in beide naar het handhaven van ‘private regimes of power.’ Beide dimensies zijn onderdeel van één en dezelfde filosofie. Wendy Brown laat dat mooi zien in haar boek In the Ruins of Neoliberalism, waarin ze overtuigend betoogt dat beruchte neoliberalen zoals Friedrich Hayek niet alleen pro-markt waren. Ze waren ook conservatief in culturele zin. Voor Hayek was zowel de traditionele moraal als de spontane ordening van de markt een uitdrukking van vrijheid – en waren door de staat opgelegde maatregelen om die moraal of die markt in te dammen in de naam van sociale rechtvaardigheid verdacht. 

Het beeld van politiek rechts als een ongemakkelijke alliantie tussen individualistische libertariërs en christelijke conservatieven (in Nederlandse termen: CDA en VVD) behoeft dus bijstelling. Zo ongemakkelijk is die alliantie niet. Ook in het moeiteloos schakelen tussen culturele en economische registers van een partij als de PVV (de huizenmarkt zit vast door asielzoekers) zien we dit terug. 

Egalitaire samenleving

We leggen zoveel nadruk op de ontwikkeling van het conservatisme precies omdat in die spiegel het ook makkelijk is om te zien wat de essentie is van het progressivisme. In zowel de economische als de culturele dimensie staat tegenover de conservatieve wens tot een hiërarchische ordening de progressieve wens tot een egalitaire ordening. Aanvankelijk alleen economisch, maar het is niet voor niets dat al sinds de jaren zeventig de vredesbeweging, de vrouwenbeweging, de milieubeweging en later de dekolonisatiebeweging zich met links associeerden. 

Meer gelijke verhoudingen, niet alleen in het stemhokje, maar op alle terreinen van de samenleving, dat is de kern van de progressieve gedachte. Meer grip op het eigen leven, meer emancipatie van beknellende en bevoogdende verbanden, meer democratie in maatschappelijke instellingen en bedrijven. De voornaamste progressieve belofte ligt in het betwisten van bestaande machtsconcentraties in welk vorm dan ook, of dat nu gaat om klasse, etniciteit, kleur, sekse, geaardheid of welke sociale categorie dan ook. 

Daarbij wordt een gezond wantrouwen tegen het kapitalisme verbonden aan andere dimensies van politieke strijd. Een inspirerend voorbeeld daarvoor biedt het boek Cannibal Capitalism van Nancy Fraser, waarin zij laat zien hoe het kapitalisme niet alleen kannibaliseert op de klassieke arbeider, maar ook op de tijd en ruimte voor zorg-arbeid, ecologische verbanden, raciale minderheidsgroepen en de democratie zelf.

Bovenstaande maakt ook duidelijk waarom progressieven nu in de verdediging zitten. Want hoewel het zo lijkt alsof conservatieven de democratische rechtstaat hebben geaccepteerd, is dit voor veel conservatieven – zie Robin – een pragmatische aanpassing geweest aan de tijdgeest. In de conservatieve beweging zit altijd het risico ingebakken dat zij terugkeert naar haar oerbron, de democratische rechtstaat zelf ontkent, en reactionair, populistisch, zelfs fascistisch wordt. 

In de meer burgerlijke (fatsoenlijke) vormen van conservatisme lijkt dit gevaar afwezig. Dan blijft het bij verzet tegen ‘nieuwerwetse’ vormen van democratie (referendum, burgerberaad) die het volk meer inspraak geven. Liever de parlementaire democratie, die de mogelijkheid geeft om achter de schermen zaken te doen. Maar wanneer de tijdgeest het toelaat, gaat het conservatisme weer terug naar de anti-democratische oorsprong. 

Voor progressieven biedt dit hernieuwde conservatisme een kans en een bedreiging. De bedreiging is dat zij louter defensief wordt, omdat zij (terwijl centrum-rechtse partijen capituleren en zaken beginnen te doen met radicaal-rechtse partijen) zich wel moeten opwerpen als de laatste verdediger van de democratische rechtstaat. Die neiging zien we nu, en die defensieve houding wordt dan gecombineerd met de al decennia lopende verdediging van de ‘verworven rechten’ van de verzorgingsstaat: ‘Geen bezuinigingen op sociale zekerheid en zorg!’ Maar als dat de voornaamste politieke boodschap is, dan maakt een progressieve beweging geen schijn van kans. 

Een meer offensieve agenda is nodig. Hier ligt de progressieve kans: om zichzelf als tegenpool van de nieuwe conservatieve consensus te herpositioneren rond een agenda die net zo ontevreden is met de status quo maar dan om andere redenen. Die concrete plannen én aanlokkelijke vergezichten biedt om meer gelijkwaardigheid in de economie en in gender- en raciale verhoudingen, en een verdieping van de democratie in de hele samenleving tot stand te brengen. Traditioneel ‘links’ is onderdeel van dit verhaal, maar dat is niet het hele verhaal. Het streven naar sociaaleconomische gelijkheid komt voort uit een diepere, onderliggende overtuiging van gelijkwaardigheid. Oftewel: Progressieven zijn links omdat zij progressief zijn, niet andersom. 

Vooruitgang voorbij moderniteit 

De grote uitdaging voor het progressivisme is hoe die kerngedachte – een meer egalitaire samenleving – handen en voeten te geven in de hedendaagse context en tijdsgeest. Daarbij is het essentieel hoe we vooruitgang opvatten. Bij vooruitgang denkt men al gauw aan het vooruitgangsgeloof van de moderniteit, zoals die sinds de Verlichting de Westerse verbeelding heeft gevormd. 

De progressieve beweging was van oudsher verdediger van de moderniteit, en het conservatisme was er inherent kritisch op. Maar gaandeweg zijn de rollen omgedraaid. Eerdere generaties progressieven wilden de moderniteit voor zich laten werken en zetten zich in voor een eerlijkere verdeling van de vruchten van groei, technologie en individuele vrijheid, opdat meer mensen ervan konden profiteren. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw verbreedden progressieve stromingen het vrijheidsbegrip geleidelijk: feministische, abolitionistische, antikoloniale en socialistische bewegingen voegden daar keer op keer nieuwe dimensies van rechtvaardigheid aan toe. 

Nieuwere generaties progressieve denkers benoemen echter ook steeds diepere keerzijden van het moderniseringsproject. De mens plaatst zichzelf boven de natuur, ratio boven gevoel, en wetenschap boven andere vormen van kennis. Die manier van denken kan hiërarchische systemen versterken of in stand houden, of we het nu hebben over ecologische extractie of kapitalistische onderdrukking en uitbuiting. 

Conservatieven zijn er steeds beter in geslaagd om de drijvende krachten van de moderniteit voor hun gewenste samenlevingsmodel in te zetten, met de hypertechnologische, hyperkapitalistische versie van Elon Musk en Peter Thiel als voorlopig hoogte(diepte)punt. Naarmate dit proces vorderde, is de moderniteit voor veel progressieven onderdeel van het probleem geworden. Dat roept de vraag op hoe we vooruitgang kunnen begrijpen met historisch en kritisch besef van zowel de kracht als de valkuilen van de moderniteit. Wij illustreren dit aan de hand van vier kernproblemen en doen vier voorstellen om het denken hierover te kantelen.

Kernprobleem 1: technologische ontwikkelingen

Als eerste is er de rol van technologie. Vanaf het begin speelde in het modernistische vooruitgangsgeloof technologische innovatie een hoofdrol in het vormgeven van een betere wereld. Denk aan de Wereldtentoonstellingen (Expo’s) die vanaf 1851 in de grote steden de nieuwste technologische innovaties aan een wereldpubliek voorstelden. Maar gaandeweg zien we dat technologische vernieuwingen niet alleen nieuwe maatschappelijke problemen veroorzaken, maar ook bestaande en historische problemen verder versterken. 

De debatten die we nu hebben over de verslavende werking van social media en mobiele telefoons, of het gebruik van AI door scholieren en studenten om hun opdrachten te maken, zijn het meest recente voorbeeld. Daarbij komt dat technologische innovatie vaak wordt misbruikt als excuus om de noodzaak voor sociale verandering te ontkennen. ‘Als er een technologische oplossing is voor het klimaatprobleem, hoeven we onze levensstijl niet te veranderen en kunnen we vasthouden aan het bestaande’. ‘Als er een technologische oplossing is voor armoede of ongelijkheid, dan hebben we geen economische herverdeling nodig’. Op die manier is technologische vooruitgang een kern geworden van conservatisme, hoe contra-intuïtief dat op het eerste gezicht ook lijkt. 

Hoe kan een progressief zich daartoe verhouden? Hier kunnen we leren van innovatie- en transitiestudies. Daarin wordt een nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen innovatie enerzijds en transformatieve verandering, of ‘transities’, anderzijds. Technologische innovatie is niet inherent goed of fout, maar een fenomeen dat kritisch beschouwd en bevraagd moet worden: onder welke voorwaarden kan technologische innovatie bijdragen aan maatschappelijke verandering richting meer duurzaamheid en rechtvaardigheid? 

Technologische innovatie is ook niet de enige vorm van innovatie, er is ook sociale innovatie; veranderende sociale relaties en nieuwe vormen van doen, denken en organiseren. Zowel technologische innovatie als sociale innovatie zijn niet volledig maakbaar – ze gebeuren, of we het nou willen of niet – en de vraag is hoe we die ontwikkelingen kritisch kunnen beschouwen en inzetten voor progressieve doelen. Hoe kunnen we welke technologische en sociale innovaties inzetten om duurzame en rechtvaardige maatschappelijke transities mogelijk te maken, en hoe kunnen we daarbij ook op een rechtvaardige manier werken aan het uitfaseren van bestaande technologieën en industrieën die ons niet meer dienen? En hoe besluiten we hier samen over?

Kernprobleem 2: economische groei

Ten tweede heeft het vooruitgangsdenken zich sterk geïdentificeerd met economische groei. Bij vooruitgang denken we vaak letterlijk aan een opgaande lijn van toename in kwantiteit: ‘more is better’. Steeds meer mensen erkennen dat deze obsessie met economische groei nu onderdeel van het probleem geworden is. 

Al sinds de jaren zeventig, toen de Club van Rome kwam met haar rapport over The Limits to Growth is een belangrijk deel van de progressieve beweging ervan overtuigd dat meer niet – of althans niet automatisch – beter is. In de progressieve beweging is dit echter altijd omstreden gebleven. ‘Ik heb niets met degrowth’, zei Frans Timmermans in 2023. En: ‘Zonder economische groei - die duurzaam is - kom je als land niet verder.’ Dit is natuurlijk niet alleen een definitiekwestie: op het spel staat de Westerse levensstijl, waaraan ook grote groepen deelnemen die elke progressieve partij zal zien als onderdeel van haar electoraat. 

Net als bij technologie geldt ook hier dat een progressieve beweging zich moet onderscheiden door een zoektocht naar andere vormen van vooruitgang. Kunnen we ons tegenover lineaire vooruitgang ook laten inspireren door samenlevingen die van oudsher circulair of cyclisch over de tijd hebben gedacht? Wat is het goede (samen-)leven? 

We kunnen ons laten inspireren door het Oud-Griekse idee van eudaimonia, het Zuid-Amerikaanse idee van ‘buen viver’, hedendaagse discussies over ‘de economie van het genoeg’, het Limitarisme van Ingrid Robeyns, en nog veel meer. Uiteindelijk zal dat moeten worden omgezet in concrete andere vormen van mobiliteit, andere vormen van wonen, materiaal gebruiken, andere voedselpatronen. De volhardende zoektocht naar die concrete vormen is wat ons betreft de kern van het progressivisme. We hebben niet alle antwoorden, maar weten wel dat het anders moet. 

Het recente ‘Global Justice Report’ van Thomas Piketty en zijn co-auteurs laat zien hoe we een wereld in 2100 kunnen creëren waarin alle wereldbewoners kunnen groeien tot een welvaartsniveau van € 5000 per maand voor iedereen (!), terwijl tegelijkertijd de opwarming tot 2 graden beperkt blijft. Dat vereist wel een reductie in het aantal gewerkte uren; andere verhoudingen in de productieve activiteiten die het bbp uitmaken (meer onderwijs en zorg, minder materiële productie) en dus een andere levenswijze; niet verder groeien boven die € 5000 en grootschalige mondiale herverdeling. 

We kunnen twisten of dit nu ‘degrowth’ of ‘postgrowth’ moet heten, maar het laat in ieder geval zien dat we de traditionele angst dat strikt milieubeleid niet kan samengaan met beleid dat rechtvaardig is ten aanzien van de sociaal kwetsbare groepen, nu echt achter ons moeten laten.

Kernprobleem 3: diversiteit en verbondenheid 

Ten derde: inclusiviteit en diversiteit in klasse, ras, etniciteit, sekse, geaardheid, opleiding et cetera zijn de laatste tien jaar een belangrijk onderdeel van de progressieve agenda geworden, en terecht. Er is echter veel discussie over de manier waarop dit wordt ingevuld, en zowel binnen als buiten progressieve kringen zijn er regelmatige verwijten dat het een en ander te ver doorschiet. We kennen allemaal de discussies over woke en anti-woke; dat willen we hier niet herhalen. Wat we hier wel willen benadrukken is dat de beoogde diversiteit niet alleen betrekking heeft op sociale categorieën, maar ook op de ervaringen en perspectieven over wat vooruitgang is. Vooruitgang voor één groep kan ook als achteruitgang worden ervaren door een andere groep, en daarbij is de vraag wat de voorwaarden zijn voor vooruitgang voor alle groepen. 

Die zoektocht wordt vaak bekritiseerd of zelfs geridiculiseerd als de tragiek van links, maar we zouden dit fenomeen moeten vieren als een van de essentiële verdiensten van het progressivisme. Diversiteit gaat het niet alleen over verschillende sociale categorieën maar óók over interne spanningen tussen verschillende progressieve waarden. De urgentie van ecologische duurzaamheid gaat bijvoorbeeld niet altijd automatisch samen met sociaaleconomische rechtvaardigheid, of met de tijd en zorgvuldigheid die nodig is voor democratische inspraak. Dit zijn zogenaamde ‘transitiespanningen’ (zie het werk van Ciplet & Harrison). 

Vooruitgang is niet eenduidig maar een kwestie van politieke keuzes, twist, en deliberatie. Een egalitaire beweging gaat gepaard met waardenpluralisme en eindeloze discussies, precies omdat vooruitgang in egalitaire samenlevingen per definitie een complexe zoektocht is. Als we trappen in de neiging om te willen ‘winnen’ door één wereldbeeld op te leggen, hebben we eigenlijk per definitie al verloren. In een situatie van bekvechten is het verleidelijk om mee te gaan in de dynamiek van wie het hardst schreeuwt, maar op de lange termijn gaat het erom het bekvechten te vervangen door een wezenlijke verbinding rond heldere keuzes. De kwaliteit van het interne debat is een permanente uitdaging voor progressieve politiek. 

Kernprobleem 4: gemeenschap en verbondenheid

De moderne samenleving is altijd bekritiseerd geweest om haar individualisme. Conservatieven hebben daar hard aan bijgedragen. Progressieven hebben – als vaandeldragers van emancipatie – zich vaak afgezet tegen de hiërarchische kwaliteit van traditionele gemeenschappen, en de ‘spruitjeslucht’ die om gemeenschapszin hangt geridiculiseerd. Maar hoe terecht die kritiek ook was en blijft, er is wel degelijk een probleem. En dat is de progressieve neiging om niet of te weinig te onderkennen dat de mens een inherente behoefte heeft aan gemeenschapszin en geborgenheid. 

Niet alleen verbondenheid met anderen mensen maar ook de verbinding met onze fysieke omgeving en met ons verleden, met ‘waar we vandaan komen’. Bruno Latour beargumenteert in zijn boek Down to Earth dat progressieve bewegingen hebben gefaald om in die behoefte te voorzien en dat zij de strijd dreigen te verliezen aan conservatieve en reactionaire bewegingen die dat wel doen. De politiek moet ons weer ‘naar de aarde terugbrengen’, omdat juist in dat aards verbonden zijn de basis ligt voor nieuwe vormen van samenleven en verantwoordelijkheid.

Wat de progressieve benadering van verbondenheid en geborgenheid onderscheidt van de conservatieve benadering, is dat het gemeenschapszin op egalitaire, inclusieve gronden wil faciliteren. Dat wil zeggen dat iedereen welkom zou moeten zijn in de progressieve beweging, ongeacht sociale categorie, zolang een persoon democratische en egalitaire principes omarmt en bereid is om macht te delen. Wat die principes precies zijn blijft open voor debat. 

Dit betekent ook dat een progressieve beweging meer open moet staan voor diverse levensbeschouwelijke perspectieven, levensstijlen en taalgebruik. Spirituele en religieuze opvattingen zouden daarbij ook verwelkomd moeten worden, zolang die ook open staan voor elkaar en voor het bestaan en samenleven naast andere humanistische of seculiere perspectieven, en elkaar kunnen vinden in een zoektocht naar egalitaire samenlevingen. 

Hier zit een belangrijke sleutel voor progressieve politiek als een unieke kracht om deze verschillende groepen te verbinden. Enerzijds kunnen gedeelde ervaringen van uitsluiting, achterstelling of onderdrukking – hoe uiteenlopend ook in vorm – een drijvende kracht zijn voor een gezamenlijke progressieve claim op een rechtvaardigere verdeling van macht. Echter, deze solidariteit vanuit gedeeld onrecht is niet voldoende: een beweging die zich louter definieert via slachtofferschap raakt verstrikt in wat zij bestrijdt. 

Ook al blijft die strijd tegen onrecht essentieel, het gaat óók om een gezamenlijke verbeelding van hoe gelijkwaardigere samenlevingen er uit kunnen zien. Cruciaal daarbij is om ruimte te behouden voor meervoudige visies op gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid, zonder één enkele blauwdruk van een ideale samenleving op te leggen, en zonder de diversiteit in de beweging te reduceren tot één uniforme utopie. Onderlinge verschillen moeten we niet negeren of uit de weg te gaan, en de discussie daarover niet schuwen, maar we moeten juist het bestaansrecht van verschillende perspectieven, identiteiten en levensstijlen vieren als een essentie van gelijkwaardiger samenleven. 

De paradox van tolerantie speelt hierbij van oudsher een rol: in hoeverre moet intolerantie getolereerd worden? En hoe ga je op een constructieve manier om met al die diversiteit aan perspectieven zonder erin te verzanden? Dit is een eeuwenoude vraag waar veel democratische theorieën, vormen en experimenten voor zijn uitgevonden. Het bespreken van die vormen is een onderwerp voor discussie elders, maar wat we hier wel betogen is dat de progressieve beweging inherent de verantwoordelijkheid heeft om democratie niet alleen te verdedigen en behouden maar ook te vernieuwen en veranderen. 

Dit alles zou ook leidend moeten zijn bij het invulling geven aan het ‘Nederland’ in Progressief Nederland. De dominante reflex dit voorjaar was toch ‘Bah, waarom buigen ze mee met conservatief-rechts’. Ook het vlaggengewapper van D66 in de verkiezingscampagnes werd meewarig bezien. Hoe terecht deze bedenkingen ook zijn, we mogen ook niet onderschatten hoezeer verbondenheid aan een plaats en gemeenschap onderdeel uitmaken van de condition humaine. 

Het gaat erom het ‘verhaal van Nederland’ tot een inclusief verhaal te maken (zie ook het boek Nederland voor de Nederlanders van Mounir Samuel, dat laat zien hoe urgent het is én dat het mogelijk is om dat verhaal inclusiever te maken). En het gaat erom dat verbinden met de meervoudige identiteiten (lokaal, maar mogelijk ook Europees en wereldburger) die velen van ons ervaren. Het is én-én. 

De nationale identiteit staat dus niet ‘voorop’ ten opzichte van andere identiteiten, maar is wel een onmisbare schakel. Economisch kan het progressivisme ook niet louter in nationale termen denken. De beweging is van oudsher internationalistisch, voortgekomen uit de internationale arbeidersbeweging. Er is altijd een spanning geweest, want de verzorgingsstaat werd nationaal opgebouwd. Maar ook voor de komende decennia zal internationale en translokale lotsverbondenheid een belangrijk onderdeel moeten blijven zijn van de progressieve agenda. Niet alleen omdat de bedreigingen (van klimaatverandering tot AI-bedrijven, van oorlog tot pandemieën) niet louter nationaal van oorsprong zijn, en niet louter nationaal kunnen worden opgelost, maar ook omdat gelijkwaardigheid als waarde ophoudt te betekenen als zij stopt aan de landsgrenzen. Gelijkwaardigheid is per definitie universeel, anders is het privilege en een andere vorm van ongelijke machtsconcentratie.

Tot slot

Er is een duidelijk idee van progressivisme: het streven naar een egalitaire samenleving in economische en culturele dimensies. Oftewel, de voornaamste progressieve belofte is het betwisten van bestaande machtsconcentraties in welk vorm dan ook, of dat nu gaat om klasse, etniciteit, kleur, sekse, geaardheid of welke sociale categorie dan ook, en het creëren van samenlevingen waar de macht beter verdeeld is. Langs die lijn kan vruchtbaar de confrontatie worden opgezocht met conservatieve krachten, zowel in hun radicale, populistische fascistische vorm als in hun gematigde, traditioneel-rechtse of neoliberale vorm. 

De kunst is de egalitaire droom te herijken nu de schaduwzijden van moderne vooruitgang alomtegenwoordig zijn geworden. Een aanlokkelijk toekomstperspectief moet met hart en verstand gemaakt worden. Technologische innovatie kritisch beschouwen en het verschil begrijpen tussen innovatie en wenselijke transformatieve verandering. De economie in dienst brengen van het goede leven. Diversiteit omarmen, zowel in groepen mensen als in perspectieven. En de menselijke behoefte aan gemeenschapszin en geborgenheid serieus nemen en niet overlaten aan de conservatieve tegenpool. Hoe dat alles eruitziet is een zoektocht. Wat progressief is, zal altijd in beweging blijven en een onderwerp zijn voor een felle ideeënstrijd. 

We begonnen ons betoog met een verwijzing naar ‘What's in a name?’ In diezelfde hartenkreet zegt Juliet ook: ‘Tis but thy name that is my enemy’ en ‘Romeo would, were he not Romeo call'd / Retain that dear perfection which he owes.’ Hierin ligt, wat ons betreft, de kern van de progressieve uitdaging: niet elkaar vijandig bestrijden om woorden, namen of vermeende perfecties, maar elkaar vinden, scherpen en verfijnen in een gedeeld, onderliggend streven.

Dossiers

Voor een thematisch overzicht van al onze artikelen en publicaties, zie onze dossiers

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.