De manier waarop sociaal-democraten zich richten op ‘werkenden’ is minder sterk veranderd dan hoe zij aankijken tegen ‘werk’. Al sinds de jaren veertig proberen sociaal-democraten een brede, klasse-overstijgende groep werkenden aan te spreken, van arbeiders in de stad, tot boeren en kleine ondernemers. Ondertussen transformeerde hun visie op werk meerdere keren, vooral tegen de achtergrond van veranderende economische omstandigheden. 

Koen Damhuis is universitair docent aan de Universiteit Utrecht

Al sinds haar prilste dagen vormt werk een centrale bestaansreden van de sociaal-democratische beweging – het fundament waarop werd gestreden voor politieke en sociale rechten. Niet zonder reden heet de sociaal-democratische partij in het Verenigd Koninkrijk dan ook Labour en kennen we in zowel Vlaanderen als Nederland een Partij van de Arbeid

Gegeven de centrale positie van arbeid binnen de sociaal-democratische traditie, is het verrassend hoe weinig we weten over de wijze waarop deze partijen praten over werk en werkenden, en hoe dit discours zich heeft ontwikkeld over de tijd.[i] Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog veranderde de relatie van West-Europese sociaal-democraten met werk en werkenden namelijk aanzienlijk, ook electoraal: zo bestaat hun achterban steeds meer uit leden van de academisch geschoolde middenklasse, terwijl het percentage arbeiders dat op sociaal-democratische partijen stemt de afgelopen decennia juist flink is gedaald.[ii]

Gebaseerd op vergelijkend onderzoek met drie Deens- en Duitstalige collega’s[iii], waarin we alle sociaal-democratische partijprogramma’s uit het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Denemarken van 1945 tot 2025 analyseren - drie landen met uiteenlopende sociaaleconomische structuren, welvaartstaatregimes en meritocratische waarden - en aangevuld met voorbeelden uit de Nederlandse context – die zowel geografisch als institutioneel tussen deze drie casussen in ligt – probeert dit artikel meer inzicht te bieden in de veranderende wijze waarop arbeid door West-Europese sociaal-democraten wordt geproblematiseerd, aan welke groepen daarbij wordt geappelleerd en met welke morele repertoires zij over werk praten, bijvoorbeeld in termen van rechten of van plichten. 

Juist door te kijken naar uiteenlopende landen kunnen we zien in hoeverre trends kenmerkend zijn voor sociaal-democratische partijen in heel West-Europa. Daarbij zijn vier periodes te onderscheiden: de naoorlogse jaren (1945-1973), de crisisjaren (1973-1989), de neoliberale draai (1989-2009) en de meest recente periode vanaf de financiële crisis (2009-heden). Wat opvalt over de gehele linie? De sociaal-democratische visie op werk verandert fundamenteler dan het appel op werkenden.

De naoorlogse jaren: 1945-1973

Na de Tweede Wereldoorlog staat West-Europa in het teken van de wederopbouw en vormt volledige werkgelegenheid het ultieme beleidsdoel van de sociaal-democraten: het is de ‘hoeksteen van de nieuwe samenleving’, zoals Labour in 1945 zou schrijven. Deze oriëntatie gaat hand in hand met een keynesiaans-productivistische visie op werkgelegenheid als garantie voor economische groei, sociale stabiliteit en democratische consolidatie.[iv] Arbeid wordt daarbij geportretteerd als ‘bron van alle welvaart’, zoals in het PvdA-partijprogramma van 1946 valt te lezen. 

Met de toename van welvaart en levensstandaarden in deze periode, groeit ook de sociaal-democratische focus op stabiliteit en zekerheid. De problematisering van werk draait in de naoorlogse periode dan ook vooral om (‘oude’) sociale risico’s zoals ziekte, arbeidsongeschiktheid en ouderdom, met name voor mannelijke broodwinners. De Nederlandse wetgeving, ingevoerd onder leiding van PvdA-leider Drees, is hierin exemplarisch. Denk aan de werkloosheidswet (1952) of de Algemene Ouderdomswet (1956).

Wanneer West-Europese sociaal-democraten appelleren aan werkenden doen ze dat – interessant genoeg ook in de naoorlogse jaren al – op een brede, klasse-overstijgende manier. Bijvoorbeeld door zich niet alleen te beroepen op een ‘verenigde arbeidersklasse’, maar, zoals de Deense sociaal-democraten in 1945 schreven, op ‘de hele bevolking in stad en platteland: publieke dienstverleners, boeren, handelaren en ambachtslieden’. Of in de woorden van Labour: door zich te richten op ‘alle bruikbare mannen en vrouwen… die de nationale welvaart creëren’. Klassiek marxistische terminologie, die ook in de vooroorlogse jaren al minder prominent werd, maakt in deze periode dus verder plaats voor een breed sociaal-democratisch groepsappel op ‘burgers’ en ‘het volk’. Zoals de Duitse SPD stelde in 1959: ‘de sociaal-democratische partij is geëvolueerd van een partij van de arbeidersklasse in een partij van het volk’.[v]

In tegenstelling tot egoïstische en parasitaire onderdelen van het kapitaal, waaronder ‘profiteurs’ die zouden falen om ‘de natie op de eerste plaats te zetten’ (Labour, 1950), wordt dit volk in de naoorlogse jaren geportretteerd als de deugdelijke belichaming van de wederopbouw. Zij zijn het immers die ‘de nationale welvaart creëren’. Verantwoordelijkheid en de wil tot werken worden daarbij niet alleen als morele verplichting gezien, maar ook als een vanzelfsprekendheid. Zo vormt wederkerigheid in deze periode de morele basis onder de sociaal-democratische belofte van hogere lonen en meer sociale zekerheid, die werkenden rechtmatig toe zou komen als tegenprestatie voor hun bijdrage aan de collectieve voorspoed.

De crisisjaren: 1973-1989

Daar waar het werk-gerelateerde discours van West-Europese sociaal-democraten tijdens de trente glorieuses optimistisch van toon was en de belofte in zich droeg van welvaart voor allen, krijgt hun retoriek, tijdens de economische crisis in de jaren zeventig en tachtig een veel somberder karakter. Daarbij verschuift de focus van het scheppen van volledige werkgelegenheid naar de bescherming van werk. In Zweden beschreef de leider van de sociaal-democraten, Olof Palme, dit op scherpe wijze: ‘De huidige crisis van het kapitalisme’, zo stelde hij, ‘is tegelijkertijd een crisis van de industriële samenleving. En het is onze taak om de industriële samenleving te redden.’[vi]

Zoals Palmes citaat illustreert wordt het sociaal-democratische discours rondom werk in deze periode gedomineerd door een ‘crisissemantiek’.[vii] En het belangrijkste symptoom van deze crisis is werkloosheid; een groeiende dreiging die in deze jaren, voor het eerst sinds het interbellum, opdoemt en het ideaal van volledige werkgelegenheid steeds verder uit het zicht doet verdwijnen.

Daartegenover beloven sociaal-democraten om kwakkelende industrieën te steunen en banen te preserveren. In de eerste plaats middels herscholing en betere opleiding voor werkenden. Want zoals de Deense sociaal-democraten in 1977 stelden: ‘Vaardigheden en kwalificaties betekenen zekerheid.’ Werkloosheid wordt in deze periode dan ook vooral als problematisch gezien voor hen die, in de woorden van de SPD ‘niet of slecht geschoold zijn’, met name jongeren met een beperkte opleiding. 

Ondanks de crisis blijft volledige werkgelegenheid zo het dominante streven tijdens de economische crisisjaren. Daarbij wordt arbeid bovenal als recht, en zelfs als fundamenteel mensenrecht neergezet. Binnen dit morele kader is werkloosheid niet zozeer het gevolg van een gebrek aan motivatie, maar wordt zij eerder gepresenteerd als een omstandigheid die individuen overkomt, bijvoorbeeld door verdwijnende banen in de industrie. Met andere woorden, het ligt ‘beyond their control’, zoals Labour dit in 1983 formuleerde. Ook in die zin sluit het arbeidsdiscours in de crisisjaren aan op het paradigma dat dominant was in de naoorlogse periode, waarbij de verdienstelijkheid van werkenden als vanzelfsprekendheid worden gezien. 

Tegen de achtergrond van opkomende progressieve protestbewegingen in de jaren zestig en zeventig wordt het morele rechtenrepertoire ondertussen breder van aard. Daarbij krijgen vrouwenrechten een steeds centralere plaats, bijvoorbeeld middels pleidooien tegen seksediscriminatie op de arbeidsmarkt en voor echte keuzevrijheid tussen betaald werk en (gedeelde) huishoudelijke taken. Ook worden rechten van werkenden in deze jaren meer neergezet in termen van zeggenschap: denk aan PvdA-pleidooien voor ‘bedrijfsdemocratie’ als onderdeel van het ‘eerlijk delen van de macht’. Dit alles onder aanvoering van een ‘actieve overheid’ die, zoals de PvdA dit in 1986 formuleerde, ‘economisch herstel en eerlijk delen bevordert’.

De neoliberale draai: 1989-2009

In de jaren zeventig en tachtig zochten sociaal-democraten expliciet naar het redden van de industriële samenleving, of probeerden op zijn minst de ontberingen te verzachten die de economische crisis voor veel werkende mensen met zich meebracht. In de jaren negentig en de jaren nul namen zij grotendeels afstand van zulke beloften. Tijdens deze transformatie richting ‘market social democracy’[viii] en het door Wim Kok fameus geworden ‘afschudden van ideologische veren’, werd gebroken met de keynesiaanse traditie. Tegelijkertijd bleef de problematisering van werk sterk gericht op scholing en onderwijs om werkloosheid te bestrijden en niet achterop te raken in een globaliserende economie. 

Competitiviteitwordt dan ook een centraal begrip in het sociaal-democratische discours over werk in deze jaren. Zoals de latere Labour-leider Gordon Brown het in 1999 zou verwoorden: ‘Onze opdracht is ervoor te zorgen dat we, als individuen en bedrijven en ook als land, volledig zijn uitgerust om bij te dragen aan en te concurreren op deze wereldmarkt.’

Hoewel onderwijs en vaardigheden, net als in de jaren zeventig en tachtig, door sociaal-democraten worden gepresenteerd als een buffer tegen structurele veranderingen, worden ze vanaf de jaren negentig ook neergezet als belangrijke investering in individuen, om hen te activeren – en waar nodig te dwingen – om zich flexibel op te stellen tegenover de eisen van en de kansen op een veranderende arbeidsmarkt. Daarbij fungeren ondernemers, eerder dan werknemers, als centraal referentiepunt en wordt werk primair gezien als plek waar individuen hun verdiensten bewijzen, door succesvol te zijn en niet te teren op collectieve middelen. ‘Werk in plaats van bijstand’ luidt dan ook het sociaaleconomische ‘Grundsatz’ van de SPD in 1998. 

Van een preoccupatie met het bestrijden van massawerkloosheid – die in de periode daarvoor vooral holistisch als een sociaal feit werd gezien – verschuift de aandacht van de sociaal-democraten zo naar de responsabilisering van individuen.[ix] In haar partijprogramma uit 1998, met de voor deze periode illustratieve titel Een wereld te winnen, schreef de PvdA: ‘Mensen moeten zelf de kansen grijpen.’ Of in de woorden van Labour een jaar eerder: ‘Werklozen hebben de verantwoordelijkheid om gebruik te maken van opleidingsplaatsen of werk.’

Precies deze plichtengerichte focus op activering en individuele verantwoordelijkheid vormt de morele kern van het sociaal-democratische arbeidsdiscours in de jaren negentig en nul. Ze gaat hand in hand met het verdwijnen van collectieve belangen en dito rechten uit de sociaal-democratische verbeelding. Daarentegen maakt ‘duty talk’ – die enigszins aanwezig was in de naoorlogse jaren, maar volledig afwezig in de jaren zeventig en tachtig – een sterke comeback in de jaren negentig. Zo definieerde Labour-leider Tony Blair, in een beroemd geworden quote, de mensen voor wie hij zich verantwoordelijk voelde als de ‘mensen die hard werken, volgens de regels spelen [en] hun bijdrage betalen’. 

Van een focus op gelijke resultaten verschuiven sociaal-democratische ideeën van sociale rechtvaardigheid daarbij naar een focus op gelijke kansen.En precies het scheppen van kansen, om het PvdA-programma uit 1998 nogmaals aan te halen, ‘is een verantwoordelijkheid van de politiek, zonder dat het haar exclusieve verantwoordelijkheid is. Ook de burgers zelf, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties delen in die verantwoordelijkheid.’

Na de financiële crisis: 2009-2025

Hoe dichter het verleden bij het heden komt, hoe lastiger het valt te historiseren. Toch zijn er goede redenen om de financiële crisis in 2009 en de daaropvolgende recessie – ook wel ‘the great recession’ genoemd[x] aan te merken als het meest recente keerpunt in het sociaal-democratische discours over werk en werkenden. Dit keerpunt lijkt niet zozeer een fundamentele breuk, zoals de neoliberale draai dat vanaf de (late) jaren tachtig wel was. Maar eerder het begin van een overgangsperiode, zoals de naoorlogse visie van de sociaal-democraten in de jaren zeventig in een crisisfase belandde.[xi]

Net als in die tijd, krijgt het sociaal-democratische arbeidsdiscours vanaf 2009 een somberder karakter, dat contrasteert met het optimisme van de neoliberale jaren. ‘In heel Groot-Brittannië kennen werkende mensen een eenvoudige waarheid: de economie werkt niet voor hen’ schrijft Labour bijvoorbeeld in haar partijprogramma van 2015. In deze context nemen sociaal-democratische partijprogramma’s keer op keer expliciet afstand van neoliberale ideeën, bijvoorbeeld door het bekritiseren van de rijken of van concurrentie als ordeningsprincipe van de samenleving. Zo stelt de PvdA in 2021: ‘In dit verkiezingsprogramma kiezen wij ervoor om de mens voorop te stellen, en niet de markt.’ Om te vervolgen: ‘Wij kiezen uit overtuiging voor een sterke overheid en een breuk met het dogma van het privatiseren. […] Wij kiezen voor samenwerking in plaats van kille concurrentie.’ 

Met deze draai verschuift ook de sociaal-democratische problematisering van werk richting kwesties als economische ongelijkheid, precariteit en de druk op het ‘werkende midden’. Het dominante groepsappel blijft daarbij overkoepelend gericht op ‘alle werkenden’; met in deze periode een specifieke nadruk op respect en waardigheid voor niet-academisch geschoolden – vooral degenen met ‘essentiële beroepen’ zoals in de zorg. In plaats van de verantwoordelijkheid van individuen te benadrukken, richten sociaal-democraten zich daarbij meer collectivistisch op financiële problemen voor grote delen van de werkende bevolking. Denk aan het eerdere genoemde PvdA-verkiezingsprogramma uit 2021, waarin steun wordt uitgesproken voor ‘werkende armen en mensen die een baan hebben’, maar toch ‘niet rondkomen aan het einde van de maand.’

In de meest recente periode is er tegelijkertijd sprake van continuïteit. Interessant genoeg gaat de hedendaagse kritiek op ongelijkheid namelijk gepaard met een morele nadruk op ‘hard werken’, die al in de neoliberale jaren opkwam. Zoals de PvdA in 2017 schrijft: ‘We vinden dat wie hard werkt, daarvoor ook beloond moet worden.’ Op deze wijze wordt de onvolmaakte verwezenlijking van het meritocratische ideaal binnen een oneerlijk economisch system geagendeerd. 

Het meest recente verkiezingsprogramma van Labour (2024) stelt dit nog explicieter. Volgens Labour is de meritocratische basisbelofte ‘dat als je hard werkt, je daarvan de vluchten zult plukken’ verbroken door de Conservatieven: ‘We zijn een land waar wie je ouders zijn - en hoeveel geld ze hebben - maar al te vaak zwaarder weegt dan je inzet en ondernemingszin.’ Dit terwijl, ‘wie je ook bent, waar je ook vandaan komt’, Groot-Brittannië een plek zou ‘moeten zijn waar je door hard te werken verder kunt komen in het leven’. 

Deze idealisering van harde werkers, die al door Reagan en Thatcher werd gebruikt in hun anti-welvaartstaat-retoriek, kan gezien worden als een poging om aansluiting te vinden bij delen van de arbeidersklasse die politiek naar rechts zijn opgeschoven in de afgelopen decennia. Tegelijkertijd gaat dit morele kader hand in hand met een groeiende afstand tot historische sociaal-democratische doelen, zoals de bevrijding van arbeiders van hun zware werkomstandigheden, sociale rechten die niet worden verdiend door inspanning, maar worden toegekend op basis van burgerschap, of het idee van arbeid als een collectieve actor die recht heeft op de gemeenschappelijke rijkdom die zij creëert. 

Overigens wil dat niet zeggen dat het streven naar emancipatie geheel verdwijnt in het sociaal-democratische discours over arbeid. Integendeel, zo onderstreept de PvdA in 2017 dat haar ‘strijd voor gelijke rechten en kansen nooit klaar is’. Want: ‘Hoe bouw je je bestaan op als je achternaam ervoor zorgt dat je niet wordt uitgenodigd voor een sollicitatie?’ En ‘Hoe bouw je aan je bestaan als je minder verdient dan een collega, alleen maar omdat je vrouw bent?’ Zoals deze voorbeelden echter laten zien, draait de emancipatie voor sociaal-democraten tegenwoordig in sterke mate om gelijkheid qua gender en etniciteit – daarmee aansluitend op een discours dat, zoals we hierboven zagen, al in de jaren zeventig centraler kwam te staan.[xii]

De Britse casus laat mooi zien hoe er in de meest recente periode, onder wisselend leiderschap, op verschillende wijze kan worden teruggegrepen op arbeidsdiscoursen uit het verleden. Denk aan het huidige Labour onder Keir Starmer, waarbij de focus op hard werken en individuele ondernemerszin sterk resoneert met het neoliberale New Labour van Tony Blair. Dit terwijl de voorganger van Starmer, Jeremy Corbyn, in lijn met het discours uit de crisisjaren, juist erg gericht was op collectieve rechten en waardigheid – inclusief voor hen die niet in staat zijn om te werken – en een sterk gelijkheidsstreven voorstond voor zowel vrouwen, lhbti’ers als etnische minderheden. 

Gegeven de nieuwe samenstelling van haar kiezersgroepen, waarin de academische geschoolde middenklasse een belangrijke plek heeft ingenomen, zou het electoraal onhandig zijn voor sociaal-democratische partijen om een dergelijke, meer cultureel-progressieve agenda op te geven, bijvoorbeeld als het gaat om discriminatie op en democratisering van de werkvloer.[xiii] Tegelijkertijd hebben sociaal-democraten een lange traditie in het vechten voor zowel de academici als de economisch minder bedeelden. Om ook die laatste groep te blijven bedienen kan een meer ‘klassiek’ linkse sociaaleconomische strategie helpen, zeker in tijden van groeiende ongelijkheid op de arbeidsmarkt.[xiv] Bijvoorbeeld middels een meer collectieve, eerder dan individuele, visie op (en waardering van) arbeid en een meer antagonistische opstelling tegenover economische elites.[xv] Tegelijkertijd, wat sociaal-democraten in komende jaren ook zullen zeggen over werk en werkenden, er zal voor hen genoeg werk aan de winkel blijven om hun discours daadwerkelijk te vertalen in electoraal succes.

Noten

[i] Er zijn uitzonderingen op deze regel, zo schreef Leen Hoffman het boek Waar is Arbeid gebleven? over honderd jaar sociaal-democratisch werkgelegenheidsbeleid (Elikser 2017). Geen van de bestaande studies gaat echter expliciet en comparatief in op het veranderende sociaal-democratische discours rondom arbeid.
[ii] Zie bijvoorbeeld: Gingrich, J. en S. Häusermann (2015). The Decline of the Working-Class Vote, the Reconfiguration of the Welfare Support Coalition and Consequences for the Welfare State. Journal of European Social Policy, 25(1), 50–75. En Häusermann Silja en Herbert Kitschelt (red.) (2024). Beyond Social Democracy. The Transformation of the Left in Emerging Knowledge Societies, Durham: Duke University Press.
[iii] Damhuis, K., Wagner, P., Westheuser, L. en Meret, S. (onder contract). Discourses About Work and Working People in European Social Democracy, 1945-2025Elements in European Politics. Cambridge: Cambridge University Press.
[iv] Rogers, J. & Streeck, W. (1994). Productive solidarities: economic strategy and left politics. In D. Miliband, ed., Reinventing the Left, Cambridge: Polity.
[v] Zie hiervoor ook: Przeworski, A. (2021). Revolution, reformism, and resignation. In M. Adereth (red.), Market Economy, Market Society. Interviews and Essays on the Decline of European Social DemocracyNew York: Phenomenal World Volumes. En hoofdstuk 7 uit Corduwener, P. (2023), The Rise and Fall of the People's Parties. A History of Democracy in Western Europe since 1918. Oxford: Oxford University Press.
[vi] Brandt, W., Palme, O. & Kreisky, B. (1975). Briefe und Gespräche. Frankfurt am Main/Köln: Europäische Verlagsanstalt.
[vii] Raphael, L. (2023). Beyond Coal and Steel: A Social History of Western Europe after the Boom, Cambridge: Polity.
[viii] Nachtwey, O. (2013). Market Social Democracy: The Transformation of the SPD up to 2007. German Politics, 22(3), 235–52; Mudge, S. (2018). Leftism Reinvented: Western Parties from Socialism to NeoliberalismCambridge: Harvard University Press.
[ix] Arndt, C. en K. van Kersbergen. (2015). Social Democracy after The Third Way: Restoration Or Renewal? Policy & Politics, 43(2), 203–20.
[x] Zie bijv. Bremer, B., S. Hutter en H. Kriesi (2020). Dynamics of protest and electoral politics in the Great Recession. European Journal of Political Research 59: 842–866.
[xi] In dit artikel is geen ruimte om (theoretisch) diep in te gaan op discursieve paradigmaveranderingen, zie daarvoor: Damhuis, K., Wagner, P., Westheuser, L. en Meret, S. (onder contract). Discourses About Work and Working People in European Social Democracy, 1945-2025Elements in European Politics. Cambridge: Cambridge University Press.
[xii] De strijd tegen discriminatie en voor gelijkheid van vrouwen en mannen heeft ook diepe wortels in de sociaal-democratische traditie. Zo onderstreept de SDAP, in haar beginselprogramma uit 1937, ‘de gelijkberechtigdheid op politiek en economisch gebied van alle leden der gemeenschap, ongeacht sexe en ras’.
[xiii] Zie bijvoorbeeld Ferreras, I., J. Battilana, D. Méda (2022). Democratize Work. The Case for Reorganizing the EconomyChicago: Chicago University Press.
[xiv] Zie onder andere het werk van Fabian Dekker, bijvoorbeeld in Sociale Vraagstukken (20 november 2014). Debat over tweedeling moet ook over de arbeidsmarkt gaan
[xv] Zie hiervoor bijvoorbeeld het stuk van David Will in Die ZeitDie SPD muss bereit sein, sich mit den ökonomischen Eliten anzulegen (23 mei 2025). 

Auteur(s)

Dossiers

Voor een thematisch overzicht van al onze artikelen en publicaties, zie onze dossiers

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.