Het strafrecht pakt niet voor ons allemaal op dezelfde manier uit, je sociaaleconomische positie doet er nogal toe. Dit is een systemisch probleem waar het strafrecht niet aan voorbij kan gaan. Hoe kunnen we het systeem veranderen om sociale en daarmee samenhangende raciale ongelijkheid in het strafrecht aan te pakken? 

Marloes van Noorloos, hoogleraar straf- en strafprocesrecht, Universiteit Leiden

Het is al eeuwen een natuurlijke intuïtie dat het eerlijker is om mensen die het niet zo breed hebben, sommige wetsovertredingen minder zwaar aan te rekenen dan mensen die er warmpjes bij zitten – denk aan het stelen van een brood. Zoals Clara Wichmann in 1920 al naar voren bracht: iemand die ‘vagabondeert’ en daarbij af en toe steelt, tast heel wat minder belangrijke rechtsgoederen aan dan een fabrikant die zijn personeel uitbuit.[1] 

Hugo de Groot meende dat als iemand een zonde begaat om aan extreme armoede te ontsnappen, dit een van de meest begrijpelijke, verontschuldigbare zonden is.[2] Thomas van Aquino betoogde zelfs dat stelen door iemand in nood niet met recht ‘stelen’ genoemd kan worden, omdat de noodsituatie het eigendom gemeenschappelijk maakt.[3] 

Ook al zijn we inmiddels wat eeuwen verder, het basisprincipe dat mensen in een kwetsbare sociaaleconomische positie milder, of toch in elk geval niet harder, moeten worden aangepakt door het strafrecht dan welgestelde mensen komt velen nog steeds als heel logisch en rechtvaardig voor. Vaak wordt aangenomen dat hier in het strafrecht al rekening mee wordt gehouden, bijvoorbeeld door verdachten met een ‘moeilijke jeugd’ lichter te straffen.

Gelijk zijn voor de wet is niet genoeg

Toch blijkt dat het strafrechtelijk systeem in ons land mensen aan de ‘onderkant’ van de samenleving op allerhande manieren veel harder raakt dan mensen aan de ‘bovenkant’. Zo bestaan in veel Nederlandse gemeenten buitenslaapverboden en algemene bedelverboden. Daarvoor worden jaarlijks enkele duizenden mensen op de bon geslingerd, met boetes van € 110 voor bedelen en € 170 voor buitenslapen. 

Omdat we allemaal gelijk zijn voor de wet, gelden die verboden ook voor u en mij. Maar, zoals Anatole France in 1894 al naar voren bracht, als zowel armen als rijken niet onder een brug mogen slapen voel je aan je water dat zo’n algemene regel onderaan de streep misschien toch niet helemaal eerlijk uitpakt.[4] Ook worden regelmatig boetes uitgedeeld aan dakloze mensen voor gedragingen zoals wildplassen, een activiteit waar iemand met een woning zich natuurlijk veel minder snel aan schuldig maakt dan iemand die dakloos is. 

Hoewel in sommige plaatsen buitenslaap- en bedelverboden de afgelopen tijd zijn afgeschaft, is het totaal aantal opgelegde buitenslaapboetes in Nederland in 2025 gestegen.[5] Steeds vaker rijst de vraag of dergelijke praktijken mensenrechtelijk wel door de beugel kunnen: een algehele strafbaarstelling van bedelen mag niet van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, en ik verwacht dat het Hof hetzelfde zal oordelen over buitenslaapverboden.[6]

Het Europees Comité voor Sociale Rechten concludeerde in 2025 in de zaak van Feantsa en FIDH tegen Frankrijk dat bedel- en buitenslaapverboden en andere strafbaarstellingen die zien op het gedrag van dakloze mensen in de publieke ruimte, in strijd zijn met het recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting en dat dit soort wetgeving mensen discrimineert die zich in een kwetsbare sociaaleconomische positie bevinden.[7]

Bovendien raken ook boetes voor andere delicten, zoals verkeersovertredingen, mensen met weinig financiële middelen bijzonder hard. In Nederland kan bij de hoogte van strafrechtelijke boetes wel rekening worden gehouden met iemands draagkracht – al gebeurt dat lang niet altijd – maar verkeersboetes zijn voor iedereen even hoog. Deze boetes zijn bovendien gaandeweg enorm gestegen met als doel om de staatskas te spekken. 

Als iemand niet (op tijd) betaalt lopen de bedragen enorm op, en dat draagt eraan bij dat veel huishoudens problematische schulden hebben.[8] Inmiddels worden mensen niet meer gegijzeld bij niet-betaling van een verkeersboete, maar tussen 1998-2018 zijn in bijna 94.000 gevallen mensen gegijzeld wegens het niet betalen van een verkeersboete.[9] Bij strafrechtelijke boetes krijgen mensen wél nog steeds te maken met vervangende hechtenis dan wel gijzeling.

Daarnaast worden verdachten in achtergestelde sociaaleconomische posities op allerlei manieren harder geraakt door de strafrechtsketen heen (zie ook het artikel van Jair Schalkwijk en Dionne Abdoelhafiezkhan in deze S&D). Ze worden vaker door de politie als verdachte geregistreerd (in verhouding tot de zelfgerapporteerde criminaliteit)[10] en vaker vervolgd voor dezelfde delicten, ook wanneer gecontroleerd wordt voor allerlei factoren zoals leeftijd en antecedenten.[11] Ook krijgen mensen zonder werk, mensen met problematische schulden en dakloze mensen sneller te maken met zwaardere strafsoorten zoals vrijheidsstraffen.[12] Recent onderzoek laat zien dat verdachten met een ‘lagere’ sociaaleconomische status nadeliger worden behandeld in het strafrecht – zij krijgen onder meer zwaardere straffen – en dat er sprake lijkt te zijn van een structureel patroon.[13] 

Verdachten die ‘hoger’ op de maatschappelijke ladder staan, krijgen vaker een straf(beschikking) opgelegd door het Openbaar Ministerie dan door de rechter en krijgen gemiddeld een lichter sanctiepakket, waaronder minder vaak een gevangenisstraf.

Het argument dat een nette student ‘meer te verliezen heeft’ van een straf, blijkt soms nog steeds van stal te worden gehaald, zo bleek in 2024 uit onderzoek van Investico, de Groene Amsterdammer en NOS: verdachten die hbo- of universitair opgeleid zijn, worden relatief minder vaak vervolgd, minder vaak schuldig worden gevonden en krijgen minder vaak een gevangenisstraf opgelegd dan anderen.[14]

Achter dit soort cijfers gaan verschillende mechanismen schuil: het kan gaan om bewuste processen, zoals profileren op zogenaamde ‘klasse-kenmerken’ bij controles op straat.[15] Soms zal het voortkomen uit onbewuste processen, zoals wanneer een beslisser iemand die op hem lijkt als meer betrouwbaar inschat. 

Recent onderzoek laat zien dat sociaaleconomische selectiviteit in het strafrecht onder meer kan ontstaan door het bieden van maatwerk onder hoge tijdsdruk, waardoor beslissers onbewust terugvallen op aannames.[16] Ook speelt mee dat er een beperkte aansluiting is tussen verdachten en (professionals in het) het systeem, bijvoorbeeld door verschillen in taal, gedrag en leefwereld. Bovendien blijkt dat ongelijke behandeling in de hand wordt gewerkt doordat beslissers geneigd zijn lichtere, voorwaardelijke of alternatieve sancties op te leggen bij verdachten met sterkere maatschappelijke bindingen. 

Zo zien we dat ongelijkheidskwesties in de maatschappij als zodanig, zoals in de zorg en het onderwijs, doorwerken in het strafrecht – zeker bij jeugdigen: een kind met een moeilijke thuissituatie die op een wachtlijst staat voor hulp, zal sneller in voorlopige hechtenis worden gehouden dan een kind met een stevig vangnet.[17] Daarmee kan een zelfversterkend effect ontstaan. 

Bovendien zijn er allerlei neutraal geformuleerde regels en processen die op zichzelf niet bedoeld zijn om sociale ongelijkheid te vergroten, maar die wel dat effect hebben. Denk aan het feit dat taakstraffen minder snel in beeld komen als iemand niet bereikbaar is op een vaste verblijfplaats of bij bepaalde verslavings- of psychische problematiek. Het effect is dat als iemand ook niet zo makkelijk een geldboete kan betalen, een vrijheidsstraf overblijft.[18] 

Ook is het vrij gangbaar om sociaaleconomische factoren – zoals het al dan niet hebben van een stabiele woonsituatie of inkomen – mee te wegen in risicotaxatie-instrumenten. Mensen met een kwetsbare inkomens- of woonsituatie worden sneller gezien als ‘risicovol’, wat kan leiden tot het gemakkelijker toepassen van voorarrest en tot zwaardere straffen. 

De Inspectie Justitie & Veiligheid concludeerde onlangs nog dat het gebruik van het algoritme van OXREC door de reclassering, waardoor iemands ‘buurtscore’ en de hoogte van het inkomen worden meegewogen, mogelijk indirect kan leiden tot discriminatie van personen met een migratieachtergrond.[19] Dat sociaaleconomische factoren direct een rol spelen wordt echter veelal niet als zodanig geproblematiseerd.[20]

Rigide sociale zekerheids- en belastingwetgeving

Tot slot worden mensen aan de ‘onderkant’ van de samenleving harder geraakt door sociale zekerheids- en belastingwetgeving die rigide en zelfs onmenselijk kan uitpakken. Sinds het toeslagenschandaal is dit besef bij de meeste mensen wel doorgedrongen.[21] Strenge regels in verband met zogenaamd misbruik van de sociale zekerheid raken mensen met een kwetsbare sociaaleconomische positie relatief hard, onder meer omdat zij het meest afhankelijk zijn van uitkeringen.[22] Die harde aanpak is er gekomen door de morele paniek in media, politiek en samenleving over mogelijke fraude met toeslagen en uitkeringen, zonder dat is aangetoond dat dit daadwerkelijk een groot probleem is.[23] 

Die morele paniek heeft veel te maken met stereotype ideeën die leven over mensen met een uitkering, zeker als ze een migratieachtergrond hebben. In de handhaving van sociale zekerheidswetgeving is bovendien gefocust op wijken waar relatief veel mensen uit achtergestelde groepen wonen. Door alle aandacht hiervoor zijn er recentelijk wel stappen gezet, zoals wetsvoorstellen om de regels minder rigide te maken.[24]

Met deze schets heb ik geprobeerd te laten zien dat het strafrechtelijk systeem (en, in het laatste voorbeeld, het bestraffend bestuursrecht) mensen in sociaaleconomisch kwetsbare posities op allerlei manieren relatief veel harder raakt dan anderen. Selectiviteit in de strafrechtspleging maakt juridisch gezien nog niet zomaar dat er sprake is van verboden discriminatie: de drempel daarvoor is vrij hoog, zeker als het gaat om beslissingen zoals over vervolging en bestraffing, waarin het Openbaar Ministerie en de rechter veel vrijheid hebben. Bovendien wordt het maken van onderscheid op sociaaleconomische gronden nog vaak als minder controversieel gezien en sneller gerechtvaardigd dan onderscheid op grond van bijvoorbeeld nationaliteit of herkomst. Dat maakt het lastig om structurele sociale ongelijkheid in het strafrecht tegen te gaan.

Tegelijkertijd zien we dat sociaaleconomische selectiviteit in het strafrecht sterk gerelateerd is aan selectiviteit naar herkomst (zoals etnisch profileren).[25] Onder de groepen mensen die sociaaleconomisch gedepriveerd zijn vallen immers in verhouding veel mensen met een migratieachtergrond. Door aspecten zoals iemands inkomen, woonsituatie of woonwijk mee te nemen in strafrechtelijke beslissingen, kan er dus indirect onderscheid naar herkomst ontstaan.[26] We hebben dan te maken met meervoudige of intersectionele discriminatie, waarbij ook nog andere factoren een rol kunnen spelen, zoals gezondheidsproblematiek.

Sociaaleconomische positie maakt groot verschil

Dat we in het strafrecht bijna nooit onderscheid naar herkomst mogen maken (denk aan het verbod van etnisch profileren), wordt gelukkig steeds breder erkend – wat helaas nog lang niet wil zeggen dat het probleem is opgelost. Maar het maken van onderscheid op grond van sociaaleconomische status is nog veel minder controversieel; sociaaleconomische selectiviteit is dan ook een structureel probleem in de strafrechtsketen, zo liet recent onderzoek zien.[27] Dat zulke verschillen lange tijd voor vanzelfsprekend zijn aangenomen, heeft ook te maken met stereotypen en vooroordelen, zoals het idee dat armoede wel je eigen schuld zal zijn.[28] 

Het beeld dat armoede het resultaat is van je eigen falen, miskent niet alleen de belangrijke rol van maatschappelijke factoren, maar miskent ook wetenschappelijke inzichten die laten zien hoe ongunstige sociale omstandigheden op allerlei manieren inwerken op mensen. Financiële stress doet iets met je brein, waardoor het moeilijker wordt om weer uit armoede te komen.[29]

Dat er in Nederland sprake is van ‘oververtegenwoordiging’ van mensen aan de onderkant van de samenleving in het strafrechtelijk systeem, en dat de manier waarop het strafrecht werkt daaraan bijdraagt, is niet nieuw. Criminoloog en rechtswetenschapper Louk Hulsman schreef in 1979: ‘In de gevangenissen treffen wij overwegend mannen en jongens aan die tot de zwakste groepen van de samenleving behoren.’[30] Hij concludeerde zelfs dat dit soort ongewenste selectiviteit inherent is aan het strafrecht, één van de redenen waarom hij het strafrecht bekritiseerde.[31] En ook strafrechtwetenschapper en victimoloog Marc Groenhuijsen wees er in zijn afscheidsrede in 2021 op dat mensen voor kleine vergrijpen relatief zoveel harder worden aangepakt dan de ‘grote schurken met witte boorden’.[32] 

Een van de redenen dat sociaaleconomische selectiviteit in het strafrecht problematisch is, is dat het zorgt voor een vicieuze cirkel. Een gevangenisstraf of een boete maakt dat mensen nog minder makkelijk kunnen ontsnappen uit armoede of hun leven weer kunnen opbouwen en dat ze een stigma aan zich hebben plakken. 

Iemand die een boete niet betaalt, kan uiteindelijk ook vast komen te zitten. Niet-betaalde boetes blijven je achtervolgen als je eenmaal je leven weer op de rit hebt. Een strafrechtelijk verleden maakt het ook moeilijker om daarna weer een baan te krijgen. Zo belanden mensen makkelijk weer in de criminaliteit. 

Er kan dus een vicieuze cirkel ontstaan waarin een kwetsbare sociaaleconomische positie leidt tot meer en hardere inzet van het strafrecht, die sociaaleconomische problemen dan weer vaak verergert en niet oplost.[33] Sociaaleconomische ongelijkheid brengt bovendien risico’s met zich mee voor het vertrouwen in ons strafrechtelijk systeem, zeker onder de groepen die daarin het onderspit delven.

We neigen deze problematiek misschien weg te redeneren door oververtegenwoordiging in het strafrecht van groepen mensen met een kwetsbare sociaaleconomische positie te zien als een logisch gevolg van sociale ongelijkheid op allerlei andere maatschappelijke vlakken. Daarom is het belangrijk te benadrukken dat het niet enkel gaat om oververtegenwoordiging, maar dat het strafrechtelijk systeem mensen in kwetsbare sociaaleconomische posities disproportioneel raakt en dat dit effect zich versterkt door de strafrechtsketen heen. 

Ik betoog dan ook dat sociaaleconomische ongelijkheid in het strafrecht een systemisch probleem is, waar het strafrecht niet aan voorbij kan gaan. Het is een probleem omdat het indirect tot ongelijkheid op grond van herkomst, en dus tot racisme, leidt. Maar het is ook een probleem op zichzelf. Hoe kunnen we het systeem veranderen om sociale en daarmee samenhangende raciale ongelijkheid in het strafrecht aan te pakken? 

Zogenaamd neutrale regels

Dat de strafwet algemene regels bevat die in principe voor iedereen gelijkelijk gelden, arm of rijk, is essentieel in een rechtsstaat. Maar de toepassing van ogenschijnlijk neutrale en objectieve criteria kan onevenredig uitpakken voor bepaalde groepen, ook omdat die zogenaamd neutrale regels vaak voor en door dominante groepen gemaakt worden. 

Zo kunnen strafbare overtredingen op lokaal niveau de openbare orde beschermen op een manier die groepen mensen uitsluit die niet aan de dominante burgerlijke norm voldoen – en vaak kúnnen ze daar niet goed aan voldoen, mede doordat hun bestaanszekerheid op de tocht is komen te staan. Denk aan arbeidsmigranten die met hun baan vaak ook meteen hun woning verliezen en die geen opvang krijgen, ook als ze daar wel recht op hebben. Wanneer met het strafbaar stellen van gedrag vooral sociaaleconomisch kwetsbare groepen worden geraakt en dus het risico bestaat dat ongewenste selectiviteit van het strafrecht daarmee wordt uitvergroot, is dat een reden om extra voorzichtig met strafbaarstelling te zijn.

Een wetsbepaling die het mogelijk maakt om juist in helpende zin rekening te houden met iemands sociaaleconomische status is het draagkrachtbeginsel: in artikel 24 van het Wetboek van Strafrecht staat dat bij de vaststelling van een geldboete rekening wordt gehouden met de draagkracht van de verdachte – dat kan door zowel bijstelling naar beneden bij minder draagkrachtige verdachten, als naar boven bij verdachten met een gunstige financiële positie In de praktijk blijkt echter dat er grote verschillen zijn in de manier waarop het draagkrachtbeginsel wordt toegepast, dat iemands draagkracht lang niet altijd wordt onderzocht wanneer een geldboete wordt opgelegd, en dat een boete lang niet altijd wordt gematigd - en haast nooit verhoogd vanwege bovengemiddelde draagkracht.[34] Bovendien wordt het draagkrachtbeginsel niet toegepast op verkeersboetes onder de Wet Mulder. 

Financiële situatie meewegen

Zo’n twintig Europese landen kennen een ‘dagboetestelsel’, waarbij de financiële situatie van de verdachte standaard de hoogte van de boete bepaalt: eerst wordt het aantal boete-eenheden of ‘dagen’ bepaald en dat wordt vermenigvuldigd met een draagkrachtfactor. Op die manier kunnen ongelijke sociaaleconomische posities veel systematischer worden meegewogen. Ook in bredere zin zou de sociaaleconomische positie van verdachten in strafrechtelijk beleid vaker meegewogen kunnen worden – en dan niet als risicofactor, maar juist als kwetsbaarheid. 

Handhaving van delicten gepleegd door sociaaleconomisch kwetsbare groepen die geen zware rechtsbelangen schenden, zoals kleine diefstallen, zou bovendien vaker kunnen worden overgeheveld naar alternatieve kaders dan het strafrecht. Veel zaken die de strafrechter voor zich krijgt hadden eigenlijk beter in een zorgkader thuisgehoord, maar de grote tekorten in de zorg maken dat helaas nogal ingewikkeld. Als ze voor de strafrechter komen, dan zal die toch een beslissing moeten nemen. Dan komt het bij kwetsbare groepen (zoals mensen met een verslaving) toch regelmatig op vrijheidsbeneming uit.[35] 

Stereotypen over mensen in armoede

Om sociaaleconomische ongelijkheid in het strafrecht tegen te gaan, is het bovendien van belang om aandacht te hebben voor bewustwording van vooroordelen en van historisch gegroeide mensbeelden over mensen in armoede. Al eeuwenlang zijn mensen in armoede – zoals bedelaars en ‘landlopers’ – met strafrechtelijke dan wel andersoortige dwangmaatregelen bejegend en als ‘onmaatschappelijk’ beschouwd.[36] 

Strafrechtdenker Willem Pompe schreef in 1932 over het toen geldende algemene bedelverbod, als onderdeel van de ‘trias vagabundica’ (bedelarij, landloperij en souteneurschap): ‘De diepste grond der strafbepaling tegen bedelaars (en landlopers) lijkt mij de afkeer, die de gezeten burgers voelen voor de armen.’[37] Tegenwoordig hebben we het ook wel over aporofobie: een afkeer van mensen die arm zijn.[38] Bij sommige groepen wordt dat nog eens verergerd door racisme en vreemdelingenhaat, zoals bij ongedocumenteerde personen en mensen uit Romagemeenschappen.

Stereotypen over mensen in armoede zijn nog steeds wijdverbreid en zorgen er mede voor dat mensen uit de publieke ruimte worden geweerd met strafmaatregelen. Het gaat bovendien veelal om mensen die nogal onzichtbaar zijn in het maatschappelijke, politieke en strafrechtelijke debat, waardoor hun directe beleving niet wordt meegenomen door beslissers en beleidsmakers. 

Conclusie

Samengevat: sociaaleconomische scheidslijnen zijn alomtegenwoordig in de maatschappij, niet alleen in het strafrecht. Maar het strafrechtelijk systeem mag zich er niet simpelweg bij neerleggen dat het deze ongelijkheden in stand houdt en zelfs vergroot.

Het wordt tijd dat we onze strafwetgeving en strafrechtelijk beleid eens goed tegen het licht houden, zeker met de vastlopende strafrechtsketen – denk aan ‘code zwart’ in de gevangenissen – die onze samenleving veel kost. Wanneer is het strafrecht daadwerkelijk nodig en wat is strafwaardig gedrag? 

Duidelijk is dat buitenslaapverboden als eerste in aanmerking komen voor schrapping. Bedelverboden dienen tenminste beperkt te worden tot agressief bedelen. Ook in bredere zin moeten dakloze mensen niet langer door het strafrecht worden geraakt voor life-sustaining activities in de publieke ruimte.

Ook andere strafbaarstellingen – zoals het (gelukkig – maar om cynische redenen – niet aangenomen) verbod van illegaal verblijf – raken vooral sociaaleconomisch kwetsbare groepen bijzonder hard. Het wordt daarom tijd om het Wetboek van Strafrecht, evenals bijzondere en lokale strafwetgeving, kritisch tegen het licht te houden om te bezien welke onderdelen sociale ongelijkheid kunnen versterken en welke rechtsbelangen het echt nodig hebben te worden beschermd. Dit geldt ook voor punitief bestuursrecht, zoals bepalingen over ‘misbruik’ van sociale zekerheid. Bij het ontwerpen en evalueren van strafwetgeving en -beleid dient ervaringsdeskundigheid van mensen ‘aan de onderkant van de samenleving’ te worden meegenomen.

Daarnaast is het aan te bevelen dat gebrekkige sociaaleconomische draagkracht in matigende zin wordt meegewogen bij sanctionering, onder meer door een dagboetestelsel in te voeren voor financiële sancties. Bovendien zou de handhaving van het strafrecht minder moeten focussen op kleine (vermogens)criminaliteit door sociaaleconomisch kwetsbare groepen; het OM zou bij vervolgingsbeslissingen rekening kunnen houden met de wijze waarop de inzet van het strafrecht iemands sociaaleconomische positie kan verergeren en overwegen welke alternatieve mogelijkheden er zijn.

Tot slot pleit ik ervoor te zorgen dat de strafrechtsketen regelmatig wordt doorgelicht op mogelijke ongelijkheid en discriminatie. Daarbij is het onder meer zaak om zeer kritisch te zijn op het gebruik van sociaaleconomische factoren als risicofactor, wanneer dat ertoe bijdraagt dat mensen zwaarder worden aangepakt. 

Deze tekst is een verkorte versie van de oratie ‘Strafrecht en sociale ongelijkheid’ die Marloes van Noorloos op 10 april 2026 aan de Universiteit Leiden uitsprak en die gepubliceerd zal worden bij Boom Juridische Uitgevers (2026).

Noten

[1] Clara Wichmann (2022). Het recht tot straffen hebben we niet. Essays over misdaad en vergelding, ingeleid en hertaald door M. Kerkwijk, Isvw Uitgevers; M. van Noorloos (2025). Vrouw en rechtsstaat #12: Clara Wichmann: ‘verdedigster der menselijkheid’ in het strafrecht en de samenleving’, Blog nederlandrechtsstaat.nl, 27 maart 2025.
[2] Hugo Grotius (2005). The rights of war and peace Book 1, 1625, edited and with an introduction by Richard Tuck, 2005, Indianapolis, Ind. Liberty Fund, book 2, ch. XX: ‘Of punishments’. 
[3] Theologische summa van den H. Thomas van Aquino, 1265, Latijnsche en Nederlandse tekst uitgegeven door een groep Dominicanen, XV. Over de rechtvaardigheid. I. (II. II, Q. 57-66.) Kw. 66 A. 7, p. 250. 
[4] Anatole France, Le lys rouge, 1894.
[5] M. van Rooy (2026). Opnieuw meer boetes voor slapende dakloze mensen. Stop de boetes voor bestaan.
[6] M. van Noorloos en J. de Vries (2026). Het criminaliseren van bedelen en buitenslapen in Nederland. In: M. Schrooten, P. Debruyne & H. Deleu, Zichtbaar onzichtbaar. Bedelen in onze samenlevingOwl Press, p. 95-110.
[7] Europees Comité voor Sociale Rechten (2025). European Federation of National Organisations working with the Homeless (FEANTSA) en International Federation for Human Rights (FIDH). Frankrijk, 15 oktober 2025 (publicatie 5 maart 2026), no. 224/2023.
[8] M. van Rooy (2024). De Boetefabriek. Van Gennep. 
[9] Aanhangsel Handelingen II, 2023-24, nr. 1825.
[10] W. Bezemer & A. Leerkes (2021). Oververtegenwoordiging verder ontcijferd. Een kwantitatief onderzoek naar sociale verschillen in verdenkingskans en zelfgerapporteerd crimineel gedrag onder jongeren in Nederland. Politie en Wetenschap 123, Den Haag: Sdu Uitgevers.
[11] P.W. de Jong, A. Leerkes & D. Shchetinin (2025). Van verdenking tot vrijheidsstraf Een statistisch onderzoek naar de invloed van migratieachtergrond op uitkomsten in de Nederlandse strafrechtketen. Den Haag: WODC.
[12] S.G.C. van Wingerden, M. Moerings & J.A. van Wilsem (2011). Recidiverisico en straftoemeting. Raad voor de Rechtspraak Research Memoranda nr. 3; R.M. Koenraadt & P.M. Schuyt (2024). Schulden en boetes: inzicht in de financiële situatie en strafoplegging van veroordeelde personen in Nederland. In: Tijdschrift voor Criminologie 2024 nr. 1, p. 3-24; D.G. Kannegieter (1994). Ongelijkheid in de straftoemeting. Groningen: Wolters Noordhoff.
[13] P.W. de Jong en A.S. Leerkes, Vinkjes in het strafrecht? Een kwantitatieve analyse van sociaaleconomische positie en verschillen in afdoeningsuitkomsten, 2026, Den Haag: WODC; zie ook M. van Noorloos en M. Samadi, Verdachte gronden. Een juridisch onderzoek naar selectiviteit op grond van sociaaleconomische positie en herkomst in de strafrechtspleging, 2026, Den Haag: WODC.
[14] R. van der Burgh, B. Heilbron en A. Kootstra (2024). Klassenjustitie in Nederland. Investico, de Groene Amsterdammer en NOS op 3.
[15] S. Çankaya (2012). De controle van marsmannetjes en ander schorriemorrie. Boom Lemma; W. Landman & L. Kleijer-Kool (2016). Boeven vangen. Een onderzoek naar proactief politieoptreden. Politie en Wetenschap/Twynstra Gudde. 
[16] P.W. de Jong, V. Wozniak-Cole en A.S. Leerkes, Scherp op selectiviteit. Mechanismen en handelingsperspectieven bij etnische en sociaaleconomische selectiviteit in het strafrechtsysteem, 2026, WODC.
[17] Y. van den Brink & C. Lanskey (2024). ‘Waar komen ongelijkheden in het jeugdstrafrecht vandaan? Over invloedssferen van jeugdstrafrechtelijke besluitvorming, mechanismen van ongelijkheid en de noodzaak van onderzoek en hervorming’. Boom Strafblad2024, nr. 3, p. 152-165.
[18] A. Smit & A. Terlouw (2024). ‘Discrimineren strafrechters? Helpt de robotrechter?’. Nederlands Juristenblad 2024, 99, 37, pp. 3066-3072; M. Boone, P. Nieuwbeerta, S. Rap, P. Schuyt & T. Liefaard (2021). Vervangende taakstraf bij het niet betalen van een geldboete. Den Haag: WODC. 
[19] Inspectie Justitie en Veiligheid (2026). Risicovol algoritmegebruik. Onderzoek naar gebruik van algoritmes bij de reclassering. Inspectie Justitie en Veiligheid.
[20] G. van Eijk (2017). Socioeconomic marginality in sentencing: The built-in bias in risk assessment tools and the reproduction of social inequality. Punishment & Society 2017, nr. 4, p. 463-481.
[21] Tweede Kamer - Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag, Ongekend Onrecht, 2020; Eerste Kamer - Parlementaire onderzoekscommissie effectiviteit antidiscriminatiewetgeving, Gelijk recht doen: Een parlementair onderzoek naar de mogelijkheden van de wetgever om discriminatie tegen te gaan. Deelrapport Sociale Zekerheid, 2022; Tweede Kamer - Parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening, Blind voor mens en recht, 2024.
[22] Zie G.J. Vonk (2014). Repressieve verzorgingsstaat. Nederlands Juristenblad 2014, nr. 2, p. 95-102. 
[23] W. van Atteveldt, W. Roozendaal, N. Ruigrok, K. de Vries, M. van der Velden, M. Busuioc en P. Guldemond (2024). Tussen Ambitie en Uitvoering. Een contextanalyse van de dynamiek tussen media, politiek en beleid bij de totstandkoming en uitvoering van dertig jaar sociale zekerheid. Amsterdam: VU.
[24] Brief Minister SZW (12 juli 2022). Aanpak geldzorgen, armoede en schulden; Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid, 36.785; Wetsvoorstel Participatiewet in balans, 36.582.
[25] De Jong, Leerkes & Shchetinin 2025.
[26] De Jong, Leerkes & Shchetinin 2025.
[27] De Jong & Leerkes 2026.
[28] T. ’s Jongers (2024). Armoede uitgelegd aan mensen met geld. De Correspondent; S. Ganty, ‘Poverty as misrecognition’ (2021). Human Rights Law Review, p. 962—1007.
[29] F. van der Heijden, N. Ali, M.I. van den Heuvel, W. De Baene & M. Sitskoorn (2026). The interplay between poverty and the human brain connectome across the lifespan: A systematic review. Neuroscience and Biobehavioral Reviews, 181, nr. 106532.
[30] L. Hulsman (1979). Een abolitionistisch (afschaffend) perspectief op het strafrechtelijk systeem. In: Problematiek van de strafrechtspraak, Baarn: Bosch & Keuning 1979, 50-74, geraadpleegd in: R. van Swaaningen en J.R. Blad (red.), De ontmaskering van het strafrechtelijk discours. Een bloemlezing uit het werk van Louk Hulsman, 2011, Boom Lemma. 
[31] Hulsman 1979.
[32] M.S. Groenhuijsen (2021). Strafrecht als spiegel van beschaving (Afscheidsrede Tilburg), p. 17.
[33] R.M. Koenraadt en E.G. van ’t Zand (2024). Van schulden naar straf en terug: een verkenning van de vicieuze cirkel van financiële problemen, criminaliteit en bestraffing, bezien vanuit verschillende fasen van het strafproces. Boom Strafblad 2024, nr. 3, p. 129-136; L. Wacquant (2009). Punishing the poor, Duke University Press. 
[34] O. Nauta & B. de Wilde (2020). Toepassing draagkrachtbeginsel bij geldboetes. Den Haag: WODC. 
[35] Smit & Terlouw 2024.
[36] Zie hierover W.H. Nagel (1977). Het werkschuwe tuig; C. Kelk (2018). Van bedelaars, landlopers en stadszwervers. In: C. Kelk. De kunst van een humaan strafrecht. Boom Juridisch; Koenraadt 2014.
[37] W.P.J. Pompe (1932). Bedelarij. De Gemeenschap (vol. 8), p. 117-127. 
[38] Adela Cortina (1996). El quehacer ético. Guía para la educación moral. Santillana.

Dossiers

Voor een thematisch overzicht van al onze artikelen en publicaties, zie onze dossiers

Steun de Wiardi Beckman Stichting

Veel van onze onderzoeksprojecten en publieke bijeenkomsten zijn mogelijk gemaakt door giften van donateurs. Ook S&D zouden wij niet kunnen maken zonder donaties.