Institutioneel racisme in de strafrechtketen en straffeloosheid na politiegeweld zijn prangende problemen die zich ook in Nederland voordoen. De regering en de Tweede Kamer laten de vele adviezen links liggen, waardoor deze problemen blijven bestaan en zich herhalen.
Jair Schalkwijk & Dionne Abdoelhafiezkhan. Beiden zijn werkzaam bij Controle Alt Delete. Jair Schalkwijk doet promotieonderzoek aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam.
Na de moord op George Floyd op 25 mei 2020 en de daaropvolgende protesten kwam er wereldwijd veel meer aandacht voor institutioneel racisme en politiegeweld.[1] In de nasleep van deze moord richtte de mensenrechtenraad van de Verenigde Naties een onafhankelijk internationaal Expert Mechanism op.[2] Dit Expert Mechanism publiceerde onder andere een rapport over institutioneel racisme in het strafrechtsysteem[3] en een rapport over politiegeweld.[4] Volgens het Expert Mechanism is institutioneel racisme in het strafrechtsysteem ‘diepgeworteld en wordt het in elke fase versterkt, van het eerste politiecontact tot procedures na veroordeling’.
In het eerste rapport constateert het Expert Mechanism dat er sprake is van ‘wijdverbreid etnisch profileren, discriminerende praktijken van openbaar ministeries, ongelijke toegang tot waarborgen voor een eerlijk proces en zwaardere straffen voor mensen van Afrikaanse afkomst’. Met betrekking tot politiegeweld concludeert het Expert Mechanism dat er sprake is van ‘brede straffeloosheid voor buitensporig geweldgebruik en andere mensenrechtenschendingen tegen Afrikanen en mensen van Afrikaanse afkomst door wetshandhavingsfunctionarissen’. In deze bijdrage bespreken wij de vraag in welke mate de bevindingen van het Expert Mechanism relevant zijn voor Nederland.
Institutioneel racisme in de strafrechtketen
Institutioneel racisme manifesteert zich niet op één moment, maar kan zich opstapelen gedurende verschillende fases van de strafrechtketen. Hieronder bespreken we drie fases van de strafrechtketen: de controle, de verdenking en de veroordeling. Voordat we dat doen, lichten we eerst toe hoe we het begrip institutioneel racisme gebruiken.
Volgens de definitie van het Expert Mechanism is er sprake van institutioneel racisme als processen, het beleid en de (geschreven en ongeschreven) regels van instituten leiden tot structurele ongelijkheid tussen mensen met verschillende achtergrond, huidskleur of religie. Bij deze definitie, die ook door de Nederlandse overheid gebruikt wordt, draait het om de vraag of regels of processen expliciet onderscheid maken en de bedoeling hebben om ongelijkheid te creëren, en om regels of processen die niet expliciet onderscheid maken tussen groepen, maar in de praktijk wel ervoor zorgen dat de ene groep benadeeld wordt en de andere groep bevoordeeld.
Om te beoordelen of er sprake is van dat laatste (geen expliciet onderscheid maar zorgt wel voor onderscheid) moeten we dus kijken naar de uitkomst van die processen. Laten we het gelijk toepassen. De gevangenispopulatie in Nederland bestaat voor 68% uit personen met een migratieachtergrond. Personen met een migratieachtergrond zijn daarmee oververtegenwoordigd in Nederlandse gevangenissen ten opzichte van hun aandeel in de bevolking: 28% van de bevolking heeft een migratieachtergrond.
Mensen met een migratieachtergrond zitten in Nederland dus 2,5 keer vaker in de gevangenis dan je zou verwachten op basis van hun aandeel in de bevolking. Crimineel gedrag wordt niet veroorzaakt door iemands migratieachtergrond. Hier is dus sprake van een structurele ongelijkheid op basis van afkomst, en daarom duiden we dit als institutioneel racisme.
Hier kun je tegen inbrengen dat mensen met een migratieachtergrond zich vaker bevinden in een sociaal-economisch kwetsbare positie. Wellicht zijn zij daarom oververtegenwoordigd. Het argument is dan: de oververtegenwoordiging in de gevangenissen hangt niet samen met ‘ras’ maar met klasse. Daarom zouden de cijfers over de gevangenispopulatie gecorrigeerd moeten worden voor sociaal-economische status (SES).
Dat is onjuist. Een SES-correctie is niet bedoeld om te corrigeren, maar om te onderzoeken wat de oorzaak is van het gevonden verschil. Als het gevonden verschil verdwijnt na de correctie, dan is er sprake van indirect onderscheid via sociaal-economische achterstelling. Mensen met een migratieachtergrond kampen inderdaad vaker (zowel absoluut als relatief) met (langdurige) armoede en hebben vaker een sociaal-economisch kwetsbare positie.
Dat gegeven hangt echter ook weer samen met discriminatie: uit onderzoek van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme blijkt dat er sprake is van cumulatieve discriminatie in Nederland in het onderwijs, de arbeidsmarkt en de zorg.[5] Dat heeft directe invloed op iemands sociaal-economische positie. Als het gevonden verschil niet of niet helemaal verdwijnt, dan wijst dat op direct onderscheid.
De controle
De strafrechtketen begint bij controles door wetshandhavers. Voertuigcontroles door de politie zijn daarbij wellicht de meest gebruikte en meest laagdrempelige politiebevoegdheid. De Nederlandse politie mag elk voertuig zonder verdenking staande houden voor een verkeerscontrole. De bestuurder is dan verplicht een rijbewijs te tonen. Passagiers kunnen worden gevraagd zich te identificeren en de politie mag ook zonder een formele verdenking vragen (niet vorderen) om de auto te doorzoeken.
Hiermee beschikt de Nederlandse politie over ruimere bevoegdheden dan politiediensten in het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten, waar voertuigcontroles wettelijk beperkt zijn door een vereiste van redelijke verdenking.[6] In Engeland mag de politie zelfs niet iets vragen als ze het niet mogen vorderen.
Nederlandse politieagenten worden getraind om de verkeerscontroles in te zetten voor drugsbestrijding en de aanpak van georganiseerde criminaliteit. De hoogste rechter in Nederland heeft het gebruik van deze bevoegdheid voor dergelijke doeleinden goedgekeurd, hoewel verkeerscontroles oorspronkelijk bedoeld zijn ter bevordering van de verkeersveiligheid.
Ook de Koninklijke Marechaussee (KMar) voert controles uit. Het is niet toegestaan een permanente grenscontrole uit te voeren voor personen die vanuit Schengenlanden naar Nederland komen. In dat geval maakt de KMar selectiebeslissingen, waarbij met risicoprofielen gewerkt kan worden.
In 2018 werd toenmalig raadslid, inmiddels Kamerlid, Mpanzu Bamenga gecontroleerd toen hij vanuit Rome naar Eindhoven vloog. Hij werd uit de rij gepikt omdat hij voldeed aan het risicoprofiel van de Nigeriaanse geldsmokkelaar. Dat profiel was: snellopend, goed gekleed, en een ‘niet-Nederlands uiterlijk’. Dat laatste is een kenmerk gebaseerd op ‘ras’. Na Kamervragen hierover namen de ministers van Defensie en Justitie en Veiligheid het standpunt in dat ‘ras’ een onderdeel mag zijn van een selectiebeslissing, zolang het niet het enige kenmerk is.
Controle Alt Delete, Amnesty, RADAR, PILP, Mpanzu Bamenga en een andere burger startten hierop een rechtszaak tegen de KMar. Het gerechtshof Den Haag verbood uiteindelijk de werkwijze van de KMar: ‘ras’ mag geen onderdeel zijn van een risicoprofiel, ook niet als het ‘slechts’ een van de criteria is.[7] Tot het moment dat de rechter het verbood in 2023, werkte de KMar dus met risicoprofielen die ‘ras’ bevatten.
Het gebruik van ‘ras’ in risicoprofielen is een belangrijke oorzaak van etnisch profileren. De politie maakte in 2017 al beleid waarin staat dat ‘ras’ geen rol meer mag spelen bij selectiebeslissingen. De implementatie van dit beleid blijft echter achter. Bijna de helft van de agenten was in 2025 niet bekend met het beleid.[8] En leidinggevenden hebben geen middelen om te controleren of agenten zich aan die regel houden.[9]
Er is geen onderzoek dat erop wijst dat etnisch profileren in Nederland is afgenomen.[10] Feit is dat de politie en de KMar over ruime wettelijke bevoegdheden beschikken, terwijl bij beide organisaties er geen toezicht op etnisch profileren is ingericht.
De verdenking
Selectiebeslissingen tijdens controles hebben gevolgen voor wie als verdachte in systemen terechtkomt. Een aanhouding leidt tot een registratie als verdachte. Echter, de politie en de KMar zijn niet verplicht om staandehoudingen en controlesvast te leggen in het systeem. Als zij toch een registratie maken van een controle, dan kunnen ze iemand aanmerken als getuige, betrokkene of als verdachte. Je wordt, kortom, een verdachte wanneer de politie je als zodanig registreert in het systeem.
Uit onderzoek van de Erasmus Universiteit blijkt dat jongeren met een migratieachtergrond een grotere kans hebben om aangemerkt te worden als verdachte van een strafbaar feit.[11] De onderzoekers maakten gebruik van langlopend wetenschappelijk onderzoek waarin jongeren zelf aangeven hoeveel crimineel gedrag ze plegen. Deze zelf gerapporteerde criminaliteit vergeleken de onderzoekers met de verdachtenregistraties van de politie. Zo konden ze zien of jongeren die zelf aangeven dat zij strafbare feiten plegen, ook daadwerkelijk als verdachte bij de politie terecht komen.
Ook konden de onderzoekers op deze manier vergelijkbare delicten met elkaar vergelijken. Sociaal wenselijke antwoorden werden eruit gefilterd, en de uitkomsten werden gecorrigeerd voor sociaaleconomische positie, het wonen in een verstedelijkte omgeving, hangen op straat, het gebruik van drugs en alcohol en voor verschillen in crimineel gedrag.
Het onderzoek toont aan dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond alsnog een twee tot drie keer grotere kans hebben om geregistreerd te staan als verdachte van een strafbaar feit dan autochtone jongeren die hetzelfde soort strafbare feiten plegen. Het deel van het onderscheid dat overblijft na de SES-correctie wijst op directe discriminatie.
De onderzoekers wijzen op het belang van training en bewustzijn voor agenten wat betreft discriminatie, zodat zij beter gebruik gaan maken van hun ruime discretionaire bevoegdheden. Op basis van deze bevoegdheden hebben politiemensen immers de vrijheid om de één wel en de ander niet te selecteren voor een controle.
De veroordeling
De ongelijke behandeling stopt niet bij de registratie als verdachte, maar werkt ook door in latere fases van het strafproces. Een recent rapport van het Wetenschappelijk Onderzoek en Datacentrum (WODC) geeft hier meer inzicht in.[12] Het gaat hierbij specifiek om de stap van verdachte naar een veroordeling. De studie kijkt daarom naar beslissingen van het Openbaar Ministerie en de rechter.
In de politiecijfers heeft 46% van alle verdachten een migratieachtergrond. Het is belangrijk te herhalen dat dit geen neutraal getal is, maar mede het gevolg van de eerste twee stappen in de strafrechtketen waarbij etnisch profileren een rol speelt (de controle) en de kans om als verdachte aangemerkt te worden (de verdenking). Bij de derde stap (de veroordeling) neemt de ongelijkheid verder toe.
Zoals gezegd heeft dus 46% van de verdachten een migratieachtergrond. Onder jongere verdachten neemt dat na de veroordeling toe tot 67% en bij volwassenen tot 55%. Het onderzoek laat zien dat de stijging van oververtegenwoordiging sterker is bij de rechter dan bij het Openbaar Ministerie.
Een belangrijke conclusie van het WODC is dat een deel van de oververtegenwoordiging van veroordeelden met een migratieachtergrond ontstaat nadat personen met het justitiële systeem in aanraking zijn gekomen. Een deel van de oververtegenwoordiging is te verklaren door verschillen in sociaaleconomische positie, maar een deel ook niet.
Over het gedeelte niet-verklaarde oververtegenwoordiging zeggen de onderzoekers: er is waarschijnlijk sprake van ‘directe en meer indirecte vormen van etnische selectiviteit, die resulteren in patronen van cumulatieve oververtegenwoordiging van groepen met een migratieachtergrond in de Nederlandse strafrechtketen’. Of, eenvoudiger gezegd: mensen met een migratieachtergrond ondervinden nadeel bij vrijwel elke stap in de strafrechtketen.[13]
Politiegeweld
Institutioneel racisme beperkt zich niet tot beslissingen binnen de strafrechtketen, maar raakt ook aan de wijze waarop geweld door wetshandhavers wordt toegepast en beoordeeld. Volgens het Expert Mechanism is er sprake van ‘brede straffeloosheid voor buitensporig geweldgebruik en andere mensenrechtenschendingen tegen Afrikanen en mensen van Afrikaanse afkomst door wetshandhavingsfunctionarissen’.
Voor de Nederlandse lezer oogt dit misschien als een constatering die van toepassing is op de Verenigde Staten en niet op de Nederlandse situatie. De feiten over Nederland geven echter aanleiding tot een vergelijkbare conclusie.
Sinds 2020 steeg het aantal gevallen waarin de Nederlandse politie geweld toepaste tegen personen van 25.000 naar ruim 33.000 in 2025.[14] Een analyse van politiegeweld in de periode 2019-2020 laat zien dat 36% van het geweld mensen met een niet-westerse migratieachtergrond betrof, zoals dat toen nog heette.[15] Deze groep maakte toen 13% van de bevolking uit.
Mensen met een niet-westerse migratieachtergrond krijgen dus bijna drie keer zoveel te maken met politiegeweld als witte Nederlanders. In Nederland bestaat deze groep met name uit Marokkaanse, Surinaamse en Turkse Nederlanders. Cijfers over geweld tegen mensen met een westerse migratieachtergrond, zoals mensen uit Oost-Europa, zijn in de analyse niet uitgesplitst. Deze data zijn niet gecorrigeerd voor sociaaleconomische status.
Dezelfde dynamiek is zichtbaar bij fatale incidenten. Dan gaat het om overlijdensgevallen waarbij mensen formeel onder verantwoordelijkheid van wetshandhavers zijn; bij een arrestatie, tijdens vervoer of in de politiecel. In de afgelopen tien jaar overleden in Nederland jaarlijks gemiddeld elf mensen bij fatale incidenten. Mensen met een migratieachtergrond overleden, bezien over de afgelopen tien jaar, twaalf keer vaker bij fatale incidenten dan mensen zonder migratieachtergrond.
Deze data zijn niet gecorrigeerd voor sociaaleconomische status. Wel kunnen ze vergeleken worden met data uit de Verenigde Staten, die ook niet gecorrigeerd zijn voor sociaaleconomische status. In de Verenigde Staten overlijden zwarte Amerikanen drie keer vaker bij fatale incidenten dan witte Amerikanen. Dat betekent dat de ongelijkheid bij fatale incidenten in Nederland groter is dan in de Verenigde Staten.
De beoordeling van geweldsgebruik
De vraag is vervolgens hoe dit geweld wordt gecontroleerd en beoordeeld wanneer burgers daarover klachten indienen of aangifte doen. Het Expert Mechanism maakt zich in de internationale context zorgen over ‘brede straffeloosheid’ na geweldsgebruik. Dat speelt ook in Nederland. Na politiegeweld kunnen burgers een klacht indienen of een aangifte doen. De politie zelf kan het geweld onderzoeken of de zaak aan het OM voorleggen.
Burgers dienen een klacht in
Als burgers een klacht indienen, wordt deze behandeld door de politie, daarna door de onafhankelijke klachtencommissie en vervolgens door de Nationale Ombudsman. Van alle klachten wordt 99% door de politie zelf behandeld, zonder dat ze in een van de twee vervolgfases aan bod komen.
Bij de klachtbehandeling in de eerste fase - door de politie zelf - leidt een klacht niet tot een formeel oordeel over de rechtmatigheid van het geweldsgebruik. De nadruk ligt op bemiddeling en er samen uitkomen.
Burgers doen aangifte bij de politie
Als burgers aangifte doen naar aanleiding van politiegeweld, is het OM is opdrachtgever van het onderzoek en besluit hetOM ook over vervolging van de betrokken agent, maar de politie verricht het strafrechtelijke onderzoek. Dat doet de politie ook wanneer de aangifte gericht is tegen collega-agenten. Uit onderzoek blijkt dat meer dan 99% van de aangiftes die burgers doen tegen agenten vanwege geweldsgebruik geseponeerd wordt.[16]
Politie doet zelf onderzoek naar geweld
Ongeacht of burgers een klacht of een aangifte doen, heeft de politie de taak om geweld zelf te onderzoeken. Al het geweld moet worden geregistreerd, waarna de politie zelf bepaalt of het verder wordt onderzocht. Van al het politiegeweld in 2025 werd 94% niet verder onderzocht; bij 6% van de zaken was dat wel het geval.[17]
In dat geval kijkt de commissie geweldsaanwending ernaar. Deze commissie heeft een burgerlid, maar is verder intern georganiseerd en niet onafhankelijk. In 2025 oordeelde de commissie dat in 370 zaken (16%) het geweld niet professioneel was. De commissie geeft geen oordeel over de rechtmatigheid van het geweld. Het oordeel leidt niet tot een sanctie - deze procedure is bedoeld om van te leren. Onafhankelijk toezicht op de oordelen van de commissie is er niet en de commissie publiceert bijvoorbeeld geen jaarverslagen.[18]
Een interne sanctie na politiegeweld kan alleen volgen na een interne disciplinaire beoordeling van het geweldsgebruik. Burgers kunnen zo’n interne disciplaire procedure niet zelf opstarten - die beslissing ligt bij de politie. In 2025 kregen 15 agenten een disciplinaire sanctie vanwege geweldsgebruik. Dat is het hoogste aantal sancties in de afgelopen vier jaar. In totaal leidde 0,05% van alle geweldsaanwendingen in 2025 tot een sanctie.
Het OM oordeelt over het geweld
Tot slot kan de politie zaken doorsturen aan het Openbaar Ministerie. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij schietincidenten waarbij burgers verwondingen oplopen en wanneer mensen overlijden na politieoptreden. Pas sinds 2021 zijn er systematisch data beschikbaar over het aantal vervolgingen van agenten vanwege geweldsgebruik. In 2021 werden zes agenten vervolgd. In 2023 vier agenten, in 2024 één agent en in 2025 twee agenten.
Structurele hervormingen
We hebben in Nederland geen informatie op basis waarvan we kunnen beoordelen hoe vaak er sprake is van ‘buitensporig geweldsgebruik’, zoals het Expert Mechanism het verwoordt. Cijfers hierover ontbreken. Doordat de politie maar weinig zaken aan het het OM doorstuurt, en het OM zelden politieagenten voor de strafrechter brengt, is toezicht op politiegeweld vooral belegd bij de politie zelf. Agenten worden zelden gestraft worden voor geweld dat zij gebruiken. Strafrechtelijk gebeurt dat incidenteel, disciplinaire straffen blijven uitzonderlijk zeldzaam.
De problemen die we in dit artikel hebben geschetst, staan niet op zichzelf. Zowel bij institutioneel racisme in de strafrechtketen als bij politiegeweld spelen dezelfde structurele mechanismen een rol. De Nederlandse veiligheidsketen is in hoge mate gesloten georganiseerd: politie, Openbaar Ministerie en interne toezichtsmechanismen zijn sterk met elkaar verweven. Extern en onafhankelijk toezicht blijft beperkt.
Tegelijkertijd beschikken politiefunctionarissen en officieren van justitie over een grote discretionaire ruimte bij controles, registraties, vervolgingsbeslissingen en geweldsgebruik. Juist wanneer dergelijke bevoegdheden worden gecombineerd met beperkte transparantie en onvoldoende toezicht, ontstaat een verhoogd risico op discriminerende selectiviteit en straffeloosheid.
Ook de cultuur binnen politie en justitie speelt daarbij een rol, bijvoorbeeld waar het gaat om het erkennen van institutioneel racisme, de omgang met klachten of de bereidheid om intern kritisch toezicht te organiseren. Vanuit Controle Alt Delete is ons standpunt dat verbetering niet alleen vraagt om aanvullende regels of trainingen, maar ook om structurele hervormingen van toezicht, transparantie en verantwoordingsmechanismen. Zonder zulke structurele veranderingen bestaat het risico dat institutioneel racisme en ongelijke behandeling in de strafrechtketen zichzelf blijven reproduceren.
In de Tweede Kamer kunnen dit soort structurele veranderingen geëntamereerd worden. Dat hier successen mee te behalen zijn, toont de besproken rechtszaak tegen de Koninklijke Marechaussee, waarbij het gerechtshof oordeelde dat ‘ras’ geen onderdeel mag zijn van een selectiebeslissing.
De regering weigde destijds bij monde van minister Hanke Bruins Slot (CDA) hier gevolgen aan te verbinden voor andere overheidsorganisaties dan de Koninklijke Marechaussee.[19] Het handelen van de politiek tegen institutioneel racisme laat zich daarmee vooral kenmerken door niet handelen. Dat is ook een van de verklaringen die Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie gaf voor het voortduren van institutioneel racisme.[20]
Alle gedane onderzoeken wijzen op discriminatie in de strafrechtketen, maar de politiek heeft tot nu toe geen systematische monitoring van politiecontroles afgedwongen, zette niet in op beter toezicht op discriminatie bij het OM en de rechterlijke macht, verbood niet het gebruik van risicoprofilering ondanks een advies hiertoe van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie[21] en dwong niet af dat de Reclassering zou onderzoeken of er in haar werkwijze sprake was van discriminatie.[22]
In dit licht zijn de aanbevelingen die het Expert Mechanism doet zeker ook relevant voor Nederland. Zo adviseert het Expert Mechanism dat staten een wettelijk kader moeten aannemen dat etnisch profileren expliciet verbiedt, dat zij gegevens over politiecontroles moeten verzamelen uitgesplitst naar ras of etnische afkomst in alle fasen van het strafrechtsproces, dat ze onafhankelijke toezichtsorganen moeten instellen en dat zij ervoor moeten zorgen dat justitiële instellingen een afspiegeling vormen van de diversiteit van de gemeenschappen die zij dienen.
Met betrekking tot politiegeweld adviseert het Expert Mechanism dat bodycams verplicht zouden moeten zijn, dat het zichtbaar dragen van namen of identificatienummers eveneens verplicht zou moeten zijn, en dat staten onafhankelijke toezichtsorganen moeten instellen ter aanvulling op interne politieonderzoeken en strafrechtelijke procedures.
Deze organen moeten onafhankelijk zijn, beschikken over wettelijk bindende onderzoeksbevoegdheden, de bevoegdheid hebben om specifieke disciplinaire sancties op te leggen, en hun bevindingen en besluiten kunnen voorleggen aan aanklagers of rechters met het oog op het starten van strafrechtelijke procedures. Ook dit is in Nederland allemaal niet geregeld.
De aanbevelingen van het Expert Mechanism om institutioneel racisme tegen te gaan moeten we in Nederland ter harte nemen. Institutioneel racisme zal daarmee nog niet meteen ons land uit zijn, maar opvolging van deze aanbevelingen zal wel een proces van verbetering in gang zetten.
Noten
[1] De betrokken agent werd tot 20 jaar cel veroordeeld vanwege moord.
[2] Human Rights Council (2021). A/HRC/47/CRP.1.
[3] Human Rights Council (2025). A/HRC/60/75.
[4] Human Rights Council (2024). A/HRC/57/71.
[5] Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme (2025). Keer op keer. Inzichten in gestapelde discriminatie-ervaringen in Nederland en Europa; Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme (2025). Cumulatieve, intersectionele discriminatie onder Turkse en NoordAfrikaanse Nederlanders, in vergelijkend Europees perspectief.
[6] Schalkwijk, J., Bouabid, A., Roks, R. & Schuilenburg, M. (2025). The Dutch Response to Concerns About Racial Profiling: An Adequate Legal and Administrative Framework?, in International Criminology, volume 5, pagina 577-588.
[7] Gerechtshof Den Haag, 14 februari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:173.
[8] Boïng, B. & Gieling, M. (2025). Herhaalonderzoek bekendheid handelingskader professioneel controleren, bij Politieacademie.
[9] Schalkwijk, J. & Abdoelhafiezkhan, D. (2022). Zonder (toe)zicht op politiecontroles staat de aanpak van etnisch profileren nog in de kinderschoenen, in Cahiers Politiestudies, 2022-4, nr. 65, pagina 137-152.
[10] Schalkwijk, J., Bouabid, A., Roks, R. & Schuilenburg, M. (2025). The Dutch Response to Concerns About Racial Profiling: An Adequate Legal and Administrative Framework?, in International Criminology, volume 5, pagina 577-588.
[11] Bezemer, W. & Leerkes, A. (2021). Oververtegenwoordiging verder ontcijferd, bij Politie & Wetenschap.
[12] Jong, P. de, Leerkes, A., Shchetinin, D., Bezemer, W. & Netten, N. (2025). Van verdenking tot vrijheidsstraf, bij Wetenschappelijk Onderzoeks en Documentatie Centrum (WODC).
[13] NRC (2025). ‘Mensen met een migratieachtergrond ondervinden nadeel bij vrijwel elke stap in de strafrechtketen’.
[14] Politie (2026). Geweldsaanwendingen door politieambtenaren in 2025. Toelichting: het totaal aantal geweldsaanwendingen in 2025 was ongeveer 39.000. Het getal 33.000 is gebaseerd op alleen geweld tegen personen, geweld tegen goederen is eruit gelaten.
[15] Koning, B. de (2023). Interne documenten politie: mannen van kleur het vaakst slachtoffer van politiegeweld.
[16] Schalkwijk, J. (2025). De beoordeling van politiegeweld in Nederland, in Nederlands Juristen Blad (NJB) 14-3-2025, aflevering 9, pagina 659-665.
[17] Dit is een verwijzing naar het verschil tussen een geweldsmutatie en een geweldsregistratie. Het artikel in noot 16 bevat hierop een uitgebreide toelichting.
[18] Adang, O. & Mali, B. (redactie) (2022). Verantwoorden en leren, bij Boom.
[19] Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2023). De minister schreef: ‘De uitspraak van het hof betreft geen andere taken van de KMar. Evenmin raakt de uitspraak direct handelingen van andere overheidsdiensten.’
[20] Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme (2026). Discriminatie doorbreken.
[21] Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme (2026). Principes voor profilering.
[22] Controle Alt Delete (2026). Reclassering pauzeert algoritme dat mogelijk discrimineert.