Was het beter geweest als niet Dick Schoof maar Geert Wilders zelf premier was geworden? Deze en andere pijnlijke vragen dringen zich op als de capriolen van het inmiddels demissionaire, maar nog steeds zeer politiek handelende, kabinet-Schoof op een rij worden gezet.
Joop van den Berg
Emeritus hoogleraar aan de Universiteit Leiden (parlementaire geschiedenis) en de Universiteit Maastricht (parlementair stelsel), voormalig directeur van de Wiardi Beckman Stichting, oud-lid van de Eerste Kamer. Fellow van het Montesquieu Instituut.
Anderhalf jaar geleden schreef ik in S&D over het net gevormde kabinet-Schoof als over ‘een kabinet zonder volkspartijen’.[1] De twee traditionele volkspartijen, CDA en PvdA, deden immers niet mee en de VVD had bij de verkiezingen van 2023 haar karakter van volkspartij grotendeels verloren. Het kabinet bestond uit partijen die geen binding hadden met bewegingen, organisaties en instellingen in de samenleving, zoals dat met volkspartijen wel het geval is.
Kiezers hebben is niet voldoende; die zijn er maar één dag. Het kabinet opereerde zodoende in een vacuüm. Het enige houvast – als het dat was – werd gevormd door de fracties in de Tweede Kamer die het kabinet hadden gevormd en die geen band met elkaar hadden, ook al stonden ze alle vier rechts.
Geen samenhang, geen vertrouwen, geen competentie
Partijen bleken elkaar nauwelijks te vertrouwen en het ‘Akkoord op hoofdlijnen’ bleek al gauw een verzameling losse blaadjes, waarvan de samenhang was beperkt tot het nietje dat door de pagina’s was heengeslagen. Het heette dan wel Hoop, lef en trots maar een snorkende titel kon er geen eenheid van maken.
De vier fractievoorzitters spraken af dat zij het bij deze hoofdlijnen zouden laten en dat het kabinet zelf de eerste maanden zou gebruiken om een regeerprogramma te schrijven. In feite werden ambtenaren van diverse ministeries aan het werk gezet, die er waarschijnlijk ook geen chocola van konden maken. Op de ministers konden zij veelal niet terugvallen, want een aantal van hen, vooral de PVV, was met vakantie vertrokken in plaats van sturing aan het werk te geven. Minister Fleur Agema was de gunstige uitzondering. Ervaring als bewindspersoon hadden de meesten niet; misschien dat zij het werk daarom maar aan de ambtenaren overlieten.
De keuze van de minister-president, Dick Schoof, stond als het ware symbool voor dit zweven in het luchtledige. Hij was geen representant, laat staan leider van één der partijen. Hij had ook geen politieke ervaring; wel veel ervaring met politici maar dat is iets anders. De belangrijkste opdracht van de premier, onheil zien aankomen en tijdig samenhang organiseren, ging hem niet goed af. Al gauw bleek dat hij daar ook niet de kans voor kreeg.
Tekenend is dat, toen in het voorjaar van 2025 het kabinet bij de Voorjaarsnota de financiën op orde moest krijgen, de vier fractievoorzitters het heft in handen namen en zelf de besluiten gingen nemen. Niet alleen de premier werd de gang op gestuurd, maar ook de ambtelijke adviseurs.[2] Ongelukken konden, zo werd aanstonds duidelijk, niet uitblijven. Partijen waren niet in staat ordelijk zaken met elkaar te doen, eenvoudig omdat ze elkaar niet vertrouwden. Zij vertrouwden ook de minister-president niet, zodat coördinatie en leiding onmogelijk werden. Vooral Wilders schijnt al vrij snel na het aantreden van het kabinet zijn vertrouwen in de premier te zijn kwijtgeraakt[3].
De enige partij met competentie op ministerieel niveau, de VVD, zocht al spoedig naar een gelegenheid om te breken met deze chaos, maar zij vond dat zij de grote NAVO-conferentie in juni moest afwachten. Het was immers geen gezicht als daar een demissionaire premier als gastheer zou moeten optreden. Daar trok Geert Wilders zich niets van aan en het leverde hem de kans de boel op te blazen, zodra hij dacht een goede gelegenheid te hebben gevonden. Die schiep hij zelf door van de vertraging in de totstandkoming van een asielwet gebruik te maken door een tienpuntenplan op tafel te leggen en te eisen dat de drie collega’s bij het kruisje zouden tekenen. Dat weigerden zij uiteraard, maar daardoor lag het kabinet binnen een jaar na zijn ontstaan, op 3 juni 2025, al op apegapen.
De premier ‘sans famille’ mocht naar de koning om het ontslag van zijn kabinet aan te bieden. De ministers van de PVV, die hun ontslag hadden vernomen van een X-bericht van hun chef, vertrokken nog diezelfde dag van hun ministeries. Van voortzetting van hun werk in demissionaire status kon geen sprake zijn. (Op de parlementaire behandeling van deze kabinetscrisis kom ik zo verderop terug.)
‘Ultra-parlementaire’ besluiteloosheid
Wat aan dit kabinet zonder maatschappelijk houvast zo merkwaardig is: het had wel een rechts karakter maar niemand kon navertellen wat dit nu precies betekende. Laat staan dat het in staat was besluiten te nemen. Zelfs op het terrein van het asielrecht – toch de absolute hoofdzaak van de combinatie – slaagde het er niet in overzichtelijk positie te kiezen en de steun van alle vier partijen te organiseren. Premier en ministers maakten zich volledig afhankelijk van de leiding van de fractievoorzitters, al hielp ook dat niet. Het werd geen extraparlementair kabinet, zoals Pieter Omtzigt had gewild, maar een ‘ultra-parlementaire’ coalitie, zoals Bert van den Braak het betitelde.[4]
Dat roept associaties op met de analyse die Ruud Koole in zijn boek Twee pijlers heeft geleverd, maar dan wel op zijn kop gezet. Koole waarschuwde immers voor wat hij noemde ‘gouvernementalisering’ van de politieke besluitvorming in Nederland.[5] Waarmee hij doelde op de neiging de belangrijkste politieke knopen in steeds kleiner kring door te hakken. Dit gebeurde tijdens de kabinetten-Rutte in een maandagochtendoverleg van premier met vicepremiers en fractievoorzitters van de coalitiepartijen, zij het wel gevoed en ondersteund door deskundige ambtenaren. Vervolgens kregen de leden van de Tweede Kamer maar ook de niet-aanwezige ministers instructies hoe te handelen. Uit democratisch oogpunt een discutabele werkwijze maar wel effectief en misschien onvermijdelijk.
Als het erg ingewikkeld was, werd er onder leiding van Rutte uitgeweken naar wat Koole de ‘akkoordendemocratie’ ging noemen[6]: belanghebbenden werden bij elkaar gezet met de opdracht het onderling eens te worden. Zo kwamen er een ‘klimaatakkoord’ en een ‘sociaal akkoord’. Het kabinet-Schoof kon nog net profiteren van een al geruime tijd voorbereid ‘zorgakkoord’. Ook dat was een discutabele werkwijze, want de Tweede Kamer werd zo geconfronteerd met voldongen feiten. Maar, ook daar was sprake van een zekere mate van effectiviteit. In beide constructies van besluitvorming waren de rol en het gezag van de minister-president trouwens beslissend.
Niets van dat alles in het kabinet-Schoof. Hier kregen premier en ministers gezamenlijk opdrachten van vier fractievoorzitters, zonder deskundige begeleiding, daargelaten dat de belangrijkste organisaties, inclusief de ambtelijke, buiten alle besluitvorming bleven. Tenzij ze dreigende taal spraken, maar soms hielp ook dat niet, in elk geval niet bij de minister van Asiel en Migratie, Marjolein – ‘Ik ben beleid’ - Faber. Die had aan één echte overlegpartner genoeg, haar politieke chef Wilders.
Het doet de pijnlijke vraag rijzen: was het voor de effectiviteit van het kabinet niet toch beter geweest als de leider van de grootste partij, Geert Wilders, premier was geworden? Intuïtief ben ik geneigd te antwoorden: ‘het idee alleen al’. Met meer afstand en objectiviteit kijkend is het antwoord toch iets moeilijker. Een land vertoont zich in de internationale, democratische wereld het best met een premier uit het democratische midden. Maar, gelet op het Italiaanse voorbeeld van premier Giorgia Meloni zou het wel hebben gekund. Bij haar zijn de ergste problemen binnenlands van aard; zij voegt zich internationaal in de pro-Europese traditie van haar land. Dat zou Wilders wellicht ook hebben gekund. Bovendien, hij zou als premier meer belang hebben gehad bij compromisbereidheid, want een kabinetscrisis zou hem dan veel zwaarder hebben getroffen.
Het is overigens de vraag of Wilders het wel zo erg vond om geen premier te mogen worden. Hij liet het premierschap opvallend gemakkelijk vallen toen dat van hem werd geëist. Dat paste in het populistische beeld van niet behoren tot de elite en daarom worden afgewezen.[7] En, het gaf hem de vrijheid de boel op te breken, zodra hij daarmee zelf zou winnen en andere partijen schade zou kunnen toebrengen. Achteraf blijkt zijn timing toch minder sterk te zijn geweest dan hij zelf moet hebben verwacht: het verlies van elf zetels zal hem niet zijn bevallen.
Internationaal gezagsverlies
Het kabinet-Schoof heeft Nederland ernstig verlies aan internationale invloed en gezag bezorgd. Dat geldt nog het minst voor het optreden van de premier zelf en zijn liberale collegae in de Oekraïne-oorlog. Daar werd de politiek van voorganger Rutte onverkort voortgezet. Dat moest de PVV, met haar pro-Russische standpunt, slikken. De grote meerderheid van de Tweede Kamer stond immers achter deze koers. Die werd ook doorgezet nadat Donald Trump president van de Verenigde Staten was geworden.
Schoof durfde bovendien zover te gaan om € 3,5 mrd voor steun aan Oekraïne toe te zeggen, voordat daarover formeel kon worden beslist in het kader van de Voorjaarsnota 2025.[8] Ten slotte aanvaardden Schoof en de liberale ministers Europese leningen ten behoeve van de defensie, vooruitlopend op het NAVO-besluit tot verhoging van de defensie-uitgaven. Dit alles tegen de zin van PVV, NSC en BBB.
De schade aan de positie van Nederland in de Europese Unie deed zich elders voor, bij het eeuwige gezeur om uitzonderingen op het Europese landbouwbeleid, het beleid op het terrein van asielmigratie en het knoeiwerk bij de opvolging van de vertegenwoordiging in de FAO, de voor Nederland zo belangrijke landbouw- en voedselorganisatie van de Verenigde Naties.
De zwaarste schade leed het kabinet met zijn passiviteit in het conflict tussen Israël en Hamas. Die schade had overigens een meer binnenlands karakter dan dat ons land in de Europese Unie zo apart kwam te staan. Daar waren meer lidstaten die tegenover Israël weigerden in beweging te komen, Duitsland in het bijzonder. Tergend langzaam bewoog minister Veldkamp van Buitenlandse Zaken in meer kritische richting, tot ontsteltenis van zijn eigen ambtenaren en de publieke opinie in Nederland. Ten slotte zou hij in augustus 2025 in conflict raken met zijn collega’s van VVD en BBB; voor hen ging hij toen met zijn verlangen naar sancties tegen Israël weer te ver. Nederlands positie in de internationale verhoudingen - meer speciaal in Europa - werd er niet overzichtelijker op.
Er moet worden bij gezegd, dat ook de grootste oppositiepartij, GroenLinks-PvdA, verdeeld raakte dankzij de door Kati Piri kort voor het congres van beide partijen ingediende motie. Die wilde alle leveranties van wapentuig aan Israël stoppen of minstens opschorten. Niet alleen kreeg zij daarvoor geen steun bij D66 en CDA, die daarvoor telkens één lijn met GroenLinks-PvdA hadden getrokken. Ook de eigen aanhang raakte verdeeld, zoals bleek tijdens het congres in juni. Dat werd her en der voorgesteld als een ‘breuk’ tussen GroenLinks en de PvdA, maar dat was een onjuiste voorstelling van zaken. Beide partijen waren verdeeld, in hoofdzaak langs lijnen van verschillende generaties. Sowieso trok de kwestie-Gaza diepe voren van polarisatie door de hele samenleving, dieper dan ooit een internationale kwestie had gedaan sedert de Tweede Wereldoorlog.
Van crisis naar crisis en constitutionele chaos
Het kabinet hield het nog geen jaar vol doordat Geert Wilders al na elf maanden, op 3 juni 2025, de stekker eruit trok. Dat hij zelf daarvoor koos om er nieuwe verkiezingen mee mogelijk te maken, is nog te volgen. Hij hoopte zo aan te tonen dat hij de enige was die een streng asielbeleid wilde. Dat praktisch alle andere partijen en vooral GroenLinks-PvdA hem daarbij vrijwel kritiekloos volgden, is heel wat minder begrijpelijk.
Waarschijnlijk zou een keuze voor Kamerontbinding en verkiezingen uiteindelijk het meest juiste besluit zijn geweest. Voor de uiteengevallen combinatie bestond immers nauwelijks een levensvatbaar en stabiel alternatief. Maar van een ordentelijke parlementaire reflectie op de kabinetscrisis en een weging van de mogelijkheden was geen sprake.
Dat gebeurde evenmin bij de tweede crisis van 22 augustus 2025, toen de ministers van NSC het kabinet verlieten, terwijl er al geen volwaardig kabinet meer was. Daarbij ging het om een kleine reeks constitutionele blunders. Minister Veldkamp verliet boos de ministerraad en vertelde eerst buiten aan journalisten dat hij zijn ontslagbrief ging schrijven. Zoiets behoor je uiteraard in de ministerraad te doen. De brief aan de koning behoort de premier te passeren, zodat die weet wat hij de koning moet meedelen.
De chaos werd nog aanzienlijk vergroot doordat de NSC-collegae, toen zij van de ontslagaanvraag van Veldkamp vernamen, zelf ook maar vertrokken ‘uit solidariteit’. Ook dat bleek buiten op straat en niet ter vergadering. Daar komt bij dat het onzin is om als demissionaire ministers ‘solidariteit’ te beoefenen, omdat er van gezamenlijk overeengekomen regeringsbeleid immers geen sprake meer is. Ministers hebben nog slechts te handelen in lopende zaken, zoals hun bij de ontslagaanvraag van het kabinet door de koning is gevraagd. De status van demissionair bewindspersoon is zo langzamerhand volslagen duister geworden.[9]
De emoties gingen te keer waar rationele weging en kalm nadenken vereist waren. De Kamer en het kabinet reageerden eigenlijk nauwelijks en met een steun van 32 zetels strompelde het kabinet vervolgens naar de Kamerverkiezingen. Ook hier geen moment van parlementaire reflectie. Constitutioneel enige orde houden en zich ten opzichte van elkaar in kabinet en Kamer gedragen volgens aloude conventies was er niet meer bij. Voor kabinetsformaties na verkiezingen is inmiddels een naar behoren verlopend proces zonder Koning ontwikkeld.[10] Dat geldt niet voor een tussentijdse kabinetscrisis. Daarvoor bestaat nog steeds geen doordachte procedure en dus sloeg daar in de zomer de chaos toe.
Zo kon het kabinet-Schoof uiteindelijk 43 ministers en staatssecretarissen aanstellen binnen anderhalf jaar, waarvan dertien van stond af aan demissionair. In het parlement heerste vanaf 3 juni de anarchie, met in het wilde weg ingediende en aangenomen moties en amendementen. Daaronder het beruchte amendement op de asielmigratiewet, dat niet alleen illegaal verblijf strafbaar stelde maar eveneens het hulp bieden daaraan. Tijdens de algemene politieke beschouwingen in najaar 2025 werden zestig moties ingediend. Zoals Bert van den Braak opmerkte: ‘zestig slagen in de lucht’.[11]
En nog steeds was er geen asielmigratiewet. Het wetgevingsproces stagneerde meer in het algemeen volledig vanaf het aantreden van het kabinet-Schoof.[12] Dat leidde tot het breed uitgesproken verwijt dat er ‘niets uit hun handen kwam’. Was dat maar waar. Behoorlijke wetsvoorstellen bleven inderdaad achterwege, maar daarvoor in de plaats waren er wel ingrijpende en schadelijke begrotingsbeslissingen, zoals bij de ontwikkelingssamenwerking, het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, alsmede de publieke omroep. Massale reductie van ambtenaren werd wel aangekondigd, maar van effecten is tot op de dag van vandaag nog niets te zien.
Eén uitzondering verdient vermelding. Bij de begrotingsvoorstellen kwam het kabinet tegemoet aan de noodkreten van de gemeentelijke overheden. Het kondigde een stijging aan van de uitgaven voor de jeugdzorg, compensatie voor hoge jeugdzorguitgaven in voorbije jaren en aanvulling van het door Rutte IV per 2026 gekorte Gemeentefonds. Niet volledig wat gemeenten hadden gevraagd, maar wel een tegemoetkoming van belang. Ook het ‘overhedenoverleg’ van het kabinet met de organisaties van decentrale overheden werd weer in ere hersteld, nadat het onder premier Rutte een voortijdige dood leek te zijn gestorven.
Daarvoor moesten gemeentebesturen weer aanzien dat de ‘Spreidingswet’ – bedoeld om asielmigranten behoorlijk over alle gemeenten te spreiden - weliswaar nog niet werd ingetrokken, maar evenmin functioneerde. Grote onzekerheid bij lokale overheid en bevolking was het gevolg. Tegenstanders van asielopvang konden zich gesterkt voelen – werden ook door de PVV daartoe opgehitst – in hun eis dat gemeenten vooral niet moesten meewerken aan huisvesting van asielzoekers.
Opvallend was daarbij de rol van BBB, in het bijzonder de minister van Volkshuisvesting Mona Keijzer, die er na het vertrek van de PVV de taak van asielopvang bij had gekregen. Toen de Raad van State in een advies duidelijk maakte dat afschaffing van de voorrang voor statushouders juridisch aanvechtbaar was, liet zij meteen weten dat zij zich van dat advies niets aan zou trekken. Partijgenote Caroline van der Plas probeerde vervolgens de Raad van State verdacht te maken door te roepen dat daar een groot aantal D66-ers deel van uitmaakt. Rechter en rechterlijke uitspraken werden in de loop van het korte jaar van het kabinet bovendien geregeld verdacht gemaakt.[13]
Het leverde het pijnlijke en onrustbarende beeld op van een rechtsstaat als zou die een hobby van links zijn in plaats van wat hij is: een met uiterste zorgvuldigheid te koesteren opdracht in algemene consensus.
Waarom links de verkiezingen toch niet won
Hoe incompetent het kabinet-Schoof ook opereerde en hoe treurig het ook binnen een jaar ineenzakte, het waren niet de partijen van links die daarvan bij de verkiezingen van 29 oktober 2025 profiteerden. Rechts in de politiek bleef stabiel, dat gold ook voor radicaal rechts. De PVV verloor sterk en ook BBB ging onderuit, maar dat werd door Forum en JA21 gecompenseerd. De winnaars waren D66 en het CDA, al zal D66 daar wellicht spoedig spijt van krijgen als het merkt dat het zich aan rechts dient uit te leveren. Het optimisme van D66 in de campagne was dat van het orkestje dat maar op de Titanic bleef doorspelen, totdat het niet meer kon.
Links verloor daarentegen. Dat gold zowel voor GroenLinks-PvdA (-5) als voor de SP (-2) en Volt (-1). Alleen de Partij voor de Dieren behield haar drie zetels. Dat kwam voor velen onverwacht, juist omdat het slecht functioneren van rechts in de politiek anders had doen verwachten. Het was een daad van leiderschap van Frans Timmermans om als lijsttrekker en Kamerlid terug te treden, maar het is zeer de vraag of het aan hem heeft gelegen of aan een verkeerde campagne.
Het verlangen is altijd groot om een nederlaag aan de campagne of aan de lijsttrekker toe te schrijven. Mijn ervaringen in opeenvolgende campagnecommissies heeft mij geleerd dat die veel minder betekenis hebben dan betrokkenen en media geloven. De geschiedenis biedt hier meer houvast dan ‘campagne-expertise’.
Links heeft altijd zwaar te lijden van sociale en economische onzekerheid, weinig competent bestuur, oorlogsdreiging en bijbehorende vrees voor de toekomst. Dat alles maakt mensen behoudend en op zoek naar ‘duidelijkheid’ en houvast. De jaren dertig van de vorige eeuw zijn er om ons eraan te herinneren dat de voorganger van de PvdA, de SDAP, onder vergelijkbare omstandigheden geen winst maar verlies leed.[14]
Sterker nog, de sociaal-democratie werkte toen hard aan vernieuwing van haar missie en politieke plek, met een perspectiefrijk Plan van de Arbeid (1935) en een nieuw beginselprogramma (1937). Het transformeerde haar van klassepartij tot volkspartij[15]. Electoraal schoot zij er echter helemaal niets mee op.
Eerst na de Tweede Wereldoorlog, toen de welvaart begon te stijgen, ging het de Partij van de Arbeid voor de wind. De doorbraak en de fusie met vrijzinnig-democraten en progressieve christenen in 1946 hielp nog niet. Wat wel hielp waren de sterke economische bloei en de sociale zekerheid van de jaren vijftig. Zoals het in de economische bloeiperiode van de jaren twintig ook goed was gegaan met de SDAP. Dat is en blijft de paradox van links: als zij het meest uitkomst zou bieden, is er geen interesse; als het land bezig is aan welvaart te winnen, gaat het ook goed met links.
Wat links ook niet helpt is dat in tijden als de onze niet de economische vragen vooropstaan in het politieke discours maar de culturele. Dan raakt links onthand en riskeert het niet alleen door rechtse concurrenten maar ook door kiezers te worden beschuldigd van morele zelfingenomenheid en betweterij. Of dat ook werkelijk zo is, doet er minder toe dan dat het zo wordt ervaren. Dat is geen reden om in verlamming en mismoedigheid te vervallen, net zomin als in de jaren dertig. Juist nu moeten GroenLinks en PvdA hard doorwerken aan hun samengaan en vooral werken aan een overtuigend verhaal. Vroeg of laat zullen zij daarvan de vruchten plukken.
Dit artikel is de bewerking van een lezing en daaropvolgende discussie in de ‘werkgroep partijpolitieke processen’ van de Wiardi Beckman Stichting.
Noten
[1] Joop van den Berg (2024). Kabinet zonder volkspartijen. S&D/2024-4.
[2] Aharouay, Lamyae en De Koning, Petra (2025). Dick Schoof. Amsterdam: Brooklyn, pp. 7–9.
[3] Aharouay, Lamyae en De Koning, Petra (2025). Dick Schoof. Amsterdam: Brooklyn, p. 24.
[4] Bert van den Braak (3 januari 2025). Van extra- naar ultraparlementair. Parlement.com.
[5] Ruud Koole (2021). Twee pijlers. Het wankele evenwicht in de democratische rechtsstaat. Amsterdam: Prometheus, pp. 154–161.
[6] Ruud Koole (2021). Twee pijlers. Het wankele evenwicht in de democratische rechtsstaat. Amsterdam: Prometheus, pp. 243–256.
[7] Cas Mudde and Christobal Rovira Kaltwasser (2017). Populism: A Very Short Introduction. Oxford University Press, pp. 73-76.
[8] Heleen Blommers (2025). ‘Eigenlijk heeft de premier die ketting nu doorgeknipt, in ieder geval over financiële steun.’ Het debat over de staat van oorlog in Europa en over de ingelaste buitengewone Europese top, 6 maart 2025. In: Alexander van Kessel e.a.(red.) (2025). Parlement en politiek in tijden van oorlog. Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2025. Amsterdam: Boom, pp. 75–82.
[9] Dit ondanks een uitvoerig rapport van het Adviescollege inzake de werking van artikel 57 van de Grondwet (2024). Demissionaire dubbelrol? De (on)verenigbaarheid van het lidmaatschap van Kamer en kabinet.
[10] Joop van den Berg (27 oktober 2023). Formeren gaat van au en dat zal wel altijd zo blijven. In: E-nieuwsbrief De Hofvijver.
[11] Bert van den Braak (26 september 2025). Het prestige van de Tweede Kamer. Parlement.com; Ruud Koole (2025). Hoe heurt het eigenlijk? Parlementaire verhoudingen onder partijpolitieke druk. Rudy B. Andeweglezing 2025. Universiteit Leiden.
[12] Joris Veerbeek en Coen van de Ven (12 februari 2025). Stilte in de senaat. Werkt het kabinet-Schoof? Onderzoek. In: De Groene Amsterdammer.
[13] Een opsomming daarvan is te vinden bij Bert van den Braak (28 februari 2025). Er was eens een basislijn, toch? Parlement.com; zie ook: Fons Meijer (2025). Het parlementaire jaar 2024 – 2025. In: Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2025, pp. 169-207.
[14] Peter Jan Knegtmans (1989). Socialisme en democratie. De SDAP tussen klasse en natie (1929–1939), Amsterdam: Stichting Beheer IISG.
[15] Ruud Koole (2025). Gerechtigheid en vrijheid. Een kleine geschiedenis van de sociaal-democratie. Amsterdam: van Gennep, pp. 31–41.