In juni 2025 verscheen Tijd voor solidariteit – een eerste voorzet voor het Beginselprogramma. Veel PvdA- en GroenLinks-leden hebben hier inhoudelijke feedback op gegeven. Een goed voorbeeld van het soort opmerkingen dat binnenkwam, is onderstaand essay van Hans Harbers en Gerard de Vries. Let wel: hun commentaar slaat terug op de juni-versie, terwijl er ondertussen alweer een nieuw concept-Beginselprogramma ligt waar leden opnieuw op kunnen reageren.
Hans Harbers was docent sociologie en filosofie en moderator van het publieke debat; Gerard de Vries was hoogleraar wetenschapsfilosofie en lid van de WRR
Als de fusie van GL en PvdA in het komende jaar formeel zijn beslag krijgt, moet niet alleen de naam van de nieuwgevormde partij bekend zijn. Er moet ook zijn nagedacht over het beginselprogramma – de tekst waarin de nieuwe partij op hoofdlijnen formuleert waar zij politiek voor staat en hoe zij haar rol ziet. De meest recente publicaties van de fuserende partijen op dit vlak stammen uit 2005 en 2008.[i] Naast het integreren van ideeën uit de beide partijen is het dus wellicht ook tijd voor heroverwegingen.
De partijbesturen en de wetenschappelijke bureaus van PvdA en GroenLinks hebben in juni jongstleden een ‘eerste voorzet’ voor het beginselprogramma van de gefuseerde partij gepubliceerd, getiteld Tijd voor solidariteit.[ii] In deze bijdrage richten we ons vooral op het centrale concept ervan, ‘solidariteit’.
Solidariteit
‘De kern van onze politiek is de overtuiging dat we onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn’, zo luidt de eerste zin van Tijd voor solidariteit – onmiskenbaar een helder, klassiek, uitgangspunt voor linkse politiek. De focus ligt dus meteen op lotsverbondenheid. Dat is hartverwarmend en ook begrijpelijk. Het ‘wij samen’ – ‘de kracht van het collectief’, zoals het verderop wordt genoemd (p.14) – biedt immers tegengif tegen verdeeldheid, polarisatie en het ‘ieder voor zich’. ‘Pas als het goed gaat met ieder van ons, gaat het goed met de samenleving. Solidariteit is een voorwaarde om onze idealen te kunnen realiseren. Want samen staan we sterk’, (p.4), lezen we.
Onder het kopje ‘Een rechtvaardige samenleving’ worden die politieke idealen vervolgens gepresenteerd en toegelicht. Het zijn er drie: ‘gelijkwaardigheid’, ‘een gezonde planeet’ en ‘vrijheid’. Noties die de beide fuserende partijen in 2005 en 2008 expliciet als ideaal opvoerden – zoals ‘rechtvaardigheid’, ‘democratie’ en ‘emancipatie’ – ontbreken hier. Die termen vallen later wel, maar en passant.
‘Rechtvaardigheid’ en ‘democratie’ worden als min of meer vanzelfsprekende uitkomsten van de drie wél genoemde idealen behandeld. ‘Emancipatie’, daarentegen, komt in de tekst slechts voor in de samenstelling ‘emancipatiebewegingen’. ‘Solidariteit’ – dat in beide eerdere beginselprogramma’s ook als ideaal werd genoemd – krijgt echter een prominente, ándere rol.
Solidariteit wordt namelijk vanaf de eerste pagina consequent opgevoerd als een voorwaarde om de eerdergenoemde drie idealen te kunnen realiseren. Lees maar: een rechtvaardige samenleving vraagt dat we solidair met elkaar zijn (p.5); de planeet heeft genoeg rijkdom voor iedereen als we solidair met elkaar zijn (p.6) en ook vrijheid kan alleen gedijen als we solidair zijn (p.7).
Wie zijn die ‘wij’ die solidair zijn? Dat varieert nogal. Soms verwijst de ‘wij’ in de tekst naar de nieuwe partij, dan weer naar de partij samen met sociale bewegingen (waarbij de term ‘de sociale meerderheid’ valt) of naar specifieke groepen die lokale initiatieven nemen, maar ook naar de Nederlanders die ‘samen willen bouwen’ en zelfs naar de mensheid als geheel. Je moet als lezer nogal eens gissen op welke ‘wij’ wordt gedoeld.
Nadat solidariteit is bestempeld tot een noodzakelijke voorwaarde voor een rechtvaardige, duurzame, vrije samenleving, blijkt het begrip de hele tekst te doordesemen. Naast een voorwaarde, wordt solidariteit namelijk óók opgevoerd als ‘leidraad’ voor de genoemde idealen, en verder als een belofte, effect, middel en doel en ten slotte ook nog als een oorzaak én gevolg van politiek handelen. Dat maakt het lastig om er vat op te krijgen.
Het begrip fungeert in de tekst te vaak als stoplap, vergelijkbaar met het nogal weeïge modewoord ‘verbinding’. Of – meer in de traditie van beide partijen – als strijdkreet, een oproep tot actie: Solidariteit! Maar solidariteit met wie of wat? Met alles en iedereen? Hier wreekt zich de ongerichtheid van de centrale notie ‘solidariteit’ in het concept-beginselprogram. Dat kan beter, dunkt ons. Daarover straks meer.
Historische context
De prominente rol die de voorzet voor het nieuwe beginselprogramma aan solidariteit toekent, komt niet uit de lucht vallen. Zij vloeit voort uit de maatschappijanalyse die door de wetenschappelijke bureaus van GroenLinks en PvdA is gemaakt. Die beslaat een derde van de tekst. Een uitgebreidere versie is gepubliceerd in S&D.[iii] Het desbetreffende hoofdstuk draagt (net als het S&D-artikel) de titel De tijd waarin we leven, maar kijkt vooral terug.
Het biedt een nogal gekleurde, nostalgische blik op de jaren vijftig en zestig, gevolgd door een beschouwing over de kaalslag die zich vervolgens in de periode vanaf de jaren tachtig heeft voltrokken. De conclusie is dat door decennia van neoliberaal beleid het in de huidige samenleving schort aan saamhorigheid.[iv] Dat gebrek aan geloof in collectiviteit wordt aangewezen als de bron van alle problemen waar we in ‘de tijd waarin we leven’ voor staan.
In de naoorlogse tijd van wederopbouw en de decennia die erop volgden was nog het idee aanwezig dat als we de handen ineenslaan, we de toekomst groener en rechtvaardiger kunnen maken, lezen we. Vanaf de jaren tachtig verdween dat idee, zo vervolgt de analyse. ‘Het geloof in solidariteit en collectieve vooruitgang werd ingeruild voor een geloof in onderlinge concurrentie en het idee dat we allemaal zelfredzaam moeten zijn. Collectieve problemen werden steeds minder collectief opgelost.’ (p.9). De controle over de samenleving kwam te liggen bij de markt en het grote geld.
Hoe en waarom deze omslag plaatsvond wordt niet besproken. Wel lezen we dat ‘erin meegaan een vergissing was’ (p.9). Want de omslag had drie grote gevolgen: de scheidslijnen in de samenleving werden verscherpt, natuur en mensen werden uitgeput, en de rechtsstaat werd afgebroken. Over de ‘derde weg’ die in de jaren negentig in linkse kringen furore maakte (en toch niet gelijkgesteld kan worden met pur sang neoliberalisme) wordt niet gesproken. Grof gezegd krijgen we een linkse versie gepresenteerd van ‘de puinhopen van Paars’.
Maar het tij kan worden gekeerd, lezen we dan. Want ‘als je het op straat [vraagt] is het oude geloof in solidariteit gelukkig nog niet verdwenen uit onze maatschappij’. De ‘sociale meerderheid’ roert zich. Men verlangt naar iets nieuws. ‘Niet naar vroeger, maar wel geïnspireerd door de collectiviteit die we vroeger ook bouwden.’ Hoe het geloof in solidariteit dat door het neoliberalisme teloor zou zijn gegaan nu toch weer als een deus ex machina kan opduiken, blijft onbesproken. Was de neoliberale kaalslag dan toch wat minder diepgaand dan de geleverde maatschappijanalyse suggereerde?
Een beginselprogramma is uiteraard niet de plek voor uitgebreide historische analyses. Belangrijker is de vraag of een maatschappijanalyse die het neoliberalisme aanwijst als de bron van alle kwaad wel de juiste diagnose levert voor de hedendaagse problemen die als het gevolg ervan worden genoemd – die ‘verscherpte scheidslijnen’, ‘de uitputting van mens en natuur’ en ‘de afbraak van de rechtsstaat’.
Bij de verscherpte scheidslijnen zijn in elk geval wel wat vragen te stellen. Zo betoogt Jan Willem Duyvendak dat het hier vooral om percepties gaat.[v] Ondanks al het neoliberale beleid, is op dit vlak feitelijk de nodige vooruitgang geboekt. Dat er in de publieke opinie desondanks veel nadruk ligt op die scheidslijnen en er zelfs over diverse ‘kloven’ wordt gesproken, heeft vooral te maken met de rol van sociale media. Maar daar horen we weinig over. ‘Technologische revoluties hebben grote impact op de samenleving’, meldt de tekst (p.8). Daar blijft het bij, terwijl een beschouwing daarover hier toch niet had misstaan.
‘Onder druk van een medialandschap dat steeds meer om ophef en conflict is gaan draaien, lijkt het winnen van de volgende verkiezingen belangrijker dan het oplossen van grote problemen in ons land,’ lezen we wel wat later (p. 12). Alleen: om die grote problemen op te lossen moet een partij in een parlementaire democratie toch verkiezingen zien te winnen? En dat moet zo’n partij inmiddels in een technologisch nieuwe context.[vi]
Dan de ‘uitputting van mens en natuur’. Is die echt pas begonnen toen het neoliberalisme zijn intrede deed? Doorgaans wordt het begin van het antropoceen – het tijdvak waarin menselijke activiteiten substantiële invloed hebben op klimaat en aarde – gesitueerd in de industriële revolutie, een eeuw eerder. Zeker, in de afgelopen decennia is mede door de globalisering van de productie die impact sterk vergroot. Schaarse grondstoffen werden geplunderd, biodiversiteit bedreigd, de CO2-uitstoot schoot omhoog. Het neoliberalisme heeft daar zeker aan bijgedragen, maar niet alleen. Want de globalisering van de productie werd ook mogelijk door heel andere ontwikkelingen, zoals de introductie van de standaard zeecontainer in de jaren zestig, die een revolutie in logistiek en vervoer teweegbracht. Het hele idee dat grote maatschappelijke ontwikkelingen aan één oorzaak kunnen worden toegeschreven, hoort thuis in de fabeltjeskrant.
Ook als het neoliberale denken inmiddels ‘op straat’ op de terugtocht is, blijft de globalisering bovendien nog wel even present. En dus wordt de rechtsstaat niet alleen ondermijnd nu ‘onze democratie er onvoldoende in slaagt om iedereen goed te vertegenwoordigen’ omdat ‘politiek en bestuur het domein zijn geworden van academisch geschoolde experts en politici’ (p.12), maar ook omdat door globalisering nationale soevereiniteit en democratie op het spel zijn komen te staan.
Politiek econoom Dani Rodrik heeft het probleem bondig geformuleerd in een trilemma dat stelt dat ‘democratie, nationale soevereiniteit en globalisering niet samengaan; je kunt voor twee van deze drie kiezen, maar niet voor alle drie tegelijk’. Niet op elk terrein hoeft die keuze op dezelfde manier uit te pakken – de landen van de EU bewijzen het.[vii] Maar dat er spanningen blijven bestaan is evident. Zo zal een land dat op het terrein van, zeg, de gezondheidszorg democratisch kiest voor nationale regelingen, voor veel geneesmiddelen afhankelijk blijven van de geglobaliseerde farmaceutische industrie. En dus dient zich, mede in het licht van recente geopolitieke aardverschuivingen, de vraag aan op welke schaal en welk niveau een bepaald beleidsterrein thuishoort: nationaal, Europees, of internationaal? De vraag wordt in Tijd voor solidariteit niet gesteld. Hopelijk komt zij in een volgend concept wel aan de orde.
Het reduceren van alle problemen tot een paar decennia neoliberaal beleid waarin de saamhorigheid teloorging is dus nogal kort door de bocht. Solidariteit is een loffelijk, links streven, maar geen panacee voor alle maatschappelijke kwalen. De centrale rol die het begrip in Tijd voor solidariteit wordt toebedeeld, maskeert dat ‘in de tijd waarin wij leven’ op tal van terreinen zich nieuwe problemen en fundamentele keuzes aandienen.
Solidariteit herformuleren
Laten we het begrip ‘solidariteit’ daarom nog eens bekijken. Volgens Van Dale betekent het ‘bewustzijn van saamhorigheid en bereidheid om de consequenties daarvan te dragen’. Als we die definitie volgen, omvat solidariteit twee aspecten: een mens- en wereldbeeld (bewustzijn van saamhorigheid) en een normatief (moreel-politiek) appel: de bereidheid om de consequenties daarvan te dragen.
Wat het mens- en wereldbeeld betreft begint Tijd voor solidariteit met de al geciteerde eerste zin uitstekend: ‘De kern van onze politiek is de overtuiging dat we onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.’ Prima. Zo wordt van meet af aan afstand genomen van het idee dat de samenleving bestaat uit een verzameling autonome individuen die elk vanuit hun eigen schuttersputje contacten aangaan met anderen. Er is geen ‘ik’ zonder anderen. Ons bestaan krijgt vorm in handelen, in relaties. Wat we onze identiteit en individualiteit noemen, is een effect: de uitkomst van wat in relaties met anderen én met wat we ‘de natuur’ of ‘de planeet’ plegen te noemen, al levend en handelend, laag voor laag, werd opgebouwd. Pel je al die lagen af dan vind je – net als bij een ui – geen kern, geen ‘diepste zelf’. Je dát bewust zijn, is het eerste element van Van Dale’s definitie van solidariteit: het besef dat je deel bent van een netwerk van relaties met andere mensen én met de niet-menselijke omgeving waarin we leven. Ons lot en dat van anderen, de natuur en inmiddels ook de planeet, zijn nauw met elkaar verbonden.
Wij bestaan in en bij de gratie van netwerken van afhankelijkheden – netwerken die zich ontwikkelen en waarin zich – op uiteenlopende schalen – spanningen en conflicten aandienen. Binnen die netwerken handelen we en moeten keuzes worden gemaakt. Daarmee komt het tweede aspect dat Van Dale noemt in beeld. Solidariteit betekent ook consequenties verbinden aan het bewustzijn dat we lotsverbondenen zijn – met anderen en inmiddels ook met de natuur en zelfs de planeet. Dat is de normatieve opgave. Onze idealen moeten daarbij richting geven. Die moeten suggereren op welke vlakken we bereid zijn consequenties te verbinden aan ons besef van lotsverbondenheid. Zij markeren met wie en met wat degenen die deze idealen omarmen solidair zullen zijn. Helaas, bij de uitwerking van die idealen gaat het in Tijd voor solidariteit nogal eens mis.
Sinds de Franse revolutie en in veel klassieke linkse beginselprogramma’s fungeert gelijkheid – naast vrijheid en broederschap – als ideaal. In Tijd voor solidariteit is het vervangen door ‘gelijkwaardigheid’. Terecht, want gelijkheid suggereert al snel dat alle verschillen moeten worden uitgewist. Gelijkwaardigheid, daarentegen, impliceert zowel inclusiviteit (niemand valt buiten de boot) als diversiteit (verschil mag er zijn). Prima. Maar dan kun je de paragraaf dat dit ideaal nader toelicht niet beginnen met de stelling dat ‘ieder mens van evenveel waarde is’, om vervolgens te eindigen met de zin ‘In onze ideale samenleving waarderen we niet degenen die het best voor zichzelf kunnen zorgen, maar diegenen die ook naar anderen willen omkijken’ (p.5). Nee. Dat had om te beginnen natuurlijk ‘Alle mensen zijn gelijkwaardig’ moeten zijn – arm of rijk, man of vrouw, zwart of wit. Allen zitten in dat bootje – lotsverbonden.
En dat impliceert meer dan ‘naar anderen willen omkijken’ (p.5). ‘Omkijken naar anderen’ doen we in de privésfeer – al of niet samen, al of niet in georganiseerd (ngo-)verband. De publieke, politieke opdracht van gelijkwaardigheid luidt: niemand mag uit de boot vallen. Daarom kiezen we ervoor om ongelijkheden die het ideaal van gelijkwaardigheid bij voorbaat onmogelijk maken te verminderen, garanderen we een fatsoenlijk bestaan en bevorderen we emancipatie en pluriformiteit door mensen rechten en zeggenschap te geven. Herverdelen, emanciperen, verheffen – het zijn oude woorden, maar als opdracht nog altijd actueel.
Dan het tweede ideaal, ‘een gezonde planeet’. ‘De natuur heeft waarde in zichzelf, los van het nut voor de mens’ (p.5), zo begint de toelichting ervan. Maar meteen daarop lezen we dat de verstoorde relatie tussen mens, dier en natuur moet worden hersteld omdat ‘voor de mens gezonde natuur onmisbaar is’ (p.5). Ecocentrisme (intrinsieke waarde van de natuur) en antropocentrisme (waarde voor de mens) zijn zo in een paar zinnen samengeperst. Het zal goed bedoeld zijn, maar het is slordig uitgewerkt. Zo trap je toch weer in de valkuil van mens versus natuur.
Die hele notie van ‘waarde in zichzelf’ staat haaks op het netwerk-idee van wederzijdse afhankelijkheden. Waarde komt in relaties tot stand en is dus nooit ‘intrinsiek’. Een gezonde planeet is niet exclusief voor de planeet van belang, noch alleen voor de mens. De planeet en wij mensen zullen het samen met elkaar moeten zien te redden. Dat vraagt om een andere organisatie van produceren, consumeren en het verdelen van schaarse hulpbronnen. Het vraagt om ingrijpend nieuw beleid. Daarop moet het politieke handelen zijn gericht.
Ten slotte ‘vrijheid’, het derde genoemde ideaal. Tijd voor solidariteit vult het eerst in met ‘helemaal jezelf zijn’, ‘volledige zeggenschap over je persoonlijk leven’, ‘je eigen doelen stellen’, ‘zelf nadenken’ en ‘je eigen keuzes maken’ (p.6). Heeft het neoliberalisme dan zelfs de auteurs van Tijd voor solidariteit geïnfecteerd, vraag je je even af.
Gelukkig wordt dit hyper-individualisme direct daarna flink afgezwakt, want ‘vrijheid [is toch] veel meer dan doen waar je zin in hebt. Het is ook rekening houden met elkaar’ (p.6). Vrijheid mag niet ten koste gaan van anderen, luidt het. Terecht – maar dit wist het klassieke liberalisme met zijn schadebeginsel ook al. Voor een sociaal-democratisch vrijheidsbegrip moeten we wat dieper graven. Om te beginnen: we hebben het over politieke vrijheid, niet over metafysische noties als ‘de vrije wil’ of het simplisme van ‘helemaal jezelf zijn’. ‘Politieke vrijheid is het recht alles te doen wat de wet toestaat; en als een burger kon doen wat de wet verbiedt, dan zou hij geen vrijheid hebben omdat anderen dat dan ook zouden kunnen doen’, schreef Montesquieu 250 jaar geleden.[viii]
Of je een lange baard wilt laten groeien mag je zelf weten (het voorbeeld is van Montesquieu) – daarover spreekt de wet zich niet uit. Geweld plegen is daarentegen bij wet verboden. Die vrijheid heb je dus niet (en als jij die vrijheid had, zou een ander haar ook hebben en zou het met je vrijheid snel gedaan zijn). Politieke vrijheid, houdt Montesquieu ons voor, is niet van nature gegeven maar wordt pas mogelijk gemaakt door een rechtsstaat – een staat waarin de wet het hoogste gezag is en waarin bestuurd wordt via tal van instituties die tezamen, door checks and balances, fatsoenlijk, redelijk, beheerst, bestuur bieden en burgers tegen machtsmisbruik beschermen.
Geen vrijheid zonder deze ‘steunberen van de samenleving’.[ix] De rechtsstaat is voor ons middel én doel, schreef de grondlegger van de sociaal-democratie, Eduard Bernstein, ooit. Dat is andere taal dan het vast goedbedoelde, maar niet door instituties geschraagde ‘vrij zijn doen we samen. Samen maken we keuzes over hoe we willen samenleven en hoe we onze gedeelde toekomst willen vormgeven’ (p.6). Oké, tenslotte wordt er nog even aangetekend dat een functionerende rechtsstaat en een gezonde democratie daarvoor onmisbaar zijn. Maar waarom daarmee niet begonnen, in plaats van ermee te eindigen?
De rol van de partij
Politieke partijen plegen met hun beginselprogramma’s hun visie op de samenleving te geven, hun idealen te formuleren en ook aan te geven hoe die idealen zouden kunnen worden gerealiseerd. De boodschappenlijstjes die verkiezingsprogramma’s vaak leveren horen er echter niet in thuis. Je verwacht hoofdlijnen, richting en een helder idee over de rol die een partij wil spelen, in het politieke bestel en eventueel daarbuiten.
Het mens- en wereldbeeld en de idealen hebben we besproken; maar welke rol ziet de nieuwe partij voor zichzelf? Zij presenteert zich in Tijd voor Solidariteit als een brede volkspartij die onderdeel is van een grote maatschappelijke beweging. En als een actiepartij, want ‘waar veel partijen zich beperken tot hun rol in het parlement of de regering, kiezen wij er bewust voor om ook actief te zijn in de samenleving’ (p.21). Het is de enige keer in Tijd voor solidariteit dat het woord ‘parlement’ valt.
‘Om de toekomst in de goede richting te bewegen [moeten we] weten welke hendels we om moeten zetten’ (p.8). De auteurs lijken op dit punt inspiratie te hebben geput uit het bekende citaat van Max Weber dat ‘wereldbeelden, die door ideeën worden gecreëerd, menigmaal als wisselwachters de banen hebben bepaald waarlangs de dynamiek van belangen het handelen voortdreef.’[x] Om de wissels om te kunnen zetten moeten we eerst de geesten rijp maken, lijken de auteurs te concluderen. En dus gaat de politiek die zij voorstaan ‘over veel meer dan beleid alleen’. Het gaat ook om ideeën, ‘om de manier waarop we naar de wereld kijken, wat we eerlijk vinden en welke toekomst we ons durven voor te stellen’ (p.21). Daarom wordt nadrukkelijk verbinding gezocht met bondgenoten binnen de vakbonden, de klimaatbeweging, emancipatiebewegingen, burgerinitiatieven en internationale organisaties (p. 22).
De nieuwe partij beperkt zich bovendien niet tot het vertegenwoordigen van mensen, maar helpt ‘hen ook [..] zelf macht op te bouwen, zich te verenigen en verandering af te dwingen, van de straat tot de Tweede Kamer’ (p.21). In vijf pagina’s wordt besproken wat dat alles zou moeten behelzen: allerlei beleidsvoornemens die deels in een verkiezingsprogramma kunnen worden gezet, naast (steun aan) maatschappelijke initiatieven.
Dat een linkse, brede volkspartij maatschappelijk actief is en verbindingen aangaat met allerlei sociale bewegingen is verstandig – het kan ideeën en energie leveren. Daar is in de tijd waarin wij leven op allerlei punten beslist behoefte aan. Maar in een rechtsstaat is het de wet die garandeert dat wenselijke of noodzakelijke veranderingen op langere termijn ook daadwerkelijk standhouden – niet onze solidariteit, en niet ‘de sociale meerderheid’ die erin gelooft. Meerderheden heeft een linkse partij in een democratie primair in het parlement te zoeken. Dáár ligt ook de opdracht om minderheden te beschermen – een voor democratie centrale notie die we in Tijd voor solidariteit node hebben gemist.
Tot slot
De gemeenschapszin herstellen die door decennia van neoliberaal beleid is geërodeerd, staat in deze aanzet voor een beginselprogramma voorop. Het is een terechte, bewuste keuze. Collectiviteit, het ‘samen doen’, levert ongetwijfeld kracht. Dat een collectief ook een richting kan kiezen die haaks staat op de idealen die je hebt geformuleerd, lijkt echter vergeten. De geschiedenis is er helaas vol van.
Collectiviteit en solidariteit dienen zich, ook nu, in Nederland, anders aan dan in sociaal-democratische vorm – bijvoorbeeld als ‘eigen volk eerst’ en benepen nationalisme. Ook dat is een aspect van de tijd waarin wij leven. In het hoofdstuk met die titel komt het echter niet aan bod. Pas in het hoofdstuk over ‘de kracht van het collectief’ worden de extreemrechtse uitdagers die zich presenteren als spreekbuis van het volk die de ‘terechte onvrede misbruiken’ even genoemd (p.14). En dan is het antwoord kort en simpel: ‘Wij kiezen voor een andere weg.’ Namelijk voor ‘een rechtvaardige samenleving, die de macht teruglegt waar hij hoort: in handen van ons allemaal’. Dat antwoord zou de rechtse populist echter ook kunnen geven – al verstaat die onder ‘ons allemaal’ een ander, minder inclusief demos dan wat de auteurs van Tijd voor solidariteit ongetwijfeld voor ogen staat maar waarover ze opmerkelijk vaag blijven.
Wat in het concept-beginselprogramma als ‘de kern van onze politiek’ wordt aangewezen – lotsverbondenheid – verdient een betere uitwerking. Voor nu ontbreekt specificiteit. Het overkoepelende begrip ‘solidariteit’ overstemt de – slordig uitgewerkte – idealen en de normatieve keuzes die de politiek moet maken.
Solidariteit wordt in Tijd voor solidariteit gepresenteerd als een alomvattende maatschappelijke conditie, een sentiment gericht op collectiviteit dat in de voorgaande decennia door het neoliberalisme goeddeels zou zijn ondermijnd - de realisatie van linkse idealen belemmerend. Maar solidariteit is geen gegeven maatschappelijke voorwaarde om andere idealen te realiseren; het begrip heeft een normatieve lading. Het drukt uit dat je bereid bent consequenties te verbinden aan je idealen en je besef van lotsverbondenheid. Een ‘solidaire samenleving’ kan een gevolg zijn van links beleid. Goed uitgewerkte idealen moeten daar richting aan geven – niet een louter door nostalgie ingegeven verlangen naar collectiviteit.
Noten
[i] PvdA, Beginselmanifest, 2005; GroenLinks, Partij van de toekomst, 2008. Dit laatste document is geen officieel ‘beginselprogramma’ maar formuleert de idealen, ‘uitgangspunten’ en ‘politieke prioriteiten’ van GroenLinks.
[ii] GroenLinks-PvdA, Tijd voor Solidariteit, Een eerste voorzet voor een beginselprogramma, juni 2025.
[iii] Arjan Reurink e.a. (2025). De tijd waarin wij leven, S&D 2025/3, 44 – 58.
[iv] De term ‘neoliberalisme’ valt in de eerste voorzet voor het beginselprogramma niet, maar wel in de uitgebreidere versie van de maatschappijanalyse in S&D.
[v] Jan Willem Duyvendak (2025). Spookkloven. Waarom Nederland minder gepolariseerd is dan we denken. Thomas Rap.
[vi] Zie bijvoorbeeld Jürgen Habermas (2023). Een nieuwe structuurverandering van het publieke domein. Boom. en Jamie Susskind (2018). Future Politics – Living together in a world transformed by tech. Oxford UP.
[vii] Cf. Dani Rodrik (2012). The Globalization Paradox. Oxford UP. En de kritiek daarop van Martin Wolf (2023). The Crisis of Democratic Capitalism. Penguin, p. 258 ev. Beide publicaties worden in het S&D-versie van de maatschappijanalyse aangehaald.
[viii] Montesquieu (1951 [1757]). De l’esprit des lois, in: Œuvres complètes II. Gallimard (Pléiade), p.395.
[ix] Kees Schuyt (2006). Steunberen van de samenleving, Amsterdam UP.
[x] Max Weber (1968 [1916]). Die Wirtschaftsethik der Weltreligionen, in: J. Winckelmann (Hrsg.), Max Weber – Soziologie, Weltgeschichtliche Analysen, Politik. Alfred Kröner Verlag, p. 414.