Op 10 september jl. vatte UU-hoogleraar, voormalig CPB-directeur en vooraanstaand PvdA-lid (?) Coen Teulings in NRC zijn kruistocht voor neoliberale hervormingen weer op. Om de kosten van de energietransitie en de oorlog in Oekraïne te kunnen betalen, zou meer marktwerking nodig zijn, onder meer in sectoren als de kinderopvang. Hoewel Teulings het etiket neoliberalisme tegenwoordig omarmt, ontkent hij als vanouds het politieke karakter van pleidooien voor meer marktwerking.
Gebrek aan consistentie valt Teulings niet te verwijten, want die boodschap van ‘meer marktwerking’ herhaalde hij afgelopen dertig jaar met grote regelmaat. In 1992 bijvoorbeeld samen met Rick van der Ploeg in een preadvies voor de Koninklijke Vereniging voor Staathuishoudkunde.[i] In 2001 toen hij in ESB de ‘ontpolitieking’ van de discussie over marktwerking bepleitte: ‘Vroeg of laat draait die wind wel weer, daarvoor zijn de maatschappelijke belangen bij een meer doelmatige inrichting van de samenleving te groot.’[ii] In 2024, toen hij op de radio eerherstel voor het neoliberalisme wenste.[iii] En nu dus weer in NRC.
Neoliberalisme is een invloedrijke politieke stroming die stamt uit de jaren dertig. Neoliberalen hebben drie centrale uitgangspunten: 1) de overheid moet de sfeer van de markt uitbreiden en de publieke sector inperken, 2) de overheid moet de markt aanjagen en 3) de overheid moet zelf marktconform werken en marktmechanismen gebruiken in haar manier van werken.[iv] Anders dan veel politieke stromingen richtten neoliberalen geen eigen politieke partij op, maar probeerden ze invloed uit te oefenen binnen bestaande politieke partijen, zo ook in Nederland.[v] In Nederland had de stroming in de naoorlogse jaren vooral invloed via de ambtenarij en de wetenschap.
In Nederland werd dat neoliberalisme in de jaren tachtig en negentig de dominante politieke stroom met als belangrijkste dogma de schijnbaar neutrale ‘bevordering van marktwerking als instrument’.[vi] Neoliberaal geïnspireerde economen zagen in marktwerking een panacee voor allerlei kwalen, in het bijzonder om de overheidsuitgaven en de productiekosten te verlagen, zodat Nederland weer concurrerend zou worden op de wereldmarkt. Ze presenteerden marktwerking nadrukkelijk als instrument, niet als doel op zich. Marktwerking was een ‘routekaart’ om politieke doelen te bereiken.
Dat argument was zo alomtegenwoordig dat beleidsmakers andere opties konden negeren. Onder beleidsmakers vatte zo de gedachte post dat publieke uitvoering ingeperkt moest worden tot evidente voorbeelden van ‘marktfalen’, en zelfs daar zou de uitvoering vaak niet meer door overheidsorganisaties ter hand mogen worden genomen omdat zij ‘oneigenlijke’ voordelen genoten ten opzichte van andere marktactoren zoals bedrijven. Marktwerking werd de zee waarin ze zwommen – en die herkenden ze niet meer als water.
Dat marktdenken kon zo alomtegenwoordig worden omdat neoliberaal opgeleide economen en economisch geschoolde juristen in de jaren tachtig een aantal centrale posities gingen innamen en een groep gelijkgestemden om zich heen verzamelden. Daarbij is het beeld van de draaideur bij de ingang van de Tweede Kamer een behulpzame metafoor. Nederlandse beleidselites gingen allemaal door diezelfde ‘draaideur’: de ene keer in toga, vervolgens met een partijspeldje op en dan weer met ambtelijke geloofsbrieven in de hand.
Topambtenaren, wetenschappers en politici kwamen elkaar daarbij telkens weer tegen op wisselende posities. In wisselende posities van wetenschapper, topambtenaar, politicus, directeur van een uitvoeringsorganisatie of toezichthouder dachten zij beleidsideeën uit, vertaalden die naar wet- en regelgeving, handhaafden ze en reflecteerden erop en gaven er een wetenschappelijke legitimatie aan. Zo bevestigden zij elkaars neoliberale ideeën en gaven daaraan een aura van vanzelfsprekendheid.
Zij politiseerden strategisch thema’s als overheidsuitgaven en depolitiseerden hun oplossingen – en de ideologische opvattingen die daaraan ten grondslag lagen. Onder invloed van deze beleidselite werden marktconforme beleidsoplossingen langzamerhand de enig acceptabele – of zelfs denkbare. Kritiek konden ze van zich af laten glijden en uitzitten – gewoon wachten tot de wind draait.
Daarbij waren alle bestuurderspartijen betrokken – CDA, VVD, D66 en PvdA. Teulings was een belangrijke exponent en vertolker van die consensus. En juist nu de politieke consensus een andere kant op beweegt, acht Teulings het kennelijk weer noodzakelijk om een pleidooi voor marktwerking te houden om het tij te doen keren. Hoewel het deze keer de oorlog in Oekraïne en de energietransitie zijn waarmee hij de noodzaak van marktwerking verkoopt, is het eigenlijke argument nog steeds dat van overheidsuitgaven en concurrerend zijn op de wereldmarkt.
Niet alle economen waren altijd zo in de ban van marktwerking dat de rest van het plaatje niet meer meetelde. In een beroemd rapport dat de Wiardi Beckman Stichting onder leiding van directeur Joop den Uyl (een gepromoveerd econoom) schreef, wees het wetenschappelijk bureau voor de sociaal-democratie op de dreiging van een samenleving die zich kenmerkt door de combinatie van private rijkdom en publieke armoede.[vii] Dat was in 1963. Inmiddels wordt private rijkdom zelfs met publiek geld gesubsidieerd.
Dat komt omdat in Nederland partijen met tegengestelde politieke visies compromissen moeten sluiten, waardoor een systeem ontstond waarin enerzijds private partijen zoals zorgaanbieders winst mogen maken, maar anderzijds toegankelijkheid geborgd moet worden en er dus herverdeeld wordt met toeslagen. Dat maakt dat met publiek geld private winsten worden gesubsidieerd. Zo worden ouders met toeslagen gecompenseerd voor de kosten van kinderopvang, wat vervolgens weglekt naar private equity. En zo maken buitenlandse staatsbedrijven winst met de uitvoering van ons openbaar vervoer, terwijl ze het ondertussen laten verschralen. Zo maken met publiek geld gefinancierde private schuldhulpverleners winst bij het helpen van mensen met schulden.
Over deze onderwerpen begint zich nu juist eindelijk een nieuwe consensus af te tekenen – een consensus die schadelijke marktwerking en commercie aan banden legt. Kamerlid Haptamu de Hoop schreef een wet die het voor provincies mogelijk maakt om een eigen publiek openbaarvervoersbedrijf op te richten. Al decennia pleiten linkse politieke partijen voor publieke kinderopvang. Het kabinet overweegt nu eindelijk een verbod op het uitkeren van rendement in de kinderopvang en zorg. In Arnhem is de schuldhulpverlening weer in publieke handen.
Oftewel: net nu er een omslag denkbaar wordt, slaat Teulings als vanouds op de trom om meer marktwerking te promoten. Dat is geen neutrale oplossing, maar vooral een illustratie van een oude consensus onder neoliberaal geïnspireerde economen.
Noten
[i] Ploeg, Rick van der, en Coen Teulings (1992). Ontbrekende markten en de rol van de overheid: de afweging tussen rechtvaardigheid en doelmatigheid. In: De toekomst van de welvaartsstaat, door B.M.S. van Praag, P.J. Vos, en H.P. van Dalen, 141-75. Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde. Leiden: Stenfert Kroese Uitgevers, 1992.
[ii] Teulings (2001). Niet ontpolderen, maar depolitiseren. ESB, 86e jaargang, nr. 4325, pagina D31.
[iii] NPO 1 (3 januari 2024). Econoom Coen Teulings pleit voor eerherstel neoliberalisme.
[iv] Naomi Woltring (2025). De marktconforme verzorgingsstaat. Nederlands neoliberalisme in de lange jaren negentig.
[v] Bram Mellink (2017). Politici zonder partij. Sociale zekerheid en de geboorte van het neoliberalisme in Nederland (1945-1958. BMGN - Low Countries Historical Review 132, nr. 4.
[vi] P. W. Zuidhof (2012). Imagining Markets: The Discursive Politics of Neoliberalism, Rotterdam: Erasmus University Rotterdam.
[vii] Joop den Uyl (1978). Om de kwaliteit van het bestaan. In: Inzicht en uitzicht. Opstellen over economie en politiek.